ECLI:NL:GHARL:2026:1203

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
200.356.876
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 200 lid 2 RvArtikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrechtArtikel 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid hoger beroep bij voorlopig getuigenverhoor onder overgangsrecht bewijsrecht

VPGG Beheer B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor gericht op het verkrijgen van duidelijkheid over onzorgvuldig handelen door voormalig bestuur en toezicht van GGN Mastering Credit B.V. De rechtbank wees het verzoek af omdat de vordering zich richtte tegen GGN en niet rechtstreeks tegen de bestuurders en commissarissen, en omdat het verzoek werd gezien als een 'fishing expedition'.

Het hof heeft zich vervolgens gebogen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep in het licht van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht die op 1 januari 2025 in werking trad. Deze wet introduceert een rechtsmiddelenverbod voor beslissingen op verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen, tenzij de rechter anders bepaalt. De vraag was of dit verbod ook geldt voor verzoeken die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn gedaan maar daarna worden beslist.

De Hoge Raad heeft op 6 februari 2026 geoordeeld dat het overgangsrecht inhoudt dat voor dergelijke verzoeken het oude bewijsrecht blijft gelden gedurende de gehele procedure, inclusief rechtsmiddelen. Het hof volgt dit en verklaart VPGG ontvankelijk in haar hoger beroep, waarbij de procedure wordt voortgezet in de huidige stand en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: VPGG is ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.876
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 584982
beschikking van 24 februari 2026
in de zaak van
VPGG Beheer B.V. (VPGG)
die is gevestigd in ’s-Hertogenbosch
advocaat: mr. S.M. Marges
en
GGN Mastering Credit B.V. (GGN)
die is gevestigd in Rotterdam
advocaat: mr. S.C. Krekel

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

VPGG heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 16 april 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift, ontvangen op 15 juli 2025
  • het bericht van 26 augustus 2025, onder meer houdende de uitlating over de ontvankelijkheid van VPGG
  • de uitlating over de ontvankelijkheid van GGN.

2.De kern van de zaak

2.1.
VPGG houdt aandelen in GGN. Volgens VPGG hebben een aantal gebeurtenissen bij GGN geleid tot sterk verminderde resultaten bij GGN, waardoor VPGG (financieel) nadeel heeft geleden. Die gebeurtenissen zijn volgens VPGG het gevolg van onzorgvuldig handelen dan wel nalaten van het (voormalige) bestuur en de (voormalige) directie van GGN en onvoldoende toezicht van de (voormalige) raad van commissarissen van GGN.
2.2.
VPGG heeft de rechtbank bij verzoek van 29 november 2024 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om meer duidelijkheid te verkrijgen over de gebeurtenissen en welke (voormalig) bij GGN betrokken personen verantwoordelijk zijn voor die gebeurtenissen.
2.3.
De rechtbank heeft het verzochte voorlopig getuigenverhoor afgewezen, omdat het verzoek zich richt op een onderzoek naar het handelen van de (voormalig) bestuurders en commissarissen van GGN, terwijl de vordering van VPGG is gericht tegen GGN, namelijk om GGN te bevelen een procedure te starten tegen haar (voormalig) bestuurders en commissarissen. Laatstgenoemden zijn daarom de feitelijke wederpartijen van VPGG. Daarnaast vindt de rechtbank dat sprake is van een zogenaamde ‘fishing expedition’. De bedoeling van het hoger beroep van VPGG is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen
2.4.
Vanwege de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht [1] die op 1 januari 2025 in werking is getreden heeft het hof partijen eerst gelegenheid gegeven zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van VPGG. Het hof zal VPGG ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en licht dat hierna toe.

3.VPGG is ontvankelijk in haar hoger beroep

3.1.
De nieuwe regels uit de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht gelden voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is aangespannen, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Dat volgt uit artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht dat het overgangsrecht regelt. In de nota van wijziging is over artikel XIIA vermeld:
Artikel XIIA betreft een overgangsbepaling. Op grond van deze bepaling gelden de artikelen van dit wetsvoorstel uitsluitend voor procedures die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Het procesrecht zoals dat geldt vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op alle bij de verschillende gerechten aanhangig gemaakte dagvaardingzaken dan wel ingediende verzoekschriften totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als de rechter op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet uitspraak doet, is op een eventuele volgende instantie na het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing. [2]
3.2.
Het nieuwe bewijsrecht bevat in artikel 200 lid 2 Rv Pro een rechtsmiddelenverbod. Dat houdt in dat tegen een beslissing op een verzoek om (onder meer) een voorlopig getuigenverhoor geen hoger beroep openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. In dat geval geldt een termijn van vier weken voor het instellen van hoger beroep. Dit doet de vraag rijzen of voor het openstaan van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen een beslissing op een verzoek om (onder meer) een voorlopig getuigenverhoor dit rechtsmiddelenverbod geldt, als het verzoek is gedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht en daarop na de inwerkingtreding van deze wet uitspraak is gedaan.
3.3.
Volgens VPGG gelden voor de regeling omtrent het instellen van hoger beroep nog de regels uit het oude bewijsrecht, omdat het nieuwe bewijsrecht pas toepassing vindt zodra het geschil aanhangig is bij de volgende instantie. Dat is pas het geval ná het instellen van het rechtsmiddel, zodat het rechtsmiddelenverbod uit artikel 200 lid 2 Rv Pro in dit geval niet geldt. Volgens GGN geldt voor de regeling omtrent het instellen van hoger beroep wel het nieuwe bewijsrecht.
3.4.
De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 6 februari 2026 geoordeeld dat bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het instellen daarvan, in zoverre moet worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. In dit verband is relevant het uitgangspunt dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. artikel 74 lid 1 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft. [3]
3.5.
Het hof oordeelt daarom dat voor dit geval niet het rechtsmiddelenverbod van artikel 200 lid 2 Rv Pro (nieuw) geldt, maar dat de vóór 1 januari 2025 geldende mogelijkheid van hoger beroep van toepassing is. Op basis van de regels die golden voor 1 januari 2025 kan tegen een afwijzende beslissing op een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor een rechtsmiddel worden ingesteld, waarvoor een termijn van drie maanden geldt. Dit betekent dat VPGG ontvankelijk is in haar hoger beroep.
3.6.
De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
verklaart VPGG ontvankelijk in het hoger beroep;
4.2.
bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.M.I. De Waele, C. Bakker en G.A. Diebels, en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht,
3.HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201.