ECLI:NL:GHARL:2026:1106

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.350.893/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 150 RvArt. 75 lid 1-4 Wet bodembescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bestuurdersaansprakelijkheid wegens verhaalsfrustratie afgewezen

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of bestuurder [appellant] persoonlijk aansprakelijk kon worden gehouden voor het niet doorbetalen van een bedrag van € 200.000 dat door een projectontwikkelaar was betaald ten behoeve van bestuurder [geïntimeerde]. Dit bedrag was bedoeld als vergoeding voor medewerking aan de overdracht van ernstig vervuilde grond, waarbij de saneringskosten door de gemeente werden overgenomen.

De rechtbank had [appellant] aansprakelijk gesteld wegens verhaalsfrustratie, omdat het makelaarskantoor ([bedrijf2]) het bedrag ontving maar niet aan [geïntimeerde] doorbetaalde. Het hof oordeelde echter dat er onvoldoende bewijs was voor een persoonlijk ernstig verwijt aan [appellant]. Het bedrag was gebruikt in de bedrijfsvoering in afwachting van een geschikt project om doorbetaling mogelijk te maken, en er was geen sprake van misleiding of een vooropgezet plan.

Het hof benadrukte dat de stelplicht en bewijslast voor ernstig verwijt bij [geïntimeerde] lagen en dat diens bewijs onvoldoende was. Ook het beroep op nietigheid en verjaring werd verworpen. Het hoger beroep van [appellant] slaagde, de vordering werd afgewezen en [geïntimeerde] werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot bestuurdersaansprakelijkheid af wegens onvoldoende persoonlijk ernstig verwijt aan bestuurder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.350.893/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 137872
arrest van 24 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
hierna:
[appellant]
advocaat: mr. R.P. van Boven te Assen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. J. Boelens te Assen.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Eerder is in deze zaak een incidenteel arrest [1] gewezen dat op 29 april 2025 is uitgesproken.
1.2
[geïntimeerde] heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen. [appellant] heeft daarna bij akte drie nadere producties ingediend.
1.3
Op 13 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna is arrest bepaald op 24 maart 2026 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.De kern van de zaak en de uitkomst

[appellant] was bestuurder en aandeelhouder van een vennootschap waaraan geld is overgemaakt ten behoeve van [geïntimeerde] . Dat bedrag is niet aan [geïntimeerde] doorbetaald. [geïntimeerde] vindt dat [appellant] als bestuurder van die vennootschap daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft en daardoor tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld en de schade die hij heeft geleden moet vergoeden. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, komt het hof tot het oordeel dat [appellant] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Dat zal hierna worden toegelicht, waartoe eerst wordt beschreven wat er is gebeurd en hoe de vorderingen luiden.
3.
Wat is er gebeurd?
3.1
Chroomplating [plaats] Beheer B.V. (hierna: CPC Beheer) is enig bestuurder en aandeelhouder van Chroomplating Vastgoed [plaats] B.V. (hierna: CPC Vastgoed). Deze vennootschap was eigenaar van ernstig verontreinigde percelen grond in het gebied Holwert-Zuid in [plaats] (hierna: het CPC-terrein). [geïntimeerde] is (mede-)aandeelhouder van CPC Beheer en sinds 4 februari 2010 de enig bestuurder van CPC Beheer.
3.2
Voor het gebied Holwert-Zuid, waarvan het CPC-terrein deel uitmaakte, ontstonden plannen voor herontwikkeling, waarvoor het noodzakelijk was dat het CPC-terrein zou worden gesaneerd. De totale saneringskosten werden destijds geraamd op € 5.000.000.
3.3
Op basis van een op 28 augustus 2013 gesloten overeenkomst tussen de provincie Drenthe, de gemeente [plaats] en CPC Vastgoed heeft CPC Vastgoed de vervuilde percelen op 16 oktober 2013 (om niet) overgedragen aan de gemeente, onder verlening van finale kwijting aan CPC Vastgoed ten aanzien van de uit de bodemverontreiniging voortvloeiende saneringskosten. In de punten 15 tot en met 17 van de considerans van de overeenkomst van 28 augustus 2013 is daartoe vermeld:
(15) dat op CPC Vastgoed, in haar hoedanigheid van eigenaar van het Perceel (…), naar het oordeel van de Provincie, in haar hoedanigheid van bevoegd gezag in de zin van de Wet bodembescherming, met betrekking tot dit Perceel (…) in beginsel de saneringsplicht rust in de zin van artikel 55b van de Wet bodembescherming;
(16) dat op grond van het draagkrachtonderzoek dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 40 van Pro het Besluit Financiële Bepalingen Bodemsanering (…) is verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het Rapport (…), welk rapport dateert van 26 november 2009 (…), moet worden geconstateerd dat de financiële draagkracht van CPC Vastgoed zodanig is dat CPC Vastgoed niet in staat is de kosten van (het eventuele (verdere) onderzoek en) de sanering van de Verontreiniging ter plaatse van het Perceel (…), althans niet in staat is om bij te dragen in de kosten van (het eventuele (verdere) onderzoek en) de sanering van de Verontreiniging ter plaatse van het Perceel (…);
(17) dat CPC Vastgoed zich, gelet op het oordeel van de Provincie zoals bedoeld in overweging (15), en gelet op haar financiële draagkracht zoals bedoeld in overweging (16), bereid heeft verklaard het Perceel (…) om niet aan de Gemeente in eigendom over te dragen, hierna te noemen: de bijdrage van CPC Vastgoed;
3.4
Artikel 75 leden Pro 1 tot en met 4 van de toen geldende Wet bodembescherming luiden:
De Staat kan - behoudens matiging door de rechter - de ten laste van het Rijk komende kosten van onderzoek van onderzoeksgevallen en van saneringsonderzoek en sanering van gevallen van ernstige verontreiniging verhalen op degene door wiens onrechtmatige daad de verontreiniging of de aantasting van de bodem in het betrokken geval is veroorzaakt en die deswege of anderszins buiten overeenkomst jegens enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.
De Staat kan, indien kosten van een geval als bedoeld in het eerste lid, mede ten laste van een provincie of een gemeente komen, ook deze kosten overeenkomstig dat lid verhalen.
De Staat kan ten laste van het Rijk komende kosten als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking verhalen op degene die door dat onderzoek of die sanering ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
De bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, komen toe aan de provincie of de gemeente in gevallen waarin de kosten als bedoeld in het eerste lid geheel te haren laste komen, alsmede in gevallen waarin de Staat niet van deze bevoegdheid gebruik maakt, voor zover zodanige kosten te haren laste komen.
3.5
De bij de herontwikkeling betrokken projectontwikkelaar Esprit Projecten B.V. (hierna: Esprit) heeft (in de persoon van dhr. [naam] ) in verband met de overdracht door CPC Vastgoed aan de gemeente van het CPC-terrein, toegezegd aan [geïntimeerde] (de -indirecte - bestuurder van CPC Vastgoed) € 200.000 betalen.
3.6
Met een factuur van 31 juli 2013 heeft [bedrijf2] B.V. (hierna: [bedrijf2] ) € 201.250 vermeerderd met € 42.262,50 aan btw, in totaal € 243.512,50, aan Esprit in rekening gebracht onder vermelding van “factuur inzake overeenkomst d.d. 1 juli 2013”. Esprit heeft op 16 augustus 2013 € 243.512,50 overgemaakt op een door [bedrijf2] aangehouden bankrekening.
3.7
Samen met zijn zoon S.J. [appellant] was [appellant] (hierna samen: [appellant] c.s.) (indirect) bestuurder van [bedrijf2] , die vanaf 1 juni 2013 in [plaats] een makelaarskantoor exploiteerde. [bedrijf2] is daartoe vanaf 1 juni 2013 de handelsnaam “ [bedrijf] ” gaan voeren.
3.8
[appellant] c.s. waren tevens (indirect) bestuurder van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), welke vennootschap tot 1 juni 2013 in [plaats] een makelaarskantoor exploiteerde. De zoon van [appellant] was vanaf 15 juni 2012 (indirect) de enig aandeelhouder van [bedrijf] . [bedrijf] is op 3 december 2013 in staat van faillissement verklaard. Dat faillissement is in augustus 2017 opgeheven.
3.9
De zoon van [appellant] heeft op 25 augustus 2014 [bedrijf3] B.V. opgericht, welke vennootschap in [woonplaats1] een makelaarskantoor is gaan exploiteren.
3.1
[appellant] , die op dat moment 69 jaar oud was, is in juli 2015 (opnieuw) getroffen door hartfalen.
3.11
[geïntimeerde] heeft meerdere besprekingen met [appellant] c.s. gevoerd over een deelname van [geïntimeerde] aan mogelijk lucratieve herontwikkelingsplannen waarbij hun makelaarskantoor betrokken zou kunnen worden, in welk verband [geïntimeerde] op 24 augustus 2016, 28 september 2016, 5 oktober 2016, 11, 22 en 26 november 2016 en 1 december 2016 mailberichten aan [appellant] heeft gezonden. Van een bespreking van 4 oktober 2017 over een herontwikke-lingsplan heeft [geïntimeerde] een verslag opgesteld, waarin onder meer is verwoord dat de advieskosten aangaande dat plan ongeveer € 50.000 bedragen en dat daarvan € 25.000 zal worden overgemaakt aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft daarover op 23 oktober 2017 en 2 november 2017 mailberichten aan [appellant] gezonden. In dat laatste bericht schrijft [geïntimeerde] dat het coulant zou zijn als [appellant] “die € 25.000 (zijnde helft van de advieskosten)” aan hem zou willen overmaken.
3.12
Op 30 december 2017 heeft [bedrijf2] haar activiteiten gestaakt en is zij ontbonden wegens het niet meer aanwezig zijn van baten.
3.13
[geïntimeerde] heeft een verslag opgesteld van een op 20 maart 2018 gehouden bespreking met [appellant] en [naam] over de € 200.000. In dat verslag is onder meer opgenomen: ‘
Nog steeds tegoed van Hr. [appellant] € 200.000,00. Sinds 2013 dus 5 jaren. (…) Begin 2017 heeft [naam] er bij [appellant] op aan gedrongen deze zaak met [geïntimeerde] te regelen. Is echter niet gebeurd. Met z’n drieën is indertijd deze creatieve oplossing geregeld. [naam] is van zijn kant de afspraken nagekomen, [appellant] echter totaal niet!’.
3.14
In mailbericht van 13 september 2018 heeft de toenmalige advocaat van de zoon van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer geschreven dat zijn cliënt niet aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] stelt te hebben geleden ‘in verband met gelden die destijds onder beheer waren gesteld van het voormalige [bedrijf3] -kantoor, dat jaren geleden in staat van faillissement is verklaard’.
3.15
De curator van [bedrijf] heeft op 17 maart 2020 aan [geïntimeerde] meegedeeld dat er geen betaling van € 200.000 aan [bedrijf] heeft plaatsgevonden.
3.16
[geïntimeerde] heeft [appellant] c.s. in april 2021 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van hun onrechtmatig handelen. [geïntimeerde] heeft vervolgens de veroordeling gevorderd van [appellant] c.s. tot betaling van € 200.000, te vermeerderen met wettelijke rente en € 2.775 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
3.17
Na bewijslevering heeft de rechtbank de vordering tegen de zoon van [appellant] afgewezen en tegen [appellant] toegewezen. [appellant] is daarbij eveneens veroordeeld in de proceskosten.
3.18
Het hoger beroep van [appellant] strekt ertoe dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog wordt afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de kosten van de procedures bij de rechtbank en bij dit hof.

4.Het oordeel van het hof

Inleiding
4.1
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is tegenover [geïntimeerde] . Volgens de rechtbank is sprake van verhaalsfrustratie doordat [bedrijf2] , ondanks dat zij zonder enig voorbehoud gehouden was het van Esprit ontvangen bedrag aan [geïntimeerde] door te betalen, die doorbetaling heeft nagelaten en dat ontvangen bedrag voor andere doeleinden heeft gebruikt, met als gevolg dat het bedrag is verdwenen. Omdat [appellant] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en deze gang van zaken tot gevolg had dat [bedrijf2] niet aan haar betalingsverplichting tegenover [geïntimeerde] heeft voldaan, heeft de rechtbank [appellant] -zakelijk weergegeven- veroordeeld tot betaling van € 200.000 (in hoofdsom). Hiertegen komt [appellant] in hoger beroep op met twaalf (deels voorwaardelijke) bezwaren (‘grieven’). Die lenen zich grotendeels voor een gezamenlijke behandeling.
(Bestuurders)aansprakelijkheid
4.2
Het juridische beoordelingskader voor de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid is door de rechtbank weergegeven in rov. 2.8 en 2.9 van het vonnis van 6 november 2024. Dat is niet bestreden in hoger beroep en vormt daarmee ook het kader waarbinnen het hof de vordering van [geïntimeerde] en de bezwaren van [appellant] daartegen zal beoordelen.
4.3
Gelet op de stellingen van partijen gaat het om de vraag of [appellant] als bestuurder van [bedrijf2] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf2] haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen en daardoor [geïntimeerde] schade heeft berokkend. Voor gevallen als waar het hier om gaat, geldt als maatstaf dat de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [2] Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. [3] De stelplicht en de bewijslast van de feiten waaruit de ernstige verwijtbaarheid volgen, liggen overeenkomstig artikel 150 Rv Pro bij [geïntimeerde] .
4.4
Over de achtergrond van het bedrag van € 200.000 en de daarbij tussen de betrokkenen geldende verhoudingen kan het volgende worden vastgesteld.
4.4.1
Op CPC Vastgoed rustte de plicht om de ernstige vervuiling van het aan haar toebehorende terrein te saneren, waartoe zij financieel niet in staat was. De provincie en de gemeente waren bereid om in plaats van CPC Vastgoed de sanering uit te (doen) voeren. Vanwege de omvang van de saneringskosten diende CPC Vastgoed in die situatie het vervuilde terrein ‘om niet’ in eigendom over te dragen, dus zonder daarvoor enige vergoeding te ontvangen, in ruil waarvoor CPC Vastgoed werd gevrijwaard van verdere kosten. In het geval van een overgenomen sanering, zo bepaalde artikel 75 lid 3 van Pro de toen geldende Wet bodembescherming, konden de kosten daarvan worden verhaald op degene die door de sanering ongerechtvaardigd werd verrijkt. Uitgangspunt was daarmee dat CPC Vastgoed (en andere daarbij betrokken (rechts)personen) financieel niet mocht(en) profiteren van de overdracht van het vervuilde terrein en de haar gegeven vrijwaring voor de kosten van sanering van dat terrein.
4.4.2
[geïntimeerde] was vanaf februari 2010 via CPC Beheer de enig statutair bestuurder van CPC Vastgoed en daarmee de enige persoon die CPC Vastgoed bij bedoelde overeenkomst en overdracht kon vertegenwoordigen. De medewerking van [geïntimeerde] was daarmee essentieel.
4.4.3
De bij de herontwikkeling van onder meer het CPC-terrein betrokken projectontwikkelaar, zo volgt afdoende uit de stukken – waaronder de onder ede afgelegde verklaring van de projectontwikkelaar –, bleek bereid om aan [geïntimeerde] voor zijn medewerking aan bedoelde overeenkomst en overdracht € 200.000 te betalen. Anders dan [geïntimeerde] voorwendt, staat die bereidheid onmiskenbaar in verband met zijn positie als uiteindelijk bestuurder van CPC Vastgoed. [geïntimeerde] heeft tijdens de zitting in hoger beroep daarnaar gevraagd ook verklaard dat hij zonder de aan hem gedane toezegging wellicht niet zou hebben meegewerkt aan bedoelde overeenkomst en overdracht. Dit onderstreept dat genoemd bedrag was bedoeld om [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van bestuurder te beïnvloeden. Verdere bevestiging daarvoor kan worden gevonden in de volgorde van de gebeurtenissen: op 1 juli 2013 is [geïntimeerde] de toezegging gedaan, waarna de projectontwikkelaar op 16 augustus 2013 betaalt en [geïntimeerde] op 28 augustus 2013 namens CPC Vastgoed de overeenkomst met de provincie en de gemeente ondertekent.
4.4.4
Verder blijkt afdoende uit de stukken dat [appellant] (voor [bedrijf2] ) bij een en ander betrokken was vanwege het vooruitzicht dat zijn (via [bedrijf2] gedreven) makelaarskantoor bij de herontwikkeling van het gebied zou worden ingeschakeld voor de verkoop van dan gerealiseerd onroerend goed. In die zin had [appellant] / [bedrijf2] belang bij de beoogde medewerking van [geïntimeerde] als uiteindelijk bestuurder van CPC Vastgoed bij de overdracht ‘om niet’ van het vervuilde CPC-terrein.
4.4.5
Iedere vastlegging van de toezegging door de projectontwikkelaar en wat in dat verband door de projectontwikkelaar, [appellant] en [geïntimeerde] is be- en afgesproken, ontbreekt. Wel staat afdoende vast dat de projectontwikkelaar het voor [geïntimeerde] bedoelde bedrag op een door [bedrijf2] aangehouden bankrekening heeft betaald, waartoe door [bedrijf2] een factuur is verstuurd met de weinig specifieke omschrijving van “inzake overeenkomst d.d. 1 juli 2013”. Zowel het ontbreken van iedere vastlegging als de route waarlangs werd betaald, wijst er naar het oordeel van het hof op dat daarmee werd beoogd te verheimelijken dat [geïntimeerde] (in privé) voordeel zou trekken van de omstandigheid dat de provincie en de gemeente de sanering en de kosten daarvan van CPC Vastgoed overnamen om daarmee te voorkomen dat door de provincie en/of de gemeente verhaal zou worden genomen, op CPC Vastgoed en/of [geïntimeerde] . Dit vindt steun in wat door [naam] onder ede is verklaard:
“Het was inderdaad een afwijkende gang van zaken. Wij wisten allemaal dat als [geïntimeerde] gelden zou ontvangen voor die vastgoedtransactie, die gelden direct als saneringskosten zouden worden aangewend. (…) Ik kan mij niet herinneren dat tijdens dit gesprek gesproken is over de reden om dit zo te doen (het risico op terugvorderen van het geld door de provincie). Het is wel eerder tussen ons uitgesproken dat het risico bestond en we wisten allemaal wat de achtergrond van deze wijze van betalen was. De beide heren wisten precies wat de gevolgen waren.”Gelet op de samenhang van een en ander heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van [naam] ’ verklaring.
4.4.6
Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan het betoog van [geïntimeerde] dat er geen noodzaak was voor vervreemding van CPC-terrein en dat het aan hem toegezegde bedrag ‘een zuivere private transactie was tussen partijen die niets van doen hadden met de grondtransactie’. Veelzeggend is in dit verband de stelling van [geïntimeerde] dat de ‘incentive’ van de projectontwikkelaar nodig was omdat hij als aandeelhouder van CPC Vastgoed anders de winst had gehad van de herontwikkeling van onder meer het CPC-terrein. Gelet op de omvang van de saneringskosten komt deze laatste stelling het hof bepaald onaannemelijk voor. Het bevestigt daardoor alleen maar dat [geïntimeerde] zich in privé wilde verrijken ten koste van de gemeente en/of de provincie.
4.5
Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf2] het voor [geïntimeerde] bestemde bedrag had door te betalen. Partijen hebben niet gesteld en dit is ook niet uit de stukken af te leiden dat ( [appellant] voor) [bedrijf2] zich in dat verband had verplicht het bedrag na ontvangst tot het moment van doorbetaling daarvan te separeren. [geïntimeerde] had daarmee (niet meer dan) een vorderingsrecht op [bedrijf2] . Voor zover [geïntimeerde] meent dat hij tot het beloop van een positief saldo van € 200.000 de rechthebbende of de eigenaar was van een door [bedrijf2] op haar bankrekening aangehouden bedrag, kan hij daarin niet worden gevolgd. Dat gesteld noch gebleken is dat is be- of afgesproken dat [bedrijf2] in afwachting van doorbetaling het ontvangen bedrag kon inzetten voor haar bedrijfsvoering, maakt een en ander niet anders.
4.6
[geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat bij het maken van de afspraak over de vergoeding voor hem van € 200.000 niet is besproken wanneer dat bedrag zou komen en dat daarover geen afspraak is gemaakt. Van een duidelijk bepaald moment waarop of bepaalde termijn waarbinnen [bedrijf2] had door te betalen, was daarmee geen sprake. Zo’n moment of termijn volgt ook niet uit de aard van bedoelde toezegging of uit de betaling of de ontvangst van bedoeld bedrag.
4.7
Gegeven de beoogde verheimelijking van de betaling van de € 200.000 acht het hof het ook niet onaannemelijk dat niet zonder meer aan [geïntimeerde] kon worden doorbetaald, zoals [appellant] aanvoert. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat uit- en doorbetalingen aan [geïntimeerde] binnen zijn kantoor(administratie) wel ondergebracht (‘gelabeld’) moesten worden bij projecten waarop een en ander als kosten konden worden geboekt en dat dit ook zo met [geïntimeerde] is besproken. [geïntimeerde] bestrijdt dat op zijn beurt, maar daarin volgt het hof hem niet. Het staat vast dat in een lange periode na augustus/oktober 2013 tussen hen wel is gesproken over dat geld, maar uit niets blijkt dat [geïntimeerde] [appellant] (of [bedrijf2] ) in die lange periode op een wijze als bedoeld in artikel 6:82 BW Pro heeft aangesproken op uit/doorbetaling (van enig deel) van de € 200.000. Daarbij komt dat uit in de rov. 3.11 bedoelde berichten van voornamelijk [geïntimeerde] zelf blijkt dat (ook) vanaf 2016 diverse malen is gesproken over eventuele projecten, de start daarvan en de mogelijkheden die die projecten boden om vervolgens aan [geïntimeerde] ‘af te lossen’. [geïntimeerde] schrijft in dat verband in zijn verslag van 20 maart 2018 alsook in een e-mailbericht van 28 september 2016 zelf nog over een tegoed dat hij heeft. Het is daarmee voldoende aannemelijk dat partijen langere tijd hebben gezocht naar een wijze waarop de € 200.000 kon worden doorbetaald, zonder voor henzelf de (verdere) financiële en andere risico’s te vergroten.
4.8
[geïntimeerde] voert aan dat hij na augustus/oktober 2013 stelselmatig is misleid doordat hem jarenlang is voorgehouden dat het geld was overgemaakt aan [bedrijf] die in december 2013 failliet is gegaan. Om die reden werd hem verteld dat het geld niet meer beschikbaar was. Door [appellant] is [geïntimeerde] vervolgens deelname aan projecten in het vooruitzicht gesteld als compensatie daarvoor. Alleen om die reden is hij in eerste instantie meegegaan in het voorstel van [appellant] om uit te betalen via projecten, aldus [geïntimeerde] . Dit alles is door [appellant] bestreden. Het hof gaat ook niet mee in het betoog van [geïntimeerde] . De verwijzing naar het in rov. 3.14 bedoeld e-mailbericht baat hem niet, alleen al omdat dat niet namens [appellant] is geschreven. Daarbij komt dat in de in rov. 3.11 bedoelde verslagen van [geïntimeerde] van besprekingen van 4 oktober 2017 en 20 maart 2018 is vermeld dat [appellant] [geïntimeerde] heeft gemeld dat zijn zoon het voor [geïntimeerde] bedoelde geld is gaan gebruiken. Dat sluit aan bij het SMS- of WhatsApp-bericht van 6 september 2017 van [geïntimeerde] aan [appellant] waarin hij vraagt of [appellant] een deel kan overmaken onder toevoeging van
“Je zoon werkt al jaren met het geld dat mij toekomt”.Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] eerder – laat staan stelselmatig – is voorgehouden dat het geld aan [bedrijf] zou zijn overgeboekt en al door het faillissement van [bedrijf] verdwenen zou zijn. Dat sprake is geweest van misleiding door [appellant] van [geïntimeerde] als gesteld, is daarmee onvoldoende onderbouwd.
4.9
[appellant] heeft over het uitblijven van een doorbetaling aan [geïntimeerde] uitgelegd dat in 2013 sprake was van een crisis op de woningmarkt en dat daardoor de bedrijfsvoering van zijn kantoor onder druk stond. Met de herontwikkeling van het gebied Holwert-Zuid en de daaruit volgende realisatie én verkoop van de nieuwbouwwoningen zou sprake zijn van een project waarop de kosten van uitbetaling aan [geïntimeerde] konden worden geboekt. De verwachting was dat een substantiële courtage-opbrengst zou worden behaald, waarmee dan de vordering van [geïntimeerde] zou kunnen worden voldaan. Mede omdat de sanering langer duurde dan verwacht en de markomstandigheden wijzigden, is het plan voor de herontwikkeling van het bewuste gebied door de gemeente gewijzigd, waardoor slechts een minimaal aantal woningen zou zijn te verkopen. Daardoor bleef de verwachte courtage-opbrengt achter, aldus [appellant] . Ook andere projecten kwamen toentertijd niet voor [bedrijf2] van de grond, terwijl [appellant] vanaf augustus 2014 te kampen kreeg met concurrentie door zijn zoon die in [woonplaats1] een makelaarskantoor was gestart en vanaf de zomer van 2015 met toenemende gezondheidsklachten, waardoor een gezonde bedrijfsvoering van zijn makelaarskantoor in afnemende mate mogelijk bleek. Dit alles is niet gemotiveerd door [geïntimeerde] weersproken en wordt ondersteund door de ontbinding van [bedrijf2] op 4 januari 2018. [geïntimeerde] heeft bevestigd dat uit de balans en winst- en verliesrekening van [bedrijf2] volgt dat er ten tijde van de ontbinding geen baten meer aanwezig waren. In ieder geval heeft [geïntimeerde] tegenover het relaas van [appellant] geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat het anders is. [geïntimeerde] heeft daarnaast niet aangevoerd – en dit is ook niet op een andere manier gebleken – dat [appellant] persoonlijk profijt heeft gehad van het in augustus 2013 aan [bedrijf2] overgemaakte bedrag.
Afrondend
4.1
Tegen de achtergrond van al het voorgaande is het gegeven dat het van de projectontwikkelaar ontvangen bedrag in de periode na augustus 2013 is gebruikt in de bedrijfsvoering van [bedrijf2] in afwachting van een geschikt project / een geschikte wijze waarop kon worden doorbetaald, niet voldoende om aan te nemen dat [appellant] persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt. Het gegeven dat [appellant] er niet in is geslaagd een dergelijk geschikt project / geschikte wijze te vinden en [bedrijf2] ook onvoldoende inkomsten heeft behaald om toch op enigerlei wijze de vordering van [geïntimeerde] te voldoen, levert in de gegeven omstandigheden ook geen ernstig persoonlijk verwijt aan [appellant] op. Er zijn evenmin voldoende onderbouwde feiten en omstandigheden gebleken die de conclusie kunnen dragen, zoals [geïntimeerde] nog heeft aangevoerd, dat de € 200.000 is verdwenen als gevolg van een vooropgezet plan van [appellant] en [naam] .
4.11
De conclusie uit het voorgaande is dat het handelen van zowel [geïntimeerde] als [appellant] omtrent de meergenoemde € 200.000 bepaald niet zuiver is geweest. Dat de vordering van [geïntimeerde] op [bedrijf2] onbetaald is gebleven, leidt in de gegeven omstandigheden echter niet tot een aan [appellant] te maken persoonlijk ernstig verwijt wegens verhaalsfrustratie. Daarmee komt het hof tot de conclusie dat [appellant] tegenover [geïntimeerde] niet aansprakelijk is op grond van zijn handelen als bestuurder van [bedrijf2] .
Slotopmerkingen
4.12
Het hof komt niet toe aan bewijslevering. [geïntimeerde] biedt specifiek aan te bewijzen dat [appellant] hem steeds heeft voorgehouden dat aan de failliete [bedrijf] is betaald. Die stelling is echter onvoldoende onderbouwd (zie rov. 4.8). Voor het overige is het aanbod van [geïntimeerde] niet specifiek. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat hij bij gebrek aan inzicht in de bankrekening van [bedrijf2] en daarmee in de aanwending van de € 200.000 deels in het duister blijft tasten, maar dat komt niet alleen voor zijn (bewijs)risico maar is ook het gevolg van de keuze de betaling van € 200.000 te accepteren en de in dat verband ook door [geïntimeerde] gevoelde noodzaak een en ander te verheimelijken. Daar waar [geïntimeerde] aan [appellant] verhaalsfrustratie verwijt, kan de door hem geaccepteerde constructie ook als verhaalsfrustratie worden gezien, maar dan jegens de gemeente en/of de provincie. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding [geïntimeerde] ’ bewijslast in enigerlei opzicht te verlichten ten laste van [appellant] .
4.13
Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, daaronder begrepen het voorwaardelijk beroep van [appellant] op de nietigheid van de toegezegde betaling van € 200.000 en het beroep op verjaring van de rechtsvordering van [geïntimeerde] , behoeft geen bespreking meer omdat dit niet tot een andere uitkomst kan leiden.
De conclusie
4.14
Het hoger beroep slaagt. Omdat de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep, die van het incident daaronder begrepen, als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [4]
4.15
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4.16
De door [appellant] gevorderde terugbetaling van wat hij op basis van het vonnis van 6 november 2024 (hersteld op 8 januari 2025) heeft betaald, zal eveneens worden toegewezen.

5.De beslissing

Het hof:
5.1
vernietigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 26 april 2023 en 6 november 2024 (hersteld op 8 januari 2025), voor zover gewezen ten aanzien van [appellant] , en doet opnieuw recht:
5.2
wijst de vordering van [geïntimeerde] af;
5.3
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van alles wat [appellant] op grond van het vonnis van 6 november 2024 (hersteld op 8 januari 2025) aan en/of ten behoeve van [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling;
5.4
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
  • € 1.666 aan griffierecht
  • € 12.213 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VI à € 2.714)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
  • € 2.129 aan griffierecht
  • € 145,45 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding
  • € 15.498 aan salaris van de advocaat van [appellant] (3,5 procespunten × appeltarief VI à € 4.428);
5.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, O.E. Mulder en A. van Hees, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.

Voetnoten

1.Dit arrest is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2025:2715.
2.HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3535.
3.HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.