ECLI:NL:GHARL:2026:1233

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
21-000095-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel uit grootschalige hennepteelt

In deze ontnemingszaak heeft het hof het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland die het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte had vastgesteld op €160.000. Het hof vernietigt deze beslissing en doet opnieuw recht.

De zaak betreft deelname aan een criminele organisatie gericht op grootschalige hennepteelt op twee locaties. Het hof baseert zich op bewijsmiddelen uit de strafzaak, waaronder verklaringen van getuigen, afgeluisterde gesprekken en documenten, en stelt vast dat verdachte als leidinggevende financieel heeft geprofiteerd van de opbrengsten.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de bruto opbrengsten minus kosten van de hennepkwekerijen, waarbij rekening is gehouden met het aandeel van mededaders en de toepassing van CO2 voor meeropbrengst. Het totaal geschatte voordeel bedraagt €275.311,71.

Het hof legt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat op en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden, maar dit is reeds verdisconteerd in de strafzaak, zodat geen verlaging van het bedrag plaatsvindt.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte vast op €275.311,71 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000095-20
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van 31 december 2019 met parketnummer 16-659022-19 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
Hoger beroep
[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij deze beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 20 januari 2026 en 3 maart 2026 en wat op de zittingen bij de rechtbank Midden-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 200.000,00 en oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] door zijn raadsman, mr. H.O. den Otter, heeft aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 31 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 160.000,00 en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel op € 789.69,53 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 200.000,00 en dat in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat aan [verdachte] wordt opgelegd. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, door de verdwijning van mededader [medeverdachte 1] vanaf 18 december 2017, [medeverdachte 1] niet in de opbrengst van de hennepkwekerij in [plaats 3] heeft gedeeld. Dat betekent dat er € 80.000,00 meer was te verdelen tussen [verdachte] en de andere mededader. [verdachte] heeft daardoor € 40.000,00 meer voordeel genoten dan de rechtbank heeft vastgesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, in verband met de bepleite vrijspraak in de strafzaak. Subsidiair moet de ontnemingsvordering op nihil wordt gesteld, ofwel worden afgewezen omdat op geen enkele wijze blijkt dat [verdachte] betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen in [plaats 2] en [plaats 3] , laat staan dat hij daar voordeel uit heeft verkregen.

Grondslag

[verdachte] is bij arrest van dit hof van 3 maart 2026 (parketnummer 21-000194-20) veroordeeld tot straf voor het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.
Het hof komt aan de hand van de in genoemd arrest vermelde bewijsmiddelen en de uitgangspunten zoals weergegeven in het hierna genoemde ontnemingsrapport tot het oordeel dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft verkregen. [1]
Uit de in het arrest gebezigde bewijsmiddelen volgt, dat de criminele organisatie was gericht op de bedrijfsmatige exploitatie van hennepkwekerijen op twee locaties te weten in [plaats 2] en [plaats 3] . De vordering strekt ertoe dat het uit dat misdrijf verkregen voordeel wordt geschat en aan [verdachte] wordt ontnomen. Daarbij geldt dat de ontneming mede kan worden gebaseerd op de in de strafzaak bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie. Daarbij is niet vereist dat de deelnemer zelf strafbaar betrokken is geweest bij strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. In een geval als het onderhavige is het voordeel immers aan te merken als verkregen door middel van de deelneming aan een criminele organisatie, ook voor zover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie gelegen, door leden van de criminele organisatie begane misdrijven - in deze zaak grootschalige hennepteelt - waarvan niet bewezen is, of zoals in dit geval niet is ten laste gelegd, dat de veroordeelde concreet daaraan feitelijk heeft deelgenomen. [2]
Het hof neemt tot uitgangspunt dat het de deelnemer aan een criminele organisatie erom is te doen mee te delen in de opbrengst van die organisatie. Immers, dat uitgangspunt strookt met wat als regel moet worden aangenomen met wat de bij die organisatie betrokken deelnemer voor ogen heeft gestaan: geldelijk gewin. Van feiten of omstandigheden die ertoe nopen dat in deze zaak van dat uitgangspunt moet worden afgeweken is niet gebleken.
Dit uitgangspunt brengt voor de beoordeling van de vordering tot voordeelsontneming mee, dat moet zijn gebleken dat [verdachte] heeft geprofiteerd van de opbrengst van de door de organisatie uitgevoerde misdrijven. Daartoe zal het hof hebben vast te stellen dat [verdachte] feitelijk heeft gedeeld in de opbrengsten van door andere leden van de criminele organisatie, waarvan hij deel uitmaakte, uitgevoerde misdrijven: de bedrijfsmatige exploitatie van hennepkwekerijen op die locaties.
Het hof zal dat hierna motiveren. Het hof zal eerst onderzoeken of, en zo ja tot welke hoogte wederrechtelijk voordeel met de exploitatie van de hennepkwekerijen op de locaties in [plaats 2] en [plaats 3] is verkregen.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof neemt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt de rapporten “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” met betrekking tot de locaties aan de [adres 1] te [plaats 2] en de [adres 2] [plaats 3] . [3]
[adres 1] [plaats 2]
Op 9 februari 2018 is in het pand gelegen aan de [adres 1] te [plaats 2] een hennepkwekerij met daarin minimaal 1531 hennepplanten aangetroffen. [4] Met ingang van 1 september 2017 is het bedrijfspand verhuurd. Dit betreft een periode van 161 dagen, zijnde 23 weken. Rekening houdend met een periode voor het bouwen van de hennepkwekerij
is aannemelijk dat sprake is van 2 gerealiseerde oogsten. [5]
Daarbij gaat het hof uit van het volgende:
  • Bij het kweken van de hennepplanten is gebruik gemaakt van CO2 toepassing. Hierdoor wordt de kweekperiode bekort met twee weken en zou de opbrengst in gewicht met 20% tot 40% toenemen. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
  • In de kweekruimte werd een aparte ruimte aangetroffen, alwaar op dat moment 362 afgeknipte hennepplanten werden gedroogd.
  • Op verschillende kweekmaterialen werden productiedata aangetroffen, zoals mei/ juli 2017.
  • Uit onderzoek bleek dat de sandwichpanelen waarmee de kweekruimte was gebouwd reeds op 21 juli 2017 waren afgeleverd op de [adres 1] te [plaats 2] .
 Door [getuigen 1] [7] [getuigen 1] [8] is waargenomen dat vanaf de zomer van 2017 bedrijvigheid heeft plaatsgevonden aan de [adres 1] te [plaats 2] .
  • Bij onderzoek in de bedrijfsauto van mededader [medeverdachte 1] werd een document aangetroffen met daarop aantekeningen betreffende oogsten, knippen en drogen van ‘hok 1, 2, 3 en 4’. Op dit document is te zien dat hok 1 is geoogst op 10 januari, hok 2 op 17 januari, hok 3 op 24 januari en hok 4 op 31 januari 2018.
  • [getuige 1] verklaarde in haar verhoor dat zij in het bedrijfspand aan de [adres 1] te [plaats 2] gedurende 6 dagen hennepplanten had geknipt. Zij had daar nog meer vrouwen gezien die eveneens hennepplanten aan het knippen waren.
Bruto opbrengst
In de kwekerij stonden minimaal 1531 hennepplanten. Per m2 stonden er 12 hennepplanten. Deze hennepplanten werden gekweekt in kweekbakken in 4 kweekruimten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is per kweekruimte berekend. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport bedraagt dit
€ 4.070,00 per kilogram. [10]
Kweekruimte
Totaal aantal planten
Opbrengst in grammen
1
374
11070
2
375
11100
3
397
11751
4
385
11396
Totaal
1531 planten
45317 gram
In de kweekruimte(n) werd gebruik gemaakt van het kunstmatig toevoegen van CO2 met gebruik van watergekoelde airconditioners, ook wel het CO2 Climate System genoemd. Naast een kortere kweekperiode kan door CO2 toepassing
20% tot 40% meer opbrengst in gewicht worden gegenereerd.
In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
Het totale gewicht per oogst bedraagt 45.317 gram + 9.063 gram (20% meeropbrengst door toepassing CO2) = 54.380 gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt 54.380 gram x € 4,07 per gram = € 221.326,60. [11]
Het hof gaat uit van twee oogsten. Dat levert een totale bruto opbrengst op van € 442.653,20.
Kosten
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport als volgt [12] :
Afschrijvingskosten
Volgens tabel
€ 1.000,00
Hennepstekken
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,81
€ 5.833,11
Variabele kosten
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,88
€ 5.940,28
Kosten knippers
€ 2,00 per plant per oogst
€ 3.062,00
Huisvestingskosten
Per oogst
€ 3.000,00
Totaal aan kosten
€ 18.835,39
De totale kosten bedragen € 18.835,39 x 2 oogsten = € 37.670,78.
Het hof zal het bedrag van € 37.670,78 in mindering brengen op de totale bruto opbrengst.
[adres 2] [plaats 3]
Op 14 maart 2018 is in het pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats 3] een hennepkwekerij met daarin minimaal 3022 hennepplanten aangetroffen. [13] Met ingang van 1 december 2017 is het bedrijfspand verhuurd. Dit betreft een periode van 103 dagen, zijnde 14 weken.
Met betrekking tot de kwekerij is gebleken van feiten en omstandigheden die duiden op (een) gerealiseerde oogst:
 Bij het kweken van de hennepplanten is gebruik gemaakt van CO2 toepassing. Hierdoor wordt de kweekperiode bekort met twee weken en zou de opbrengst in gewicht met 20% tot 40% toenemen. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%; [14]
 In ruimte 8 op de bovenverdieping van het bedrijfspand werd een ruimte aangetroffen, die bleek te zijn ingericht als knip/verwerkingsruimte van geoogste hennepplanten. In deze ruimte werden materialen aangetroffen die bleken te zijn gebruikt voor het knippen, dan wel het drogen van geoogste hennep: scharen, een knipmachine en droogrekken. Voorts werd ter plaatse aangetroffen: een hoeveelheid overalls, latex handschoenen, een sealapparaat, sealbags en ander verpakkingsmateriaal, geschikt voor de luchtdichte verpakking van gedroogde hennep. Tevens werden vier paar damesschoenen aangetroffen die waren besmeurd met hennepplantenresten; [15]
 Door [getuigen 2] [16] [getuigen 2] [17] is waargenomen dat vanaf medio oktober/ november 2017 met enige regelmaat twee busjes met daarop de [bedrijfsnaam] bij het pand gelegen aan de [adres 2] te [plaats 3] stonden;
 [getuige 1] verklaarde dat zij in het bedrijfspand aan de [adres 2] te Lelystad gedurende twee dagen hennepplanten had geknipt. Zij had daar nog meer vrouwen gezien die eveneens hennepplanten aan het knippen waren. [18]
Bruto opbrengst
In de kwekerij stonden minimaal 3022 hennepplanten. Deze hennepplanten werden gekweekt in kweekbakken in 8 kweekruimten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is per kweekruimte berekend. In ruimte 3 waren 4 kweekruimten (3a t/m 3d) waar hennepplanten onder kunstlicht werden gekweekt. De hennepplanten werden in elke kweekruimte gekweekt in 4 kweekbakken met een totaal oppervlak van 21,28 m2.
In ruimte 4 waren eveneens 4 kweekruimten (4a t/m 4d) waar eveneens hennepplanten onder kunstlicht werden gekweekt. De hennepplanten werden in elke kweekruimte gekweekt in 2 kweekbakken met een totaal oppervlak van 34,2 m2. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport bedraagt dit
€ 4.070,00 per kilogram. [19]
Kweekruimte
Totaal aantal planten
Opbrengst in grammen
3a
280
8148
3b
320
9024
3c
320
9024
3c
320
9024
4a
417
12343
4b
434
12846
4c
490
14014
4d
441
13053
Totaal
3022 planten
87476 gram
In de kweekruimten werd op dezelfde manier gebruik gemaakt van het kunstmatig
toevoegen van CO2 met gebruik van watergekoelde airconditioners. Naast een kortere kweekperiode kan door CO2 toepassing 20% tot 40% meer opbrengst in gewicht worden gegenereerd. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%. De totale opbrengst in gewicht bedraagt dan 87.476 gram + 17.495 gram (20%) = 104.971 gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 104.971 gram x € 4,07 per gram = € 427.231,97. [20]
Rekening houdend met een periode van opbouw van de kwekerij gaat het hof uit van één gerealiseerde oogst.
Kosten
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport als volgt. [21]
Afschrijvingskosten
Volgens tabel
€ 2.150,00
Hennepstekken
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,81
€ 11.513,82
Variabele kosten
Hoeveelheid planten per oogst x € 3,88
€ 11.725,36
Kosten knippers
€ 2,00 per plant per oogst
€ 6.044,00
Huisvestingskosten
Per oogst
€ 11.091,68
Totaal aan kosten
€ 42.524,86
De totale kosten bedragen € 42.524,86 voor één oogst.
Het hof zal dat bedrag in mindering brengen op de totale bruto opbrengst.
Profiteren van [verdachte]
Het hof stelt voorop dat als meer personen betrokken zijn bij hetzelfde feitencomplex als uitgangspunt te gelden heeft dat eenieder daadwerkelijk voordeel heeft genoten. In beginsel wordt dat voordeel pondspondsgewijs verdeeld in het geval niet is gebleken van aanwijzingen voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof stelt vast, dat [verdachte] en zijn mededaders geen inzicht hebben gegeven in de verdeling van het uit de hennepteelt verkregen voordeel.
Het hof houdt (onder meer) mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] medeverantwoordelijk voor het telen van hennep aan de [adres 1] te [plaats 2] en [medeverdachte 1] ook voor het telen van hennep aan de [adres 2] te Lelystad .
Uit de in het arrest in de strafzaak als bewijsmiddel gebezigde verklaring van getuige [getuige 2] leidt het hof af dat er langere tijd sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen (onder meer) [verdachte] , [medeverdachte 1] en andere betrokkenen gericht op grootschalige hennepteelt. [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt als de “timmerman” die verantwoordelijk was voor de opbouw en exploitatie van hennepkwekerijen. [verdachte] kan worden aangemerkt als degene die de organisatie aanstuurde, aan wie verantwoording werd afgelegd en die, ook in detentie, instructies gaf.
Uit de inhoud van een afgeluisterd en opgenomen OVC-gesprek [22] dat [verdachte] in detentie verblijvend op 7 mei 2018 met [naam] heeft gevoerd blijkt – in combinatie met de overige bewijsmiddelen met betrekking tot de aangetroffen hennepkwekerijen in [plaats 2] en Lelystad – dat (ook) in de tenlastegelegde periode sprake was van een dergelijk samenwerkingsverband gericht op grootschalige hennepteelt én dat naast [verdachte] , (onder meer) [medeverdachte 1] ( [alias 1] ) en [medeverdachte 2] ( [alias 2] ) daarbij betrokken waren.
Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 1] investeringen heeft gedaan in de hennepkwekerij in [plaats 2] . Het hof leidt dat onder meer af uit een in de werkbus van [medeverdachte 1] aangetroffen handgeschreven aantekening (Bijlage 11 van het proces-verbaal van bevindingen): ‘Project 1 +/- 12.000 % 2 [alias 5] = +/- 6.000’. Daarnaast gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen met een ander investeringen heeft gedaan in de hennepkwekerij in Lelystad . Het hof leidt dat ook af uit voormeld handgeschreven aantekeningen, die is gevolgd door “Project stek =/- 40.000 % 3 S+M+ [alias 4] = +/- 13.500. [23] Gelet op alle overige in het arrest in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien begrijpt het hof dat met [alias 3] [medeverdachte 1] is bedoeld en dat met “ [alias 4] ” ( [verdachte] ) [verdachte] is bedoeld.
Daarnaast duidt het hof een andere aangetroffen aantekening van [medeverdachte 1] in zijn werkbus zo dat [verdachte] ook andere grote betalingen heeft verricht die in verband worden gebracht met hennepteelt (“8600-> Bet [alias 4] , 10000 -> Bet [alias 4] , 6400-> tegoed [alias 4] ” en op dezelfde aantekening doorgekrast: “5500 knip mee + [verdachte] ”). [24]
Voorts blijkt nog uit een ander heimelijk afgeluisterd en opgenomen gesprek [25] dat [verdachte] tijdens zijn detentie op 16 juli 2018 met zijn broer heeft gevoerd, dat hij zijn broer instrueert dat en welke, kennelijk grote, contante geldbedragen moeten worden verplaatst en/of betalingen moeten worden gedaan aan één of meer advocaten. De inhoud van dit gesprek is op zichzelf niet redengevend voor de schatting van het aan [verdachte] toe te rekenen voordeel, maar draagt wél bij aan de juistheid van wat door de hiervoor genoemde [getuige 2] als getuige is verklaard over [verdachte] activiteiten, als leidinggevende, op het terrein van grootschalige hennepteelt. Immers, kennelijk beschikt [verdachte] over grote contante geldbedragen die her en der worden bewaard of beheerd, en – naar mag worden aangenomen – in zoverre door [verdachte] aan het reguliere financiële verkeer en aldus aan het (fiscale) zicht zijn onttrokken.
Het hof leidt uit de in de hoofdzaak gebezigde bewijsmiddelen, en meer in het bijzonder uit de hiervoor samengevat weergegeven verklaring, de inhoud van de door [verdachte] gevoerde gesprekken en de aantekeningen die zijn aangetroffen in de werkbus van [medeverdachte 1] af, dat [verdachte] ook in de onderhavige zaak heeft geprofiteerd van de door de organisatie uitgevoerde misdrijven.
Schatting omvang wederrechtelijk verkregen voordeel [plaats 2]
Met betrekking tot het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van de locatie in [plaats 2] overweegt het hof als volgt.
Het hof acht aannemelijk dat er twee oogsten hebben plaatsgevonden in de hennepkwekerij in [plaats 2] .
Bij een criminele organisatie is in de regel sprake van een onderlinge hiërarchische verhouding, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen betrokkenen die hand- en spandiensten of werkzaamheden verrichten, exploitanten en (een) leidinggevende(n). Het hof duidt de rol van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij de hennepkwekerij in [plaats 2] , gelet op het voorgaande, als de exploitanten van de hennepkwekerij en de rol van [verdachte] als leidinggevende.
Met betrekking tot de eerste oogst acht het hof aannemelijk dat de winst door drieën ( [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] ) is gedeeld.
Met betrekking tot de tweede oogst acht het hof aannemelijk dat de winst door tweeën is gedeeld. Uit het dossier volgt immers dat [medeverdachte 1] sinds 18 december 2017 is vertrokken en vermist. Niet is gebleken dat [medeverdachte 1] , nadat hij op 18 januari 2018 door de politie is aangetroffen, bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij in [plaats 2] of de criminele organisatie. Het hof gaat er daarom vanuit dat [medeverdachte 1] om die reden niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de tweede oogst. Dat houdt in dat voor de tweede oogst alleen [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben gedeeld in de winst. Dat levert de volgende rekensom op:
Bruto opbrengst eerste oogst € 221.326,60 - kosten eerste oogst € 18.835,39 = € 202.491,21.
Het bedrag van € 202.491,21 wordt gedeeld door 3 ( [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) = € 67.497,07.
Bruto opbrengst tweede oogst € 221.326,60 - kosten tweede oogst € 18.835,39 =
€ 202.491,21.
Het bedrag van € 202.491,21 wordt gedeeld door 2 ( [verdachte] en [medeverdachte 2] ) =
€ 101.245,60.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] voor twee oogsten in [plaats 2] bedraagt daarmee € 67.497,07 + € 101.245,60 = € 168.742,67.
Schatting omvang wederrechtelijk verkregen voordeel Lelystad
Met betrekking tot de hennepkwekerij in [plaats 3] bedraagt de totale bruto opbrengst
€ 427.231,97 – de totale kosten van € 42.524,86 voor één oogst = € 384.707,11 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof duidt de rol van [medeverdachte 1] bij de hennepkwekerij in [plaats 3] eveneens als exploitant en de rol van [verdachte] als leidinggevende. Het hof gaat er echter vanuit dat [medeverdachte 1] vanwege diens eerder vermelde verdwijning en vermissing ook niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de oogst in [plaats 3] .
Ten aanzien van de hennepkwekerij in [plaats 3] acht het hof het niet aannemelijk dat [verdachte] als enige heeft geprofiteerd van de opbrengst uit de hennepkwekerij, mede gezien de mate van professionaliteit en omvang van de kwekerij. Gelet ook op de verklaring van getuige [getuige 2] acht het hof aannemelijk dat er minst genomen nog twee anderen zijn geweest die op ongeveer het hetzelfde niveau hebben meegedeeld in de opbrengst. Het hof gaat uit van een fictief driemanschap, waartoe [verdachte] behoorde.
Voorts zal hof de toegewezen bedragen in de onherroepelijke ontnemingsbeslissingen van de betrokken mededaders [mededaders] [26] en [mededaders] [27] aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij in [plaats 3] . Het hof duidt hun rol kleiner dan die van exploitant of leidinggevende, hetgeen ook tot uitdrukking is gekomen in de toegewezen bedragen. Dat leidt tot de volgende rekensom:
€ 384.707,11 - € 50.000,00 met betrekking tot [mededaders] en - € 15.000,00 met betrekking tot [mededaders] = € 319.707,11.
Vervolgens zal het hof het bedrag van € 319.707,11 delen door het hiervoor genoemde fictieve driemanschap, wat resulteert in een bedrag van € 106.569,04. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] voor één oogst in [plaats 3] wordt daarmee geschat op
€ 106.569,04.
Totaal
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat [verdachte] heeft genoten uit de hennepkwekerijen in [plaats 2] en [plaats 3] is € 168.742,67 + € 106.569,04 =
€ 275.311,71.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof constateert dat de redelijke termijn voor afdoening van de ontnemingszaak in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is die termijn wel fors overschreden met vier jaren en één maand. Het hof heeft in de strafzaak aan die overschrijding van de redelijke termijn gevolgen verbonden. Nu de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafoplegging in de strafzaak reeds is verdisconteerd, ziet het hof geen aanleiding om de betalingsverplichting op die grond naar beneden bij te stellen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door [verdachte] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Aan [verdachte] dient daarom ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 275.311,71.
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 1080 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 275.311,71 (tweehonderdvijfenzeventigduizend driehonderdelf euro en eenenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 275.311,71 (tweehonderdvijfenzeventigduizend driehonderdelf euro en eenenzeventig cent.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. F.E.J. Goffin en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijk vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 januari 2019, genummerd PL0900-2018037426 en PL0900-2018071341, opgemaakt door politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, doorgenummerd 1 tot en met 2419. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046, HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7939 en HR 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1580.
3.Pagina 730-738 en pagina 739-749.
4.Pagina 731.
5.Pagina 733.
6.Pagina 732-735.
7.Pagina 57.
8.Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris van 11 juli 2019, blad 2.
9.Pagina 2.182 en 2.184.
10.Pagina 732
11.Pagina 734 en 735.
12.Pagina 734.
13.Pagina 740.
14.Pagina 742.
15.Pagina 743.
16.Pagina 674.
17.Pagina 717.
18.Pagina 2.183-2.184.
19.Pagina 741.
20.Pagina 744.
21.Pagina 743-744.
22.Pagina 1.807-1.811 en 1.827.
23.Pagina 37.
24.Pagina 235.
25.Pagina 1.827-1.829.
26.Rb. Midden-Nederland (zittingsplaats Lelystad ) 31 december 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:6194.
27.Rb. Midden-Nederland (zittingsplaats Lelystad ) 31 december 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:6193.