Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1449

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.362.156
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verlenging ondertoezichtstelling kinderen

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland verlengde op 25 september 2025 de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen tot 9 oktober 2025 en wees het verzoek tot verdere verlenging af op 9 oktober 2025. De gecertificeerde instelling (GI) stelde hoger beroep in tegen deze afwijzing, gesteund door de moeder, terwijl de vader de afwijzing steunde en proceskostenvergoeding vroeg.

Het hof oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk is, ondanks dat de ondertoezichtstelling op 9 oktober 2025 was geëindigd. Dit volgt uit jurisprudentie en het recht op rechtsbescherming, waardoor ook een afwijzing van verlenging in hoger beroep getoetst kan worden.

Inhoudelijk stelde het hof vast dat geen ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen bestaat die een verlenging rechtvaardigt. De kinderen functioneren goed, en de GI kon niet aannemelijk maken dat een verlenging tot verbetering zou leiden. De problematiek tussen ouders kan in een vrijwillig kader worden aangepakt. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek tot verlenging af.

De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten, omdat de GI niet onnodig had geprocedeerd. De uitspraak werd op 10 maart 2026 openbaar uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af en bekrachtigt het vonnis van de kinderrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.156
zaaknummer rechtbank Gelderland 455741
beschikking van 10 maart 2026
over de ondertoezichtstelling van:
[de minderjarige1],
[de minderjarige2], en
[de minderjarige3],
in de zaak van
de gecertificeerde instelling,
Stichting Jeugdbescherming Gelderland, regio Noord(de GI),
die is gevestigd in Apeldoorn,
en
[belanghebbende1](de moeder),
die woont op een geheim adres,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh,
en
[belanghebbende2](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.N. Mulder.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft op 25 september 2025 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met twee weken, tot 9 oktober 2025.
Op 9 oktober 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling tot 29 september 2026 afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2018,
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2020, en
  • [de minderjarige3] , geboren [in] 2021.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de vader.
2.3.
Op 29 september 2022 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 29 september 2025.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft op 25 september 2025 de ondertoezichtstelling van de kinderen (mondeling) verlengd tot 9 oktober 2025. Die beslissing is op 9 oktober 2025 op papier gezet. Op 9 oktober 2025 heeft de kinderrechter het (resterende deel van het) verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De GI is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter tot afwijzing van de gevraagde ondertoezichtstelling en komt daarvan in hoger beroep. De GI wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog toewijst.
4.2.
De moeder is het eens met de GI. Zij wil dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd.
4.3.
De vader wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft en hij vraagt het hof ook om de GI in de door hem gemaakte proceskosten te veroordelen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de GI, ontvangen op 2 december 2025;
  • het verweerschrift van de vader, met producties;
  • een bericht van de GI van 26 januari 2026, met een productie.
4.5.
De zitting bij het hof was op 27 januari 2026. Aanwezig waren:
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat.
Beide ouders werden bijgestaan door een tolk.

5.Het oordeel van het hof

De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het standpunt van de GI
5.1.
De ondertoezichtstelling is geëindigd op 9 oktober 2025. De GI voert aan dat zij ontvankelijk is in het hoger beroep. Als hoofdregel geldt dat een ondertoezichtstelling niet meer kan worden verlengd, wanneer deze maatregel is geëindigd. In jurisprudentie wordt echter van die hoofdregel afgeweken. De GI verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024 [1] en naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 21 augustus 2024. [2] Volgens de GI moet de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep blijven bestaan, ook als de ondertoezichtstelling is geëindigd. Dit voorkomt dat de rechtsbescherming feitelijk betekenisloos wordt en sluit aan bij de recentere rechtspraak, waarin dit door de gerechtshoven wordt onderkend. Bovendien volgt niet uit de wet dat hoger beroep in deze gevallen is uitgesloten.
Het standpunt van de moeder
5.2.
De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de GI. Zij voert aan dat het hoger beroep ontvankelijk is. Volgens de moeder moet er een mogelijkheid zijn om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in hoger beroep inhoudelijk te toetsen.
Het standpunt van de vader
5.3.
De vader voert aan dat de GI niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. Volgens de vader vertoont deze zaak gelijkenis met een eerdere zaak bij dit hof waarbij de GI niet-ontvankelijk is verklaard. [3] Wanneer het hof de beslissing van de kinderrechter zou vernietigen, herleeft de beschikking van 17 september 2024 weer en is de ondertoezichtstelling op 29 september 2025 van rechtswege geëindigd.
Het oordeel van het hof
5.4.
Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 kan in beginsel een ondertoezichtstelling niet worden verlengd na verloop van de duur van die maatregel, en is de ondertoezichtstelling daardoor van rechtswege geëindigd. [4]
5.5.
Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten beoordelen. Op grond van artikel 358 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan van een eindbeschikking binnen drie maanden na de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De beslissing van de kinderrechter is van
9 oktober 2025. De GI is op 2 december 2025, en dus binnen drie maanden, in hoger beroep gekomen. De GI is dus ontvankelijk in het hoger beroep.
5.6.
Wanneer het hof de vader zou volgen, betekent dit dat in zaken waarin de ondertoezichtstelling door de kinderrechter is beëindigd, alleen hoger beroep kan worden ingesteld in de periode tussen de uitspraak van de kinderrechter en de datum waarop de ondertoezichtstelling afloopt. Het is gebruikelijk dat de kinderrechter een beslissing op een verlengingsverzoek kort voor het aflopen van de termijn van de ondertoezichtstelling neemt. In de praktijk zou dit betekenen dat tegen een beslissing tot afwijzing van een verlengingsverzoek geen hoger beroep openstaat. Van een partij of belanghebbende kan namelijk niet worden verwacht dat zij binnen die korte termijn een beroepschrift indient. Dit brengt rechtsongelijkheid met zich. Wanneer een verzoek tot verlenging wordt toegewezen, heeft een procespartij of belanghebbende wel drie maanden de tijd om in hoger beroep te komen. Het kan niet zo zijn dat tegen een verlenging van een ondertoezichtstelling wel beroep openstaat die tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof zal daarom het verzoek van de GI inhoudelijk beoordelen.
De verlenging van de ondertoezichtstelling
Het standpunt van de GI
5.7.
Volgens de GI worden de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, omdat ze geen contact hebben met de moeder en omdat ze een loyaliteitsconflict ervaren. De vader stelt zich afhoudend op richting de hulpverlening en de GI. Hij werkt beperkt mee en heeft meermalen geweigerd stappen te zetten om de zorgregeling voort te zetten. De gehechtheid van de kinderen met de moeder komt hierdoor onder druk te staan. Daarnaast vindt geen communicatie plaats tussen de ouders en lukt het de ouders niet om samen afspraken te maken over de kinderen. Het is niet mogelijk om hulp in een vrijwillig kader in te zetten. De ondertoezichtstelling moet daarom worden verlengd.
Het standpunt van de moeder
5.8.
De moeder voert aan dat zij de kinderen acht maanden niet heeft gezien. Nadat de ondertoezichtstelling is beëindigd, is het de ouders niet gelukt om een zorgregeling te realiseren. De ouders hebben begeleiding van een onafhankelijke professional nodig. Het lukt de ouders niet om zelf afspraken te maken. De slechte verstandhouding tussen de ouders is op termijn schadelijk voor de kinderen. Zij is het daarom eens met het verzoek van de GI.
Het standpunt van de vader
5.9.
De vader voert aan dat het goed met de kinderen gaat. Er is geen ontwikkelingsbedreiging die tot een ondertoezichtstelling van de drie kinderen moet leiden. De ondertoezichtstelling heeft vier jaar geduurd en ziet alleen nog op het ontbreken van contact tussen de kinderen en de moeder. De vader heeft geprobeerd om het contact op gang te brengen, maar de moeder zegt afspraken af en gaat niet in op voorstellen van de vader. Aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is dan ook niet voldaan. Het verzoek van de GI moet daarom worden afgewezen.
Het oordeel van het hof
5.10.
Het hof is, net als de kinderrechter, van oordeel dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] die moet leiden tot (een verlenging van) een ondertoezichtstelling. Het hof zal het verzoek van de GI daarom afwijzen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigen. Het hof licht deze beslissing hierna nader toe.
5.11.
Op 29 september 2022 is de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken en is de GI betrokken geraakt bij de kinderen. Inmiddels gaat het goed met de kinderen. Ze functioneren goed op school en ze ervaren rust. De zorgen van de GI hebben met name betrekking op het ontbreken van contact tussen de moeder en de kinderen. Tijdens de zitting is besproken dat binnen de ondertoezichtstelling alleen nog wordt gewerkt aan het realiseren van contact tussen de moeder en de kinderen. Dat is onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling. Het is de GI de afgelopen drie jaren niet gelukt om binnen de ondertoezichtstelling een zorgregeling tot stand te brengen. De GI heeft niet aannemelijk gemaakt waarom dit bij verlenging van de ondertoezichtstelling wel zou lukken en wat zij nog zou kunnen inzetten. Tijdens de zitting heeft de moeder verteld dat zij wenst dat de rechter een zorgregeling vastlegt. De ouders kunnen samen (met hun advocaten) in gesprek gaan over een zorgregeling. De advocaat van de moeder heeft bevestigd dat de ouders dat met hun advocaten zullen oppakken. Wanneer dit niet tot afspraken leidt, zou de moeder een zorgregeling bij de rechtbank kunnen verzoeken. Een ondertoezichtstelling om alleen contact tussen de kinderen en een ouder op gang te brengen dient daar dus niet toe.
5.12.
De GI heeft zorgen geuit over de problematiek van de moeder en de vader. De ouders kunnen of moeten zelf in een vrijwillig kader werken aan hun problemen. Binnen de ondertoezichtstelling werd door de GI niet meer aan de behandeling van de problematiek van de ouders gewerkt. De problematiek van de moeder en de vader kunnen een verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer rechtvaardigen. Het hof is daarom van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling.
5.13.
De kinderrechter heeft op 25 september 2025 de ondertoezichtstelling met twee weken verlengd en de beslissing over het resterende deel van het verzoek van de GI met twee weken aangehouden, zodat de ouders in overleg afspraken over een zorgregeling konden maken. Die afspraken zouden dan in de beschikking kunnen worden vastgelegd. Op 25 september 2025 was de GI dus ervan op de hoogte dat de ondertoezichtstelling op 9 oktober 2025 zou aflopen. De GI heeft bijna twee maanden gewacht met het instellen van hoger beroep. Hoewel dit binnen de beroepstermijn van drie maanden is, betekent dit dat de ondertoezichtstelling toen al bijna twee maanden was geëindigd. Wanneer de GI van mening was dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen dusdanig ernstig was dat een (verlenging van de) ondertoezichtstelling noodzakelijk was, had het op de weg van de GI gelegen om eerder hoger beroep in te stellen, zodat het verlengingsverzoek sneller kon worden beoordeeld nadat de ondertoezichtstelling was beëindigd.
De proceskosten
5.14.
Het hof bepaalt dat ieder de eigen proceskosten moet betalen. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad in 2021 is er wisselende jurisprudentie van de verschillende gerechtshoven geweest over de ontvankelijkheid van een verlengingsverzoek van een al beëindigde ondertoezichtstelling. De GI heeft niet nodeloos geprocedeerd door haar verzoeken in hoger beroep aan het hof voor te leggen. Het verzoek van de vader om de GI in de proceskosten te veroordelen zal het hof daarom afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 9 oktober 2025;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, K.A.M. van Os - ten Have en
D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.