Belanghebbende was een eenmanszaak gestart in 2013 en werd voor 2018 ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd op een belastbaar inkomen van €45.000, omdat hij geen tijdige aangifte had gedaan. De Inspecteur had de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting, rekening houdend met omzetbelastingaangiften en eerdere winstcijfers.
Belanghebbende betwistte de aanslag en leverde bewijs met een lagere winstberekening in een jaarrekening, maar het Hof oordeelde dat dit bewijs niet overtuigend was. Er ontbraken objectieve documenten ter onderbouwing van kostenposten en de omzetverschillen werden onvoldoende verklaard. Ook een bedrag van €7.429,15 op een derdenrekening werd niet overtuigend toegelicht.
Het Hof bevestigde de omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van aangifte, waardoor belanghebbende overtuigend moet aantonen dat de aanslag te hoog is. Dit is niet gelukt, behalve voor een vermindering van €3.574 wegens toedeling van inkomsten uit eigen woning aan belanghebbende in plaats van zijn partner.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de aanslag van de Inspecteur, en stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van €41.426. Tevens werd de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed. Proceskosten werden niet toegekend.