Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1011

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/1275
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 lid 1 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep winstuitdeling en onzakelijk lage rente bij lening aandeelhouder

Belanghebbende, een vennootschap met een lening aan haar aandeelhouder tegen een rente van 2% (later 1%), verstrekte tegelijkertijd een lening aan derden tegen 7% rente. De Inspecteur stelde dat het renteverschil een onzakelijk lage rente betrof, wat resulteerde in een winstuitdeling en een hogere vennootschapsbelastingaanslag.

De rechtbank oordeelde dat de rente van 2% zakelijk was vanwege de gunstige vermogenspositie van de aandeelhouder, en stelde het verlies voor 2018 vast op €16.556. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat de lening aan de aandeelhouder en de lening aan derden vrijwel identiek waren, behalve het rentepercentage. Het hof concludeerde dat de lagere rente aan de aandeelhouder een bevoordeling was en derhalve een onttrekking in de vorm van winstuitdeling. De vermogenspositie van de aandeelhouder bood geen rechtvaardiging voor het renteverschil.

Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de uitspraak op bezwaar bevestigd. De proceskosten werden niet aan de Inspecteur opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard en de winstuitdeling wegens onzakelijk lage rente wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1275
uitspraakdatum: 17 februari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 7 juni 2024, nummer ARN 23/4435, ECLI:NL:RBGEL:2024:6105, in het geding tussen
[belanghebbende](hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd naar een belastbare winst van € 29.310 en een belastbaar bedrag van nihil. Bij beschikking heeft de Inspecteur voor het jaar 2018 het verrekende verlies vastgesteld op € 29.310.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag Vpb 2018 en de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het verlies voor 2018 vastgesteld op € 16.556, de verliesverrekeningsbeschikking vernietigd, en vergoedingen toegekend voor proceskosten en griffierecht van respectievelijk € 1.185 en € 365.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] , bijgestaan door zijn echtgenote [naam2] en mr. J.J.J. Streefland van [bedrijfsnaam] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. drs. [naam3] , mr. [naam4] en mr. [naam5] . De zaken met de nummers BK-ARN 24/1274 en BK-ARN 24/1275 zijn gezamenlijk behandeld. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is opgericht op 20 oktober 1989. [naam1] is enig aandeelhouder en directeur van belanghebbende (hierna: de aandeelhouder).
2.2.
Op 31 januari 2018 heeft de aandeelhouder in privé een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten met de heer [naam6] (hierna: de heer B) en zijn vennootschap [O BV] (hierna: O BV) (hierna tezamen ook: de derden). Partijen zijn overeengekomen dat de aandeelhouder een lening van € 1.000.000 verstrekt aan de derden. Daarbij is een rentepercentage overeengekomen van 7% op jaarbasis, een looptijd van één jaar, zonder zekerheden en geen verplichting tot tussentijdse aflossing.
2.3.
Belanghebbende heeft op of omstreeks 31 januari 2018 met de aandeelhouder in privé een mondelinge overeenkomst van geldlening gesloten met ingang van 1 februari 2018. Partijen hebben deze mondelinge overeenkomst op enig moment op schrift gezet
.Partijen zijn overeengekomen dat belanghebbende een lening van € 1.000.000 verstrekt aan de aandeelhouder. Daarbij is een rentepercentage overeengekomen van 2% op jaarbasis, een looptijd van vijf jaar en geen verplichting tot tussentijdse aflossing. Er is verder overeengekomen dat op de aandeelhouder de plicht rust om schriftelijk toestemming te verkrijgen van belanghebbende bij verkoop of het bezwaren van zijn woonhuis. De aandeelhouder heeft verder een onherroepelijke volmacht verleend aan belanghebbende om op eerste vordering van belanghebbende medewerking te verlenen aan het verstrekken van hypothecaire zekerheid, waarbij rekening dient te worden gehouden met voorrang van de eerste hypotheekhouder [bank] .
2.4.
Op 31 januari 2018 heeft belanghebbende € 500.000 per bank overgemaakt aan [notaris] ten behoeve van de lening aan de derden met de vermelding ‘1e deel’.
2.5.
Op 1 februari 2018 heeft belanghebbende € 500.000 per bank overgemaakt aan [notaris] ten behoeve van de lening aan de derden met de vermelding ‘2e deel’.
2.6.
Op 1 januari 2019 zijn belanghebbende en de aandeelhouder schriftelijk overeengekomen om het rentepercentage van de lening te wijzigen naar 1%.
2.7.
Op 31 mei 2022 heeft de aandeelhouder van [O BV] tweemaal € 250.000 ontvangen met als omschrijvingen ‘deel aflossing lening’ en ‘gedeeltelijke aflossing lening’.
2.8.
Op 2 juni 2022 heeft de aandeelhouder € 500.000 overgemaakt aan belanghebbende met als omschrijving ‘storting [O BV] ’.
2.9.
Op 22 juni 2022 heeft de aandeelhouder van [O BV] tweemaal € 250.000 ontvangen met als omschrijvingen ‘gedeeltelijke aflossing lening’ en ‘Laatste deel aflossing lening’.
2.10.
Op 23 juni 2022 heeft de aandeelhouder € 505.000 overgemaakt aan belanghebbende met als omschrijving ‘aflossing [O BV] ’.
2.11.
In de jaarrekening 2018 van belanghebbende is als rentebaten een bedrag van € 18.301 vermeld met als omschrijving ‘rente lening u/g [naam1] inzake [O BV] ’. Begin en eind 2018 heeft belanghebbende een eigen vermogen van respectievelijk € 3.417.436 en € 3.371.254.
2.12.
De aandeelhouder heeft in 2018 een bedrag van € 64.166 aan rente van de derden ontvangen. Belanghebbende heeft in 2018 een bedrag van € 18.301 aan rente van de aandeelhouder ontvangen.
2.13.
De aandeelhouder heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 met het oog op de heffing in box 3 de volgende vermogensbestanddelen aangegeven:
Bezittingen
- Bank- en spaartegoeden
€ 37.578
- Effecten
€ 1.180
- Eén onroerende zaak ( [adres1] , [plaats1] )
€ 1.071.000
€ 1.109.758
Schulden
- Tzv onroerende zaken
€ 677.596
- Andere schulden
€ 394.476
-/- € 1.072.072
Rendementsgrondslag box 3
€ 43.686
2.14.
Medeschuldenaar de heer B heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 met het oog op de heffing in box 3 de volgende vermogensbestanddelen aangegeven:
Bezittingen
- Bank- en spaartegoeden
€ 80.575
- Effecten
€ 162.190
- Contant geld en vorderingen
€ 369.063
- 42 onroerende zaken in [plaats1] e.o.
€ 6.417.111
€ 7.028.939
Schulden
- Tzv onroerende zaken
€ 3.609.775
- Andere schulden
€ 2.519.000
€ 6.128.775
Rendementsgrondslag box 3
€ 906.164
2.15.
Medeschuldenaar O BV heeft begin en eind 2018 een eigen vermogen van respectievelijk € 224.987 en € 239.312.
2.16.
Blijkens de koopovereenkomst van 1 februari 2024 heeft de aandeelhouder zijn pand [adres1] verkocht voor € 2.225.000.
2.17.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting naar een verlies van € 45.654. Tot dit resultaat behoren onder meer de rentebate van € 18.301 (zie 2.12) en een verlies van € 29.099 ter zake van de verkoop van een deelneming.
2.18.
Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende een te lage rente heeft bedongen van de aandeelhouder en dat dit opzettelijke winstgemis – ten bedrage van € 64.166 minus € 18.301, ofwel € 45.865 – als een onttrekking in de vorm van een winstuitdeling moet worden aangemerkt. Verder is ook het verlies uit de deelneming gecorrigeerd. De aanslag Vpb 2018 is als volgt berekend:
Winst
Aangifte
-/- € 45.654
Correcties:
- Winstgemis rentebate
€ 45.865
- Verlies deelneming
€ 29.099
€ 74.964
Aanslag
€ 29.310
Na verliesverrekening is het belastbaar bedrag op nihil vastgesteld.
2.19.
In bezwaar en beroep bestrijdt belanghebbende uitsluitend de correctie inzake de rentebate.
2.20.
De Rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een onzakelijk winstgemis, omdat de bedongen rente van 2% vanwege de gunstige vermogenspositie van de aandeelhouder – die afwijkt van die van de derden – als zakelijk kan worden aangemerkt. De Rechtbank heeft daarom het verlies voor 2018 vastgesteld op € 16.556 en de verliesverrekeningsbeschikking vernietigd.

3.Geschil

3.1.
Ook in hoger beroep is uitsluitend in geschil of sprake is van een (niet-aftrekbare) onttrekking door een winstgemis vanwege het bedingen van een onzakelijk lage rente van de aandeelhouder. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.
3.2.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Overwegingen

Geheimhouding

4.1.
Anders dan belanghebbende betoogt, heeft de Inspecteur de geheimhoudingsplicht van artikel 67, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) niet geschonden door gegevens van de derden (zie 2.14 en 2.15) in onderhavige procedure te gebruiken. De Inspecteur heeft deze gegevens ingebracht ter weerlegging van belanghebbendes stelling dat de vermogenspositie van de aandeelhouder gunstiger is dan die van de derden, waardoor zich in dit geval de in het slot van artikel 67, lid 1, AWR bedoelde uitzondering voordoet voor bekendmaking die nodig is voor de uitvoering van de belastingwet. [1]
Winstgemis
4.2.
Voorop staat dat het een ondernemer vrij staat zijn onderneming uit te oefenen met alle door hem daartoe nuttig geachte vermogensbestanddelen en op de door hem nuttig geachte wijze. Voor de heffing van vennootschapsbelasting vormt het aldus behaalde werkelijke resultaat de belastbare winst en niet het resultaat dat de vennootschap met andere vermogensbestanddelen of op andere wijze had kunnen behalen. [2]
4.3.
Het enkele feit dat een vennootschap een winstmogelijkheid onbenut heeft gelaten om een ander te bevoordelen vormt niet een bijzondere omstandigheid die reden geeft om een voordeel dat de vennootschap niet heeft genoten doch desgewenst had kunnen genieten ten laste van die vennootschap in de belasting te betrekken. [3]
4.4.
Dat is anders indien een vennootschap met haar aandeelhouder overeenkomsten aangaat, waarbij zij voor de prestaties waartoe zij zich verbindt, een vergoeding bedingt welke lager is dan zij van een niet-aandeelhouder die overigens in dezelfde positie verkeert, zou hebben bedongen, zulks met de bedoeling de aandeelhouder te bevoordelen. In een dergelijk geval dient het voordeel dat de vennootschap aldus aan haar aandeelhouder doet toekomen, tot de winst van de vennootschap te worden gerekend. [4]
4.5.
Anders dan de Inspecteur voorstaat, ziet het Hof in de rechtstreekse overmaking van de ter leen verstrekte gelden van belanghebbende aan de derden (zie 2.4 en 2.5) geen aanleiding om voor de fiscale duiding het civielrechtelijke bestaan van een lening tussen belanghebbende en de aandeelhouder (zie 2.3, 2.6, 2.8, 2.10, 2.11, 2.12) en van een lening tussen de aandeelhouder en de derden (zie 2.2, 2.7, 2.9, 2.12) te ontkennen.
4.6.
Het Hof acht aannemelijk dat in het onderhavig geval parallellie bestond tussen de lening van belanghebbende aan de aandeelhouder (interne lening) en de lening van de aandeelhouder aan de derden (externe lening). Gelet op de samenvallende hoofdsommen (€ 1.000.000), tijdstip van aangaan van de leningen (31 januari 2018), voorwaarden (geen zekerheid en geen tussentijdse aflossingsverplichting) en tijdstippen van aflossing (31 mei 2022 en 2 juni 2022; 22 en 23 juni 2022), zijn de relevante kenmerken van beide lening nagenoeg identiek. Daarbij komt nog dat belanghebbende de uitgeleende gelden zonder tussenkomst van de aandeelhouder onmiddellijk aan de derden heeft verstrekt (2.4 en 2.5). Het enige verschil tussen beide leningen is dat de interne lening aan de aandeelhouder is verstrekt tegen een rente van 2% (en later 1%) en dat de externe lening aan een niet-aandeelhouder is verstrekt tegen een rente van 7%. Het vorenstaande leidt tot de gevolgtrekking dat belanghebbende van haar aandeelhouder een lagere rentevergoeding heeft bedongen dan zij van een niet-aandeelhouder die overigens in dezelfde positie verkeert, zou hebben bedongen, met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen. Het voordeel dat belanghebbende op die manier aan de aandeelhouder heeft doen toekomen, moet tot de winst van belanghebbende worden gerekend. Een dergelijk opzettelijk winstgemis is als een winstuitdeling te beschouwen nu zowel belanghebbende als de aandeelhouder zich daarvan bewust is geweest of redelijkerwijs had moeten zijn. Gelet op het substantiële renteverschil tussen de interne en externe lening had het voor belanghebbende en de aandeelhouder – die gezien zijn positie als enig aandeelhouder en bestuurder bij belanghebbende daarmee te vereenzelvigen is – namelijk duidelijk moeten zijn geweest dat een rente van 2% (en later 1%) een onzakelijk lage rente was. Daarbij gaat het overigens niet erom dat belanghebbende en de aandeelhouder zich bewust hadden moeten zijn van de exacte omvang van de bevoordeling. [5]
4.7.
Belanghebbende heeft nog betoogd dat het verschil in rentevoet is te verklaren door de gunstige vermogenspositie van de aandeelhouder waardoor zij (veel) minder debiteurenrisico heeft gelopen dan dat de aandeelhouder heeft gelopen jegens de derden. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Gelet op de omvangrijke bezittingen van schuldenaar de heer B, bestaande uit een aanzienlijke vastgoedportefeuille van 42 onroerende zaken in [plaats1] (zie 2.14), kan niet worden gezegd dat de vermogenspositie van de heer B en daarmee zijn solvabiliteit slechter is dan die van de aandeelhouder ten aanzien van een terugbetalingsverplichting van € 1.000.000. Zowel de heer B als de aandeelhouder – die niet alleen beschikt over box 3-vermogen (zie 2.13), maar ook over alle aandelen in belanghebbende met een waarde in 2018 van ten minste € 3.000.000 (zie 2.11) – moet eenvoudig in staat worden geacht aan de terugbetalingsverplichting van € 1.000.000 te kunnen voldoen. Het verschil in vermogenspositie van de aandeelhouder en van de derden vormt derhalve geen verklaring voor het verschil in rentevoet tussen de interne en externe lening.
Omkering en verzwaring van bewijslast
4.8.
Gelet op het vorenstaande is reeds aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast vastgesteld dat de aanslag Vpb 2018 tot een juist bedrag is vastgesteld. Het Hof hoeft zich dan ook niet uit te laten over de vraag of de omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is wegens het niet doen van de vereiste aangifte door het in aftrek brengen van een deelnemingsverlies (zie 2.18).
SlotsomGelet op het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond,
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en
  • bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen.
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 16 januari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AX4567, BNB 1975/26; HR 2 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3774, BNB 1988/135, r.o. 4.2.
2.HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3685, r.o. 3.3.1.
3.HR 20 oktober 1971, ECLI:NL:HR:1971:AY4112, BNB 1971/233; HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3685, r.o. 3.3.1.
4.HR 18 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7734, BNB 1987/245; HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4718, BNB 2002/343; HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3685, r.o. 3.3.1.
5.Vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.4.4.