ECLI:NL:GHARL:2026:1276

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.350.219/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1777 BWArt. 7:201 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over opzegging bruikleen woning na verhuizing moeder naar verzorgingshuis

In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen zus en broer over het gebruik van een boerderij die eigendom is van hun moeder. De moeder is verhuisd naar een verzorgingshuis en heeft haar dochter een volmacht gegeven om haar belangen te behartigen. De dochter sommeert de broer om de boerderij te verlaten, maar deze weigert dat.

De rechtbank oordeelde dat er geen huurovereenkomst is, maar een bruikleenovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarvoor een zwaarwegende grond vereist is voor opzegging. Deze grond ontbrak volgens de rechtbank, waardoor de vorderingen werden afgewezen.

Het hof bevestigt dit oordeel en benadrukt het belang van de broer bij voortzetting van de bruikleen, mede vanwege zijn ernstige psychische problemen en verhoogd suïciderisico dat samenhangt met het dreigend verlies van de woning. De belangen van de moeder bij opzegging wegen niet op tegen die van de broer. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de broer mag in de boerderij blijven wonen vanwege het ontbreken van een zwaarwegende grond voor opzegging van de bruikleen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.219/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 232402
arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellante], als gevolmachtigde van
[moeder],
die woont in [woonplaats1]
hierna:
[appellante]
advocaat: mr. M. Schuring
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mr. P. van der Lans

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 11 december 2024 tussen partijen heeft gewezen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de appeldagvaarding;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • de akte uitlaten producties, van de zijde van [appellante] ;
  • de akte met productie, van de zijde van [appellante] (productie 7);
  • de akte met productie, van de zijde van [appellante] (productie 8);
  • het verslag (proces-verbaal) van de zitting bij het hof van 11 februari 2026.
1.2.
Het hof heeft vervolgens een datum bepaald voor de uitspraak.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen in deze procedure zijn zus en broer. De broer ( [geïntimeerde] ) woonde tot 2022 samen met moeder in de boerderij die eigendom is van moeder. In 2022 is moeder – destijds 94 jaar, inmiddels 98 jaar – verhuisd naar een verzorgingstehuis. Moeder heeft een algemene volmacht gegeven aan de zus ( [appellante] ). [appellante] heeft haar broer [geïntimeerde] vervolgens gesommeerd om uit de boerderij te vertrekken. [geïntimeerde] weigert te vertrekken.
2.2.
[appellante] heeft, als gevolmachtigde van moeder, bij de rechtbank gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen de boerderij binnen vier weken na betekening van de uitspraak te verlaten. Verder heeft zij gevorderd, voor het geval dat geoordeeld zou worden dat moeder de boerderij aan [geïntimeerde] verhuurd heeft, die huurovereenkomst te ontbinden. [geïntimeerde] heeft een tegenvordering ingesteld. Daarbij heeft [geïntimeerde] gevorderd om vast te stellen dat hij de boerderij huurt voor onbepaalde tijd en dat hij recht heeft op huurbescherming.
2.3.
De rechtbank heeft op 11 december 2024 zowel de vorderingen van [appellante] als de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. [1] De rechtbank oordeelde dat geen sprake is van huur, maar dat moeder de boerderij aan [geïntimeerde] in bruikleen heeft gegeven. Er is in dit geval een zwaarwegende grond vereist voor opzegging van de bruikleenovereenkomst en aan die voorwaarde is niet voldaan, zo oordeelde de rechtbank. De rechtbank heeft bepaald dat partijen de eigen proceskosten moeten dragen.
2.4.
[appellante] vordert in dit hoger beroep dat [geïntimeerde] alsnog veroordeeld wordt om de boerderij te verlaten. Verder vraagt zij om [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
2.5.
Het hof zal het hoger beroep verwerpen. Ook het hof oordeelt dat sprake is van bruikleen. Er is in dit geval bovendien een zwaarwegende grond vereist voor opzegging van de bruikleenovereenkomst; zo’n zwaarwegende grond is niet aanwezig. Het hof zal dit oordeel hieronder toelichten. Daarbij wordt eerst een kort overzicht gegeven van de feiten.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn de dochter ( [appellante] ) en de zoon ( [geïntimeerde] ) van [moeder] (hierna: moeder) en wijlen [vader] (hierna: vader). Vader is in 1991 overleden.
3.2.
[geïntimeerde] woonde van jongs af aan samen met vader en moeder op de boerderij aan de [adres] in [woonplaats2] (hierna: de boerderij). Sinds het overlijden van vader in 1991 heeft [geïntimeerde] samen met moeder in de boerderij gewoond. [appellante] woonde aanvankelijk ook op de boerderij, maar zij is in of omstreeks 1991 verhuisd.
3.3.
De boerderij is eigendom van moeder. Moeder is ook eigenaar van een aantal omliggende percelen.
3.4.
Nadat moeder onwel was geworden, is zij op 29 juli 2022 opgenomen in verpleeghuis [naam1] in [plaats] . Gelet op de vergevorderde leeftijd van moeder (destijds 94 jaar, nu 98 jaar) en haar gezondheidsklachten, was het de verwachting dat moeder niet zou terugkeren naar de boerderij. Moeder is ook nu niet van plan om terug te keren naar de boerderij. Zij staat ingeschreven op het adres van het verpleeghuis.
3.5.
Na het vertrek van moeder uit de boerderij in juli 2022, is [geïntimeerde] alleen in de boerderij blijven wonen.
3.6.
Op 9 augustus 2022 heeft moeder bij notariële akte een algehele volmacht gegeven aan [appellante] om haar vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen. [appellante] is ook bevoegd om moeder in rechte te vertegenwoordigen. In de volmacht staat onder ‘aanwijzingen voor de gevolmachtigde’ onder meer:

Woning
Mijn woning en mijn overige onroerende zaken (mijn land) mag worden verkocht als ik mijn intrek neem in een verpleeg- of verzorgingsinstelling en er geen zicht is op mijn terugkeer naar die woning.”
3.7.
Nadat moeder uit de boerderij vertrokken was, weigerde [geïntimeerde] om [appellante] (namens moeder) toegang te verschaffen tot de boerderij. Volgens [appellante] kon moeder daardoor niet beschikken over haar eigendommen zoals kleding en meubels die moeder nodig had voor haar huisvesting in het verpleeghuis. Tussen partijen zijn in dat kader meerdere kortgedingprocedures gevoerd. Op 14 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] onder meer gelast om [appellante] toegang te verlenen tot de boerderij en om een set sleutels van de boerderij aan [appellante] af te geven, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.8.
[appellante] heeft op 2 juni 2023 per brief aan [geïntimeerde] bericht dat het gebruik van de boerderij wordt opgezegd tegen 1 oktober 2023. In de brief wordt [geïntimeerde] gesommeerd om uiterlijk op de genoemde datum de boerderij te verlaten.
3.9.
Bij vonnis van 28 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter het vonnis van 14 oktober 2022 uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard voor wat betreft de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellante] een set sleutels te overhandigen en haar toegang te geven tot de boerderij. De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat de lijfsdwang geldt totdat [geïntimeerde] de set sleutels afgeeft en voor de beperkte periode dat [appellante] de toegang tot de boerderij nodig heeft voor het laten uitvoeren van een inspectie in het kader van het versterkingsprogramma van de Nationaal Coördinator Groningen (de NCG).
3.10.
De NCG heeft op 17 oktober 2023 op de boerderij een inspectie uitgevoerd.
3.11.
[appellante] heeft vervolgens in een nieuw kort geding gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen de boerderij te verlaten. Deze vordering is op 22 december 2023 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
3.12.
[geïntimeerde] (nu 57 jaar oud) kampt met psychische problemen; er is daarbij ook sprake van een ernstig suïciderisico. In een crisisbeoordeling van [naam2] van 9 mei 2023 wordt over [geïntimeerde] vermeld:

Risicotaxatie aangaande suicidaliteit
Het suiciderisico is sterk verhoogd wordt ingeschat als ernstig. Patient heeft plannen gemaakt, opgezocht hoe hij suicide kan plegen en dit weekeinde een afscheidsbrief geschreven. Mogelijke manieren waar patient aan denkt is strangulatie en vergassing. Enige tijd geleden heeft patient een zak over zijn hoofd gedaan en deze zelf weer verwijderd. Patient voelt zich klemgezet en lijkt niet bij machte veel invloed uit te kunnen oefenen op zijn situatie. Er is sprake van dreiging van verlies van zijn woning op niet al te lage termijn. Het enige dat hem nu tegen lijkt te houden is de juiste bestemming van zijn spullen die hij nog niet geregeld heeft. Ook heeft hij nog hoop dat de breuk met zijn moeder nog zal herstellen als zij van zijn situatie zou weten. Dat alles dan weer bij het oude terug zal keren, hetgeen niet reëel is. Patient heeft niet veel meer te verliezen.
(…)
Conclusie
(…) Hij ervaart in het geheel geen grip op zijn situatie, die hij overigens ook als zeer onrechtvaardig beleeft, hierdoor ontstaat zoveel mentale druk dat hij ook problemen met zijn cognitieve executieve functies heeft. Er is sprake van een acuut verhoogde suïcide dreiging: zodra patiënt, met de rechtszaak definitief zijn ouderlijk huis en woning verliest en het contact met moeder niet herstelt ziet hij geen andere uitweg dan suïcide plegen. Hiervoor heeft hij thans plannen gemaakt Hij geeft aan dat hij niet morgen suïcide zal plegen, "want de uitspraak van de rechtszaak volgt waarschijnlijk pas na enkele weken". Patiënt wordt
wilsbekwaam ter zake van zijn suïcidaliteit ingeschat. (…)”
3.13.
De huisarts van [geïntimeerde] , [naam3] van [naam4] , heeft volgens een ‘overzicht journaalregels’ op 8 december 2023 over [geïntimeerde] genoteerd:
“S Advocaat belt, komende dinsdag kort geding met dreiging uithuisplaatsing. Vraagt direct hoe groot het suicide risco is bij patient. Afgelopen mei bij [naam2] beoordeeld in soortgelijke situatie. Toen risico hoog ingeschat.
P Aangegeven dat ik het risico ook hoog inschat als patient onder druk komt te staan. Dit is een reeel risico wat dan direct via [naam2] crisisdienst beoordeeld zou moeten worden.”
3.14.
Op 26 februari 2024 heeft [appellante] [geïntimeerde] gedagvaard in deze procedure. De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, heeft op 11 december 2024 de vordering van [appellante] en de tegenvordering van [geïntimeerde] afgewezen. Tegen dat vonnis richt zich het hoger beroep van [appellante] .

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
[appellante] , die in deze procedure optreedt als gevolmachtigde van moeder, wil met dit hoger beroep bereiken dat [geïntimeerde] alsnog veroordeeld wordt de boerderij te verlaten. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat moeder de boerderij aan [geïntimeerde] in bruikleen heeft gegeven. Volgens [appellante] is in elk geval ten onrechte aangenomen dat er een zwaarwegende grond vereist is voor opzegging van de bruikleen en dat een dergelijke grond ontbreekt. [geïntimeerde] meent dat het hoger beroep verworpen moet worden. Het hof zal de genoemde stellingen van [appellante] nu nader bespreken.
Bruikleen
4.2.
Bruikleen is de overeenkomst waarbij de ene partij (de uitlener) aan de andere partij (de bruiklener) een zaak, een deel van een zaak of een vermogensrecht tijdelijk en om niet in gebruik geeft, onder de voorwaarde dat die ander (de bruiklener) het geleende teruggeeft op het tijdstip dat uit de overeenkomst of de wet voortvloeit (zie artikel 7A:1777 BW).
4.3.
Het hof oordeelt, evenals eerder de rechtbank, dat sprake is van zo’n overeenkomst van bruikleen tussen moeder en [geïntimeerde] , waarbij moeder de boerderij aan [geïntimeerde] in bruikleen heeft gegeven. Daarbij merkt het hof allereerst op dat [geïntimeerde] , die nu 57 jaar oud is, al zijn hele leven in de boerderij woont. Vanaf circa 1991 woonden alleen moeder en [geïntimeerde] in de boerderij. In juli 2022 is moeder verhuisd naar een verzorgingshuis en sindsdien woont [geïntimeerde] alleen in de boerderij. Uit het gegeven dat moeder vertrok en dat [geïntimeerde] alleen in de boerderij achterbleef, volgt – zoals [appellante] opmerkt – nog niet dat moeder de boerderij aan [geïntimeerde] in bruikleen heeft gegeven. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter ook aangetoond dat moeder na haar vertrek uit de boerderij, ermee instemde dat [geïntimeerde] alleen in de boerderij bleef wonen. [geïntimeerde] heeft in dat verband onder meer gesteld dat moeder in een overleg dat plaatsvond in december 2022, in het bijzijn van de toenmalige advocaten van partijen en van [appellante] , gezegd heeft dat [geïntimeerde] in de boerderij kon blijven. Dat moeder dit gezegd heeft, is door [appellante] niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken. Het hof oordeelt verder dat ook in de handelwijze van moeder besloten ligt dat zij, nadat zij verhuisd was naar het verzorgingshuis, de boerderij aan [geïntimeerde] in gebruik heeft gegeven (om niet). Moeder wist immers dat [geïntimeerde] in de boerderij bleef wonen, en zij heeft – zoals onweersproken is gesteld – in de periode volgend op haar verhuizing naar het verzorgingshuis nog herhaaldelijk (vooral telefonisch) contact gehad met [geïntimeerde] . Gesteld noch gebleken is dat moeder daarbij aan [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven dat hij de boerderij moest verlaten. Pas aanzienlijke tijd later heeft moeder (althans [appellante] , als gevolmachtigde van moeder) aan [geïntimeerde] laten weten dat hij uit de boerderij zou moeten vertrekken. Daarbij heeft [appellante] bij brief van 2 juni 2023 – dus meer dan tien maanden na het vertrek van moeder – aan [geïntimeerde] bericht dat hij de boerderij moest verlaten. Naar het oordeel van het hof ligt daarmee ook in de handelwijze van moeder besloten dat zij de boerderij (om niet) aan [geïntimeerde] in gebruik heeft gegeven. [geïntimeerde] heeft met zijn handelwijze en zijn voortgezette verblijf in de boerderij, het gebruik en de bruikleen van de boerderij ook aanvaard.
4.4.
In de procedure bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] overigens betoogd dat sprake is van huur. Voor huur is vereist dat er een tegenprestatie is bedongen (zie artikel 7:201 BW Pro). Aan dat vereiste voor huur is hier niet voldaan (zie ook rov. 4.10 van het vonnis van de rechtbank).
Een zwaarwegende grond voor opzegging?
4.5.
Nu vaststaat dat sprake is van een bruikleen, is de vraag of [appellante] de bruikleen rechtsgeldig beëindigd heeft. [appellante] stelt dat zij, als gevolmachtigde van moeder, een eventuele bruikleen op 2 juni 2023 rechtsgeldig heeft opgezegd, dit tegen 1 oktober 2023.
4.6.
Tussen moeder en [geïntimeerde] is kennelijk niets overeengekomen over het tijdstip waarop [geïntimeerde] de boerderij weer moet afstaan. De tussen deze partijen bestaande bruikleenovereenkomst is dan ook een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Dit betekent dat de verbintenis tot teruggave opeisbaar is wanneer moeder (de uitlener) de overeenkomst opzegt, dit voor zover de omstandigheden van het geval niet aan opzegging en opeising in de weg staan. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, ook in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. [2]
4.7.
Het hof oordeelt evenals de rechtbank dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat opzegging van de bruikleen alleen mogelijk is als er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, en dat zo’n grond hier niet aanwezig is. Opzegging van de bruikleen en opeising van de boerderij is hier naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij is onder meer het volgende van belang.
4.8.
Het hof neemt allereerst in aanmerking dat [geïntimeerde] er veel belang aan hecht om in de boerderij te kunnen blijven wonen. [geïntimeerde] heeft zijn hele leven in de boerderij gewoond en hij is ook erg aan de boerderij gehecht. Het hof neemt vooral echter ook in aanmerking dat uit de overgelegde rapportage van [naam2] en de overgelegde notitie van de huisarts blijkt dat [geïntimeerde] kampt met ernstige psychische klachten. De rapportage van [naam2] vermeldt hierover dat sprake is van een sterk verhoogd suïciderisico en dat de situatie wordt ingeschat als ernstig. De belangrijkste reden voor het acute en sterk verhoogde suïciderisico is, aldus de rapportage, de dreiging dat [geïntimeerde] uit de boerderij moet vertrekken (zie hierboven, onder 3.12). Op de zitting bij het hof van 11 februari 2026 heeft [geïntimeerde] hierover verklaard dat zijn persoonlijke situatie sinds 2023 – toen het rapport van [naam2] en de verklaring van de huisarts zijn opgesteld – niet verbeterd is. Het hof ziet geen grond of aanleiding om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. [appellante] heeft in dit verband opgemerkt dat [geïntimeerde] al meer dan twintig jaar dreigt suïcide te plegen en dat hij daarmee anderen, onder wie ook moeder, feitelijk al lange tijd bedreigt en ‘klem zet’. Volgens [appellante] heeft moeder de verhuizing naar het verzorgingshuis om die reden ook als bevrijdend ervaren. Het hof betwijfelt niet dat de kennelijk al langer bestaande dreiging van suïcide, voor onder andere moeder (zeer) bedreigend en beperkend is geweest. Dat neemt echter niet weg dat [geïntimeerde] met onder meer de rapportage van [naam2] voldoende heeft aangetoond dat zijn psychische problemen ernstig en reëel zijn, en dat het sterk verhoogde suïciderisico op dit moment direct verband houdt met vordering om de boerderij te verlaten. Voor zover het betoog [appellante] aldus begrepen moet worden dat [geïntimeerde] de suïcidedreiging vooral of alleen ‘gebruikt’ om zijn zin te krijgen, wordt dat betoog dan ook verworpen.
4.9.
Van belang is verder dat moeder, die inmiddels 98 jaar oud is, sinds 2022 in een verzorgingshuis woont en dat zij vanwege haar gezondheidstoestand ook niet van plan is om naar de boerderij terug te keren. Verder weegt het hof mee dat [geïntimeerde] enige tijd geleden al aan moeder heeft aangeboden om de door haar aangekaarte woonlasten voor zijn rekening te nemen en om de contracten voor de nutsvoorzieningen op zijn naam te laten zetten (op welk aanbod overigens niet gereageerd is).
4.10.
Dat de situatie op de boerderij, zoals [appellante] stelt, (zeer) gevaarlijk is en er bijvoorbeeld sprake is van een (ernstig) instortingsgevaar, kan niet worden aangenomen. [appellante] heeft haar stellingen daarover, gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] op dat punt, onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Daarbij kan worden opgemerkt dat op de zitting bij het hof van 11 februari 2026 gebleken is dat [appellante] al geruime tijd beschikt over een voorlopig rapport dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar aardbevingsschade aan de boerderij (tegen welk rapport [appellante] naar eigen zeggen bezwaar heeft gemaakt). [appellante] heeft echter nagelaten dat conceptrapport in het geding te brengen, dit hoewel het belang van dat voorlopig rapport voor deze procedure zonder meer duidelijk had moeten zijn. Overigens is ook niet in te zien, in elk geval zonder nadere toelichting en onderbouwing, waarom de door [appellante] gestelde gevaren en risico’s niet verholpen zouden kunnen worden zonder dat [geïntimeerde] uit de boerderij vertrekt.
4.11.
Volgens [appellante] heeft moeder – hoewel zij niet naar de boerderij zal terugkeren – er niettemin belang bij dat [geïntimeerde] uit de boerderij vertrekt. [appellante] wijst er in dat verband op dat de boerderij in zeer slechte staat verkeert en dat niet of nauwelijks onderhoud wordt gepleegd. [geïntimeerde] kan het onderhoud van de boerderij niet aan en het zou voor hem ook een te grote belasting zijn. Ook zou de aanwezigheid van [geïntimeerde] de exploitatie van de omliggende percelen bemoeilijken, en de situatie zou psychisch belastend zijn voor moeder. Verder teert moeder op dit moment snel in op haar vermogen, waardoor het banksaldo van moeder per eind 2026 naar verwachting nihil zal zijn. Volgens [appellante] wil moeder de boerderij – eventueel na verkoop van een of meer van de aangrenzende percelen – restaureren en in oorspronkelijke staat herstellen. Als herstel niet mogelijk of niet reëel is, zou er een nieuwe boerderij gebouwd kunnen worden. De boerderij en de omliggende percelen zouden vervolgens verhuurd of verkocht kunnen worden. Moeder heeft, aldus [appellante] , ook gezegd dat zij graag wil dat een van haar kleinkinderen (de kinderen van [appellante] ) in de boerderij gaat wonen.
4.12.
Het hof oordeelt dat gezien deze en de andere omstandigheden die in deze procedure naar voren zijn gebracht – waaronder met name ook het sterk verhoogde suïciderisico bij [geïntimeerde] , vooral veroorzaakt door de dreiging dat hij de boerderij moet verlaten – de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat moeder (en [appellante] als haar gevolmachtigde) een zwaarwegende grond nodig heeft voor opzegging van de bruikleen. Een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging ontbreekt hier naar het oordeel van het hof. Daarbij weegt vooral ook mee dat moeder niet van plan is naar de boerderij terug te keren en dat zij kennelijk vooral over de boerderij wil beschikken om deze te kunnen renoveren of herbouwen om de boerderij vervolgens te verhuren of te verkopen of aan een kleinkind ter beschikking te stellen. Deze en de andere door moeder ( [appellante] ) aangedragen belangen en rechten, wegen in redelijkheid echter niet op tegen de belangen van haar zoon [geïntimeerde] bij het voortduren van de bruikleen van de boerderij. Daarbij kan worden aangetekend dat een enigszins concreet plan voor renovatie of herbouw van de boerderij ontbreekt, en dat uit de ter zitting bij het hof door [appellante] gegeven toelichting kan worden afgeleid dat moeder ook bij uitvoering van dergelijke renovatie- of bouwplannen, kennelijk – in elk geval de eerste jaren – nog steeds aanzienlijk op haar vermogen zal interen. Een vertrek van [geïntimeerde] uit de boerderij zal in zoverre dus voorlopig geen verandering brengen. Opzegging van de bruikleen en opeising van de boerderij is, gelet ook op de van de zijde van [appellante] en moeder genoemde redenen voor de opzegging en opeising, in de gegeven bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Conclusie
4.13.
Het hof komt tot de slotsom dat de bezwaren die [appellante] tegen het vonnis van de rechtbank heeft aangevoerd, tevergeefs zijn. Er is, zoals hiervoor is toegelicht, sprake van een bruikleenovereenkomst tussen moeder en [geïntimeerde] (grief II faalt). Er is in de gegeven omstandigheden een zwaarwegende grond vereist om de bruikleen te beëindigen, en zo’n zwaarwegende grond ontbreekt hier (grieven III en IV falen). Of [geïntimeerde] tot het moment dat moeder (in juli 2022) uit de boerderij vertrok al dan niet op basis van een natuurlijke verbintenis in de boerderij mocht verblijven, kan hier in het midden blijven. Ook als ervan uitgegaan wordt dat dit niet het geval was, komt het hof om de voorgenoemde redenen tot de conclusie dat sprake is van bruikleen en dat de in dit geval benodigde zwaarwegende grond voor opzegging van die overeenkomst, ontbreekt (grief I is tevergeefs). Verder merkt het hof op dat uit de door [appellante] in hoger beroep overgelegde foto’s inderdaad blijkt dat de staat van de boerderij zeer slecht is. Dat er – zoals [appellante] betoogt – ook sprake is van een onveilige situatie vanwege bijvoorbeeld instortingsgevaar of asbest, is echter onvoldoende toegelicht en onderbouwd (zie hierboven, onder 4.10) (grief V faalt). Gelet op dat alles behoeven de overige stellingen en verweren van partijen hier niet meer besproken te worden.
4.14.
Het hof zal het hoger beroep van [appellante] verwerpen. Het hof ziet in de aard van de zaak en de familierelatie tussen partijen aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep (compensatie van kosten).

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 11 december 2024;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van dit hoger beroep;
5.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, M.A.M. Essed en H.R. Bos, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Rb Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11 december 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:5148.
2.Vgl. onder meer HR 15 april 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4079; HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706; HR 18 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854; en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:BZ4163.