Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het beroepschrift, ontvangen op 15 juli 2025
- het bericht van 26 augustus 2025, onder meer houdende de uitlating over de ontvankelijkheid van VPGG
- de uitlating over de ontvankelijkheid van GGN.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
VPGG Beheer B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor gericht op het verkrijgen van duidelijkheid over onzorgvuldig handelen door voormalig bestuur en toezicht van GGN Mastering Credit B.V. De rechtbank wees het verzoek af omdat de vordering zich richtte tegen GGN en niet rechtstreeks tegen de bestuurders en commissarissen, en omdat het verzoek werd gezien als een 'fishing expedition'.
Het hof heeft zich vervolgens gebogen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep in het licht van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht die op 1 januari 2025 in werking trad. Deze wet introduceert een rechtsmiddelenverbod voor beslissingen op verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen, tenzij de rechter anders bepaalt. De vraag was of dit verbod ook geldt voor verzoeken die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn gedaan maar daarna worden beslist.
De Hoge Raad heeft op 6 februari 2026 geoordeeld dat het overgangsrecht inhoudt dat voor dergelijke verzoeken het oude bewijsrecht blijft gelden gedurende de gehele procedure, inclusief rechtsmiddelen. Het hof volgt dit en verklaart VPGG ontvankelijk in haar hoger beroep, waarbij de procedure wordt voortgezet in de huidige stand en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: VPGG is ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en de procedure wordt voortgezet.