ECLI:NL:GHARL:2026:1392

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
21-000833-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 240b SrArt. 244 SrArt. 249 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudig seksueel misbruik van minderjarige kinderen en bezit kinderporno

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 6 maart 2026 het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en in hoger beroep een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, aan verdachte wegens meervoudig seksueel misbruik van twee minderjarige kinderen en het bezit van kinderporno.

De bewezenverklaring betreft seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen met twee kinderen die destijds jonger waren dan twaalf jaar, waarbij verdachte als oppas misbruik maakte van het vertrouwen van de ouders. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte in de periode 2016-2023 kinderpornografisch materiaal heeft verworven en in bezit had. De verklaringen van de slachtoffers werden als betrouwbaar en consistent beoordeeld en ondersteund door bekennende verklaringen van verdachte.

De rechtbank had eerder een straf van 40 maanden opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, maar het hof matigde deze straf gelet op persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en jeugdtrauma's. Het hof legde bijzondere voorwaarden op, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en het vermijden van contact met kinderpornografisch materiaal, met controle door de reclassering.

De vorderingen van de benadeelde partijen voor materiële en immateriële schadevergoeding werden toegewezen, waarbij het hof de immateriële schade vaststelde op €10.000 per slachtoffer, mede gebaseerd op de ernst van het misbruik en de langdurige psychische gevolgen. Tevens werd beslag gelegd op de in beslag genomen digitale apparaten en onttrokken aan het verkeer.

Het arrest benadrukt de ernst van het misbruik, het vertrouwen dat werd geschonden, en de noodzaak van een straf die recht doet aan de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met het oog op recidivepreventie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden en toewijzing van schadevergoedingen aan de slachtoffers.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000833-25
Uitspraakdatum: 6 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 februari 2025 met parketnummer 18-272055-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 februari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair en subsidiair en feit 3 tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de rechtbank geformuleerd;
  • toewijzing van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 10.424,40, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • toewijzing van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 11.731,49, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen GSM en computer (Tablet).
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Kuiters, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Bij vonnis van 14 februari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:
  • verdachte ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair en subsidiair en feit 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;
  • de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van € 10.424,40, bestaande uit € 424,40 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 11.731,49, bestaande uit € 1.731,49 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de inbeslaggenomen GSM en computer (Tablet) onttrokken aan het verkeer.
Het hof legt aan verdachte (deels) een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij (op verschillende data en tijdstippen) in de periode van 20 juni 2008 tot en met 19 juni 2010 te [plaatsnaam] , (in de gemeente [gemeente] ), in elk geval in Nederland, meermalen, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte in voornoemde periode, (onder meer)
- zijn tong op en/of in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of
- een of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij, als oppas, (op verschillende data en tijdstippen) in de periode van 20 juni 2008 tot en met 19 juni 2010 te [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] (thans de gemeente [gemeente] ), in elk geval in Nederland, meermalen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003, immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk ontuchtig (telkens)
- zijn tong op en/of in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of
- een of meer vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;
2.
hij in of omstreeks de periode van 29 februari 2006 tot en met 28 februari 2012, te [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] (thans de gemeente [gemeente] ), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte in voornoemde periode,
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of zich zogenoemd door die [slachtoffer 2] laten pijpen en/of
- de penis van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of die [slachtoffer 2] zogenoemd gepijpt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij, als oppas, in of omstreeks de periode van 29 februari 2006 tot en met 28 februari 2012 te [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] (thans de gemeente [gemeente] ), in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk ontuchtig
- zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of zich zogenoemd door die [slachtoffer 2] laten pijpen en/of
- de penis van die [slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, mond gebracht en/of die [slachtoffer 2] zogenoemd gepijpt;
3.
hij in of omstreeks de periode 28 juni 2016 tot en met 12 april 2023 te [plaatsnaam] , in de gemeente [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland, op een computer/Tablet (merk Samsung type Sm-T800 ), althans op een gegevensdrager, (een) afbeelding(en), te weten foto?s en/of video's, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,
welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
- het met de penis/een voorwerp/vinger/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met de penis/vinger/hand/oraal penetreren van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of
- het met een voorwerp/vinger/hand vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt bij zichzelf
Afbeeldingsnummers in Overzicht Geselecteerde afbeeldingen en toonmap 1 t/m 4 (zie procesdossier pagina 79)
en/of
het met de penis/vinger/hand/een voorwerp/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van eenpersoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het met de penis/vinger/hand/ een voorwerp /tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het met de vinger/hand/een voorwerp betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel en/of de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt bij zichzelf
Afbeeldingsnummers in Overzicht Geselecteerde Afbeeldingen en toonmap 5 t/m 9 (zie procesdossier pagina 79 en 80)
en/of
-
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een onnatuurlijke omgeving en/of met een voorwerp, en/of in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
Afbeeldingsnummers in Overzicht Geselecteerde Afbeeldingen en toonmap 10 t/m 15 (zie procesdossier pagina 80)
en/of
-
het masturberen (dicht)bij en/of ejaculeren op en/of het houden van een penis dicht bij het lichaam/gezicht van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt;
Afbeeldingsnummers in Overzicht Geselecteerde Afbeeldingen en toonmap 16 t/m 19 (zie procesdossier pagina 80 en 81)
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Feit 1 primair: seksueel binnendringen [slachtoffer 1]

Bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat het aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven.
Feit 1 primair

1. De door verdachte ter zitting van de rechtbank op 31 januari 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik [slachtoffer 1] meermalen heb gevingerd en haar clitoris heb gelikt. Ik heb tussen haar schaamlippen gevoeld. U houdt mij voor dat ik op de kinderen paste en de kinderen naar bed bracht. Dat klopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juni 2022,

opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2022100063 d.d. 19 september 2023, genummerd PL0100-2022100063-4, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Geboortedatum [slachtoffer 1] : [geboortedatum] 2003.
V: Waar is het gebeurd?
A: Bij mij thuis in [plaatsnaam] .
A: Toen ik 5 was ben ik misbruikt door [verdachte] . Hij heeft mij gebeft en gevingerd.
V: Hoe weet je dat je 5 jaar oud was?
A: Omdat het voor de geboorte van mijn eerste nichtje gebeurd is. Ik was bij die
geboorte 7 jaar oud. Het was ook voordat onze buren naast ons kwamen wonen. Deze buren kwamen daar wonen toen ik 6 was.
V: Wanneer was de laatste keer dat hij oppaste?
A: Dat het gebeurde was rond de Sinterklaastijd. Ik
ben in juni jarig dus ik denk dat ik dan rond de 6 was.
V: Hoe kwam het dat het oppassen daarna stopte?
A: Mijn vader ging destijds ook met pensioen en dat hoefde dus niet meer. Wij
gingen toen ook langer naar school dus het was ook minder nodig.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde en voert daartoe – kort gezegd – het volgende aan. De tenlastegelegde handelingen en pleegperiode kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft gedetailleerd en consistent verklaard waardoor haar verklaring betrouwbaar kan worden geacht. Dit geldt ook voor zover de verklaring ziet op de tenlastegelegde periode en haar leeftijd. [slachtoffer 1] heeft concrete aanknopingspunten benoemd waaruit volgt dat het misbruik heeft plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt daarnaast op bijna alle punten ondersteund door de bekennende verklaring van verdachte. Bij de politie heeft verdachte bovendien verklaard dat het misbruik begon toen [slachtoffer 1] ongeveer zes tot zeven jaar oud was. Later houdt verdachte er een andere lezing op na, maar benoemt daarbij geen concrete aanknopingspunten waaruit volgt dat het misbruik op een later moment heeft plaatsgevonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Het dossier biedt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de vaststelling dat verdachte zich in de tenlastegelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van [slachtoffer 1] . Volgens verdachte was [slachtoffer 1] ouder toen het misbruik plaatsvond. De verklaring van [slachtoffer 1] , inhoudende dat zij ten tijde van het misbruik vijf tot zeven jaar oud was, wordt niet ondersteund door bewijsmiddelen in het dossier. Er kan volgens de verdediging niet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie, waarin hij aangeeft dat [slachtoffer 1] zes tot zeven jaar oud was, omdat hij beïnvloedbaar is en onder invloed van de verbalisanten wisselend is gaan verklaren. Eerder gaf hij immers aan dat [slachtoffer 1] rond een jaar of acht was.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van feit 1 primair. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.
Wettelijk kader
Voorop gesteld moet worden dat zedenzaken zich veelal kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: een slachtoffer en een verdachte. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.
De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Dit betekent dat in een zaak waar verdachte het tenlastegelegde feit (deels) ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten ontuchtige handelingen, de rechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van een slachtoffer moet beoordelen en vervolgens moet beoordelen of er voldoende steunbewijs voor de verklaring van een slachtoffer in het dossier aanwezig is.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging in ander bewijsmateriaal vindt. Wel is vereist dat de verklaringen van een slachtoffer op specifieke punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.
Betrouwbaarheid en steunbewijs verklaring [slachtoffer 1]
Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar is en daarom voor het bewijs kan worden gebruikt. De verklaring is gedetailleerd en consistent. Zij heeft gedetailleerd verklaard over waar en wanneer het misbruik heeft plaatsgevonden. Haar verklaring wordt bovendien voor een groot deel bevestigd door de verklaringen van verdachte zelf, waarin hij aangeeft dat hij [slachtoffer 1] meermalen heeft gevingerd, haar clitoris heeft gelikt en tussen haar schaamlippen heeft gevoeld. Gelet hierop is het hof van oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan.
Pleegperiode
Verdachte heeft het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] bekend, maar heeft betwist dat [slachtoffer 1] destijds vijf tot zeven jaar oud was. Verdachte heeft niet met concrete omstandigheden aannemelijk kunnen maken dat [slachtoffer 1] ten tijde van het misbruik ouder was. Daarentegen heeft [slachtoffer 1] feitelijke gebeurtenissen naar voren gebracht waaraan zij haar leeftijd heeft ontleend. Zo verklaart zij dat het misbruik is begonnen voordat haar eerste nichtje was geboren toen zij 7 jaar was en voordat de buren naast hen kwamen wonen toen zij 6 jaar was. Het misbruik is volgens [slachtoffer 1] gestopt toen haar vader met pensioen ging en er geen oppas meer nodig was, rond dat ze 6 was.
Het hof gaat daarom voor de pleegperiode uit van wat [slachtoffer 1] hierover heeft verklaard en acht de pleegperiode zoals ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 primair en subsidiair: seksueel misbruik [slachtoffer 2]

De tenlastelegging
Met betrekking tot het feitencomplex zoals dat onder feit 2 ten laste is gelegd, vat het hof het primair en subsidiair tenlastegelegde telkens op als impliciet cumulatief te zijn omschreven. In de tenlastelegging zijn immers gedragingen opgenomen die hebben plaatsgevonden op verschillende tijdstippen en die bij een bewezenverklaring zouden leiden tot een meervoudige kwalificatie. Dit betekent dat per ten laste gelegde handeling beoordeeld dient te worden of bewezen kan worden dat verdachte die handelingen heeft verricht en of die handeling als seksueel binnendringen (primair) dan wel als ontuchtige handeling (subsidiair) kan worden gekwalificeerd. Dit betekent ook dat voor elk impliciet ten laste gelegde feit voldaan dient te zijn aan het eerdergenoemde bewijsminimum.
Bewijsmiddelen
Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van de rechtbank op 31 januari 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

U houdt mij voor dat ik op de kinderen paste en de kinderen naar bed bracht. Dat klopt. U houdt mij voor dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zeven/acht jaar oud was en dat hij verklaart dat hij bij het
(het hof begrijpt: naar)bed brengen gepijpt werd. Hij verklaart dat het zes/zeven keer is gebeurd. Dat klopt wel.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 april 2023, opgenomen op pagina 102 e.v. van voornoemd dossier, genummerd V-001-01, inhoudend als verklaring van verdachte:

V: En wat is er toen gebeurd?
A: Pijpen. Dan trok hij zijn broek naar beneden en dan pijpte ik hem.
V: Waar gebeurde dat?
A: In de woonkamer. Dan gingen de ouders klaverjassen en dan paste ik wel op de
kinderen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 26 oktober 2022, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022282465-3, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Geboortedatum [slachtoffer 2] : [geboortedatum] 2000.
Wanneer is het gebeurd: tussen 2006 en 2012.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 februari 2024, opgenomen op pagina 7 e.v. van het aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier, genummerd 100-2024034546-3, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

A: Het gebeurde het meest als hij bij ons oppaste. [verdachte] kwam beneden en op de bank zitten, hij wilde dat ik op de knieën naast de bank ging zitten en hij deed zijn broek uit en toen moest ik mijn mond om zijn penis doen en heen en weer. Hij deed mijn hoofd heen en weer op zijn penis.
V: Waar is het gebeurd?
A: In de woonkamer in [plaatsnaam] .
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van een deel van feit 2 primair en een deel van feit 2 subsidiair en voert daartoe – kort gezegd – het volgende aan. De verklaring van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) is gedetailleerd en betrouwbaar en kan in zijn geheel voor het bewijs worden gebruikt. Verdachte is daarentegen bij de politie niet heel stellig in zijn ontkenning en heeft aangegeven dat hij bepaalde dingen die hij destijds heeft gedaan, vergeten is. Bovendien wordt de context van de verklaring die [slachtoffer 2] heeft afgelegd ondersteund door verdachte zijn verklaring bij de reclassering, waarin hij aangeeft dat hij zijn piemel ook heeft laten zien.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich heeft laten pijpen door [slachtoffer 2] . Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is dat verdachte [slachtoffer 2] heeft gepijpt.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van feit 2 primair en subsidiair. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.
Wettelijk kader
Voor het wettelijk kader verwijst het hof naar hetgeen hierboven ten aanzien van feit 1 primair is opgenomen.
Betrouwbaarheid en steunbewijs verklaring [slachtoffer 2]
Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en daarom voor het bewijs kan worden gebruikt. De verklaring is gedetailleerd en consistent. [slachtoffer 2] heeft gedetailleerd verklaard over waar en wanneer het misbruik heeft plaatsgevonden. Zo heeft hij verklaard dat het misbruik onder andere plaatsvond na de bruiloft van zijn zus en toen zijn ouders naar een concert gingen. Zijn verklaring wordt bovendien voor een groot deel bevestigd door de verklaringen van verdachte, waarin hij aangeeft dat hij [slachtoffer 2] in de tenlastegelegde periode heeft gepijpt in de woonkamer en bij het naar bed brengen.
Tweede gedachtestreepje: het pijpen van [slachtoffer 2] door verdachte
Onder het tweede gedachtestreepje van feit 2 primair en subsidiair wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer 2] heeft gepijpt. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 2] meermalen heeft gepijpt. Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van de handeling zoals tenlastegelegd onder het tweede gedachtestreepje.
Eerste gedachtestreepje: het door verdachte laten pijpen door [slachtoffer 2]
Onder het eerste gedachtestreepje van feit 2 primair en subsidiair wordt verdachte verweten dat hij zich heeft laten pijpen door [slachtoffer 2] . Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hem niet heeft gepijpt. Het hof komt toch tot een bewezenverklaring hiervan. Net als de rechtbank heeft het hof geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 2] , temeer nu verdachte heeft bekend dat hij in dezelfde periode [slachtoffer 2] heeft gepijpt. Hieruit blijkt dat verdachte de wil had en in staat was ernstig strafbaar gedrag van seksuele aard te plegen ten opzichte van een minderjarige. Bovendien heeft verdachte verklaard dat wanneer hij aan het oppassen was er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in de woonkamer van de ouderlijke woning van [slachtoffer 2] en bij het naar bed brengen van [slachtoffer 2] . Met zijn verklaring plaatst verdachte zich op die specifieke plekken en binnen die context waar en wanneer het seksueel binnendringen volgens [slachtoffer 2] plaats zou hebben gevonden. Het hof ziet daarom voldoende steun in de verklaring van verdachte voor de bewezenverklaring van het seksueel binnendringen. Daarbij komt dat verdachte herhaaldelijk heeft verklaard, ook tijdens de zitting in hoger beroep, dat hij niet meer precies weet wat er allemaal is gebeurd. Wel kan hij met enige stelligheid aangeven dat deze meest vergaande seksuele handeling niet zou hebben plaatsgevonden. Een verklaring voor de omstandigheid dat verdachte dit laatste juist wel zo goed is bijgebleven, heeft hij desgevraagd niet gegeven. De verklaring van verdachte op dit punt weegt dan ook niet op tegen de verklaring van [slachtoffer 2] waarin hij gedetailleerd uitlegt hoe het een en ander heeft plaatsgevonden.
Primair tenlastegelegde: seksueel binnendringen [slachtoffer 2]
Onder feit 2 primair wordt verdachte – kort gezegd – het seksueel binnendringen bij [slachtoffer 2] tenlastegelegd. De onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde handeling, inhoudende dat verdachte zich heeft laten pijpen door [slachtoffer 2] , valt onder het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] zodat het primair tenlastegelegde ten aanzien van dit onderdeel kan worden bewezen.
De onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde handeling, inhoudende het pijpen van [slachtoffer 2] door verdachte, is een ontuchtige handeling die niet bestaat uit het (juridisch) seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] als bedoeld in artikel 244 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2005, NJ 2006/614). Ontuchtige handelingen die niet bestaan uit het seksueel binnendringen kunnen onder omstandigheden wel onder de strafbaarstelling van artikel 244 (oud) Sr vallen. In dat artikel is namelijk bepaald dat ontuchtige handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam strafbaar zijn. Hiervoor is wel vereist dat de ontuchtige handelingen die niet bestaan uit het seksueel binnendringen, voor, tijdens en/of na het seksueel binnendringen hebben plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 18 mei 1999, NJ 1999/541). Net als de rechtbank kan het hof op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de handelingen die hem onder het tweede gedachtestreepje worden verweten voor of na, dan wel tijdens het seksueel binnendringen heeft verricht. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen aan hem primair is ten laste gelegd onder het tweede gedachtestreepje.
Subsidiair tenlastegelegde: als oppas ontucht plegen met [slachtoffer 2]
Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 2] heeft gepijpt, terwijl hij op hem aan het passen was. Nu het pijpen van [slachtoffer 2] een ontuchtige handeling betreft, komt het hof ten aanzien van het tweede gedachtestreepje tot een bewezenverklaring van feit 2 subsidiair.

Feit 3: bezit kinderporno

Bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Aangezien verdachte het bewezenverklaarde feit eerst bij de rechtbank en vervolgens bij het hof heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ingevolge artikel 359, derde lid, Sv volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zoals hieronder weergegeven:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 20 februari 2026;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 1 september 2023, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, genummerd 2022100063, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.primair
hij in de periode van 20 juni 2008 tot en met 19 juni 2010 te [plaatsnaam] , meermalen, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte in voornoemde periode
- zijn tong op en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] gebracht en
- een vinger tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] gebracht;
2.primair
hij in de periode van 29 februari 2006 tot en met 28 februari 2012, te [plaatsnaam] met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte in voornoemde periode,
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en zich zogenoemd door die [slachtoffer 2] laten pijpen;
2.subsidiair
hij, als oppas, in de periode van 29 februari 2006 tot en met 28 februari 2012 te [plaatsnaam] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2000, immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk ontuchtig
- de penis van die [slachtoffer 2] in zijn mond gebracht en die [slachtoffer 2] zogenoemd gepijpt;
3.
hij in de periode 28 juni 2016 tot en met 12 april 2023 te [plaatsnaam] op een Tablet (merk Samsung type Sm-T800 ) afbeelding(en), te weten foto’s en video's van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt is betrokken, heeft verworven en in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
- het met de penis/een voorwerp/vinger/hand oraal, vaginaal en anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
- het met de penis/vinger/hand/oraal penetreren van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en
- het met een voorwerp/vinger/hand vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt bij zichzelf
en
het met de penis/vinger/hand/een voorwerp/tong betasten en aanraken van het geslachtsdeel, de billen en borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en
het met de penis/vinger/hand/een voorwerp/tong betasten en aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en
het met de vinger/hand/een voorwerp betasten en aanraken van het geslachtsdeel en de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt bij zichzelf
en
-
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of poseert in een onnatuurlijke omgeving en/of met een voorwerp die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
en
-
het masturberen (dicht)bij en ejaculeren op en het houden van een penis dicht bij het lichaam/gezicht van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Het onder 2 primair en subsidiair bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
en
ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten
wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de rechtbank geformuleerd. Gelet op de problematiek van verdachte en de omstandigheid dat sprake is van recidive acht de advocaat-generaal een proeftijd van 5 jaren en een langere voorwaardelijke straf met behoud van eenzelfde onvoorwaardelijke strafdeel als door de rechtbank opgelegd noodzakelijk.
Standpunt verdediging
De raadsman voert aan dat gelet op de aard, de duur en de omvang van het seksueel misbruik een straf opgelegd dient te worden waarbij verdachte nog enig perspectief heeft om de draad van zijn leven weer op te kunnen pakken. De raadsman bepleit daarom de oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Het is volgens de raadsman van belang dat verdachte zo snel mogelijk wordt behandeld.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen en het plegen van ontuchtige handelingen met twee toen nog zeer jonge kinderen van (ongeveer) 5 en 7/8 jaar oud op wie hij destijds paste. Dit gebeurde in de ouderlijke woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , een plek waar zij zich bij uitstek veilig en geborgen hadden moeten voelen. Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Daarbij heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij van de ouders van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] genoot. Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Ook in deze zaak is dat het geval, zoals blijkt uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zoals voorgedragen tijdens de zitting in hoger beroep.
Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan het verwerven en het bezitten van kinderpornografisch materiaal. Het ging om foto’s en filmpjes waarop vergaande seksuele handelingen door en met kinderen zichtbaar waren. Op het merendeel van de afbeeldingen zijn kinderen te zien die jonger dan 12 jaar zijn. Op enkele afbeeldingen zijn zelfs kinderen in de leeftijd tussen de 1 en 2 jaar te zien. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het permanent beschadigen van kinderen en een verwerpelijke rol gespeeld in de exploitatie van kinderen en de instandhouding van de markt voor dergelijk materiaal. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderen die betrokken zijn bij dergelijke seksuele handelingen nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische (en lichamelijke) gevolgen van hetgeen hen is overkomen. Verdachte is daar mede verantwoordelijk voor.
Persoon van de verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het bezit van kinderpornografisch materiaal. De eerdere veroordeling heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich hier opnieuw schuldig aan te maken. Het hof weegt dat in strafverzwarende zin mee. Daarbij komt dat verdachte na deze veroordeling daadwerkelijk is overgegaan tot het seksueel misbruiken van kinderen.
Het hof heeft verder kennisgenomen van het verdachte betreffende reclasseringsrapport van 10 juli 2024. Uit het rapport blijkt dat verdachte in zijn jeugd seksueel is misbruikt, meerdere jeugdtrauma’s heeft opgelopen die hij onvoldoende heeft verwerkt en seks in de vorm van porno kijken als coping gebruikt wanneer hij stress heeft. Verdachte leeft in een sociaal isolement en heeft gebrekkige copingvaardigheden. Daarnaast zijn er bij verdachte aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking. De reclassering heeft de kans op herhaling ingeschat als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een behandeling door de [zorgverlener] (hierna: [zorgverlener] ) en het vermijden van het in aanraking komen met kinderpornografisch materiaal en een controle daarop door reclassering.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte verklaart dat hij in zijn eentje in een huurhuis woont. Hij heeft werk bij een groothandel in horecabenodigdheden en kan rondkomen van zijn inkomen daaruit. Verdachte schaamt zich voor het door hem gepleegde misbruik en probeert de situaties waarbij hij mogelijk in aanraking kan komen met kinderporno te vermijden. Als verdachte stress ervaart, probeert hij een boek te lezen, radio te luisteren of televisie te kijken. Verder geeft verdachte aan mee te willen werken aan een behandeling.
Op te leggen straf
Net als de rechtbank, vindt het hof dat geen andere straf op haar plaats is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met name de omstandigheid dat de slachtoffers zeer jonge kinderen waren die aan de zorg van verdachte waren toevertrouwd en dat het misbruik in de omgeving heeft plaatsgevonden waar zij zich bij uitstek veilig hadden moeten voelen, weegt in dit kader zwaar. Bovendien is er voor wat betreft het bezit van kinderpornografisch materiaal sprake van recidive.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Tegelijkertijd heeft het hof naar aanleiding van het reclasseringsrapport en de gesprekken met verdachte tijdens de zitting van het hof de indruk gekregen dat verdachte licht verstandelijk beperkt is en te kampen heeft met klachten als gevolg van het misbruik dat hem vroeger zelf is overkomen. Verdachte kan zich hierdoor moeilijk uitdrukken en kan slecht op zichzelf reflecteren. Bij het bepalen van de straf zal het hof hier in strafmatigende zin rekening mee houden en het belang van een behandeling onderstrepen.
Het hof is al met al van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, recht doet aan de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Anders dan de rechtbank zal het hof aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van 5 jaren verbinden, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Het hof vindt het zeer zorgelijk dat verdachte, op het moment dat hij contact had met jonge kinderen, daadwerkelijk is overgegaan tot het verrichten van seksuele handelingen. Daarbij vindt het hof het ook zorgelijk dat verdachte niet kan aangeven waarom hij tot deze handelingen is overgegaan. Gelet op de lange duur van de onder 1 primair en 2 primair en subsidiair bewezenverklaarde feiten in samenhang met de door verdachte erkende pedoseksuele belangstelling, moet er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw dergelijke strafbare feiten pleegt.
Het hof is daarnaast met de reclassering en de rechtbank van oordeel dat ter voorkoming van recidive de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd, te weten kort gezegd een meldplicht, ambulante behandeling en vermijden van kinderpornografisch materiaal en waarbij verdachte meewerkt aan controle door de reclassering.
Bijzondere voorwaarde: vermijden kinderpornografisch materiaal
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde die ziet op het vermijden van kinderporno overweegt het hof dat de controle van digitale apparaten in potentie een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker betekent. Uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1215) vloeit voort dat de rechter zich daarvan rekenschap moet geven en dat de op te leggen bijzondere voorwaarden gericht dienen te zijn op het gedrag van verdachte.
Het hof ziet, gezien de lange periode van het bezitten van kinderporno, de omstandigheid dat sprake is van recidive én het gegeven dat verdachte na de eerste veroordeling voor het bezitten van kinderporno zelf is overgegaan tot het seksueel misbruiken van kinderen, aanleiding om bijzondere voorwaarden te richten op het voorkomen van dit strafbare gedrag van verdachte en op het monitoren van de naleving hiervan. Het hof zal, gezien het voorgaande, aan deze voorwaarde wel beperkingen verbinden voor wat betreft de maximale hoeveelheid en de frequentie van controles van digitale apparaten, welke personen de bevoegdheid toekomt kennis te nemen van de inhoud daarvan en welke verplichtingen daarbij op verdachte rusten.
Verdachte dient in dit geval mee te werken aan controles van digitale apparaten tijdens een huisbezoek. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclassering ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn digitale apparaten en het toegang verlenen tot die digitale apparaten aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering mee te nemen, persoon.
Deze controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) drie keer per jaar worden uitgevoerd. Voor wat betreft de persoon die kennis mag nemen van de inhoud van de digitale apparaten is het volgende van belang. Het hof is ambtshalve bekend met het feit dat gebruikers van digitale apparaten op diverse manieren hun digitale sporen kunnen verbergen. De controle op de inhoud van de geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers kan daarom plaatsvinden in het bijzijn van een deskundige.
Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:
  • 1 GSM
  • 1 Computer (Tablet)
Net als de rechtbank acht het hof de in beslag genomen telefoon en tablet van verdachte vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Ten aanzien van de tablet is dit omdat het bewezenverklaarde feit (bezit kinderporno) hiermee is begaan. Het is niet mogelijk om met zekerheid te kunnen stellen dat het kinderpornografisch materiaal van deze gegevensdrager is verwijderd, waardoor de gegevensdrager van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Ten aanzien van de GSM overweegt het hof dat uit het dossier volgt dat er kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte, maar dat die niet door de gebruiker te benaderen waren. Het hof is van oordeel dat de GSM eveneens moet worden onttrokken aan het verkeer nu het voorwerp aan verdachte toebehoort en vanwege de aangetroffen afbeeldingen van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De telefoon is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 3 bewezenverklaarde feit aangetroffen. De telefoon kan bovendien dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit € 448,88 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 53,45 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 10.424,20, bestaande uit € 424,40 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering ten aanzien van de reiskosten voor het reizen naar het politiebureau, Slachtofferhulp Nederland en de rechtbank afgewezen.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Materiële schade
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vordering betreffende het eigen risico van 2022 (€ 350,42) inzake therapie bij [instantie] dient te worden toegewezen. Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Nadat de benadeelde partij haar verhaal over het seksueel misbruik gepleegd door verdachte aan de huisarts had gedaan, is zij door de huisarts doorverwezen naar [instantie] . De (hoogte van de) vordering is niet door de verdediging betwist en zal daarom volledig worden toegewezen.
Het hof zal de gevorderde reiskosten naar [instantie] (€ 73,98) ook toewijzen, omdat deze schade gelet op het voorgaande ook aan te merken is als rechtstreekse schade. Verdachte moet deze schade vergoeden.
Overige reiskosten
Met betrekking tot de reiskosten voor het doen van aangifte, de bezoeken aan
Slachtofferhulp Nederland voor juridische ondersteuning en het bijwonen van de zitting
overweegt het hof het volgende.
Op grond van artikel 238 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)
komen reiskosten slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon - dat wil
zeggen: zonder gemachtigde - wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een
gemachtigde, zoals in onderhavige zaak, dan komen slechts de kosten voor salaris en
noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking en dus niet
ook de in artikel 238 lid 1 Rv Pro bedoelde kosten van de benadeelde partij (vgl. Hoge Raad 28
maart 2023, ECL1:NL:HR:2O23:414). Voor andere reiskosten - zoals voor het doen van
aangifte, bezoeken aan leden van het Openbaar Ministerie en aan een advocaat - kent de
civiele proceskostenregeling geen vergoeding. De opgevoerde reiskosten voor de bezoeken
aan de politie en Slachtofferhulp Nederland zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit en zijn ook niet toewijsbaar als proceskosten op grond van de civiele proceskostenregeling. Zij worden in die regeling immers niet genoemd (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540). Deze reiskosten worden daarom afgewezen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Het hof acht het op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering en hetgeen namens de benadeelde partij tijdens de zitting bij het hof omtrent de gevolgen van het seksueel misbruik is aangevoerd en de verwijzing naar onderliggende stukken over -onder meer de vastgestelde PTSS - voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij geestelijke letsel heeft opgelopen als rechtsreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Daarbij overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die slachtoffer worden van een seksueel misdrijf nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Dit geldt in het onderhavige geval te meer nu de benadeelde partij de ontuchtige handelingen op zeer jeugdige leeftijd heeft moeten ondergaan.
Het geestelijk letsel is hiermee voldoende aangetoond, net als de stelling dat deze een gevolg van de door verdachte gepleegde handelingen is. Daarmee is sprake van een wettelijke grondslag voor een vergoeding van ander nadeel als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Gelet op alle omstandigheden van dit geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 10.000,00. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen en verder gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Daarbij heeft het hof aansluiting gezocht bij de bedragen die zijn genoemd onder ‘Posttraumatische stressstoornissen’, categorie (c) Middelzwaar. Hoewel het de benadeelde partij lukt om te functioneren binnen de maatschappij, is het seksueel misbruik nog altijd een voortdurend punt van aandacht in haar leven. Het hof gaat dan ook voorbij aan het standpunt van de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij gematigd - het hof begrijpt: lager vastgesteld - moet worden.
Verdachte is gelet op het voorgaande tot voldoening van het gehele gevorderde bedrag aan schadevergoeding gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof ziet in het standpunt van de verdediging, dat verdachte hier geen geld voor zou hebben en het daarom enkel zal leiden tot een gijzeling, geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Het hof gaat hier daarom aan voorbij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit € 1.758,41 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en € 54,12 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 11.731,49, bestaande uit € 1.731,49 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering ten aanzien van de reiskosten voor het reizen naar het politiebureau, Slachtofferhulp Nederland en de rechtbank afgewezen.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Materiële schade
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vordering betreffende het eigen risico van 2023 (€ 360,62) en 2024 (€ 385,00) inzake therapie bij [instantie] en de verlofkosten (€ 415,41) om de therapie te kunnen volgen, dienen te worden toegewezen. Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair en subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij is als gevolg van het seksueel misbruik immers langdurig bij [instantie] onder behandeling geweest. De (hoogte van de) vordering is niet door de verdediging betwist en zal daarom volledig worden toegewezen.
Het hof zal de gevorderde reiskosten naar [instantie] (€ 570,46) ook toewijzen, omdat deze schade gelet op het voorgaande ook aan te merken is als rechtstreekse schade. Verdachte moet deze schade vergoeden.
Overige reiskosten
Met betrekking tot de reiskosten voor het doen van aangifte, de bezoeken aan Slachtofferhulp Nederland voor juridische ondersteuning en het bijwonen van de zitting verwijst het hof naar hetgeen hierover is overwogen bij de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Het hof zal de vordering ten aanzien van dit deel afwijzen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Het hof acht het op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering en hetgeen namens de benadeelde partij tijdens de zitting bij het hof omtrent de gevolgen van het seksueel misbruik is aangevoerd en de verwijzing naar onderliggende stukken omtrent de noodzakelijkheid van professionele hulpverlening, de constatering van een PTSS en het langdurig ondergaan van therapie, voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als rechtsreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Daarbij overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die slachtoffer worden van een seksueel misdrijf nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Dit geldt in het onderhavige geval te meer nu de benadeelde partij de ontuchtige handelingen op jeugdige leeftijd heeft moeten ondergaan.
Het geestelijk letsel is hiermee voldoende aangetoond, net als de stelling dat deze een gevolg van de door verdachte gepleegde handelingen is. Daarmee is sprake van een wettelijke grondslag voor een vergoeding van ander nadeel als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Gelet op alle omstandigheden van dit geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 10.000,00. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen en voorts gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Daarbij heeft het hof aansluiting gezocht bij de bedragen die zijn genoemd onder ‘Posttraumatische stressstoornissen’, categorie (c) Middelzwaar. Hoewel het de benadeelde partij lukt om te functioneren binnen de maatschappij, is het seksueel misbruik een voortdurend punt van aandacht in zijn leven. Zo ervaart de benadeelde partij nog altijd moeilijkheden in de opvoeding van zijn eigen kind, in die zin dat hij een lange tijd niet heeft gedurfd om luiers te verschonen en zijn kind daarnaast niet alleen durft te laten. Het hof gaat dan ook voorbij aan het standpunt van de verdediging dat de vordering van de benadeelde partij gematigd - het hof begrijp: lager vastgesteld - moet worden.
Verdachte is gelet op het voorgaande tot voldoening van het gehele gevorderde bedrag aan schadevergoeding gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof ziet in het standpunt van de verdediging, dat verdachte hier geen geld voor zou hebben en het daarom enkel zal leiden tot een gijzeling, geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Het hof gaat hier daarom aan voorbij.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 240b, 244 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
5 (vijf) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest meldt bij de reclassering [locatie] , zo lang
en frequent de reclassering dat nodig acht.
2. de verdachte zich, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig
acht, zal laten behandelen door de [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling
van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die door de
zorgverlener wordt gegeven.
3. de verdachte gedurende de proeftijd:
a. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch
materiaal;
b. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt
gecommuniceerd;
c. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
d. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft.
De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.
De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) 15 keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK GSM (Omschrijving: 1593224, Samsung)
- 1 STK Computer (Omschrijving: 1593380, zilver, merk: Samsung).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.424,40 (tienduizend vierhonderdvierentwintig euro en veertig cent) bestaande uit € 424,40 (vierhonderdvierentwintig euro en veertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.424,40 (tienduizend vierhonderdvierentwintig euro en veertig cent) bestaande uit € 424,40 (vierhonderdvierentwintig euro en veertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77 (zevenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 juni 2010.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 primair en subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 11.731,49 (elfduizend zevenhonderd eenendertig euro en negenenveertig cent) bestaande uit € 1.731,49 (duizend zevenhonderd eenendertig euro en negenenveertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 primair en subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.731,49 (elfduizend zevenhonderd eenendertig euro en negenenveertig cent) bestaande uit € 1.731,49 (duizend zevenhonderd eenendertig euro en negenenveertig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 83 (drieëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 28 februari 2012.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. A.H. toe Laer en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 maart 2026.