ECLI:NL:GHARL:2025:8514

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.353.638
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake kinder- en partneralimentatie en verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap met betrekking tot meerderjarigenbewind

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende kinder- en partneralimentatie en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De betrokken partijen zijn [appellant], vertegenwoordigd door haar bewindvoerder, en [geïntimeerde]. De vrouw, die onder meerderjarigenbewind staat, heeft in eerste aanleg verzocht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, alsook partneralimentatie. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 22 januari 2025 de echtscheiding uitgesproken en enkele beslissingen genomen over alimentatie en de verdeling van schulden. De vrouw is in hoger beroep gegaan met vijf grieven, waaronder verzoeken om een hogere partneralimentatie en kinderalimentatie, alsook om een verdeling van de inboedel en bankrekeningen. Het hof heeft de ontvankelijkheid van de vrouw in het hoger beroep beoordeeld, waarbij het hof oordeelt dat de bewindvoerder als formele procespartij kan optreden. Het hof heeft de grieven van de vrouw afgewezen, onder andere omdat de man geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen en de vrouw niet heeft aangetoond dat er een te verdelen cryptovaluta-rekening was. De beschikking van de rechtbank is bekrachtigd, en de proceskosten zijn gecompenseerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.353.638 en 200.353.639
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 556332 en 562928)
beschikking van 23 december 2025
inzake
[naam1], vennoot van Strijveld Bewindvoering,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:
[appellant],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.M. Bissumbhar te Barneveld,
en
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. H.G.J. Ligtenberg te Utrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 januari 2024 en 22 januari 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie 1 (zijnde de stukken eerste aanleg), ingekomen
op 17 april 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 8 oktober 2025 met productie 2;
- een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 9 oktober 2025 met producties 3 tot en met 5
en een ‘machtiging hoger beroep’;
- een journaalbericht van mr. Ligtenberg van 9 oktober 2025 met productie 1.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.3
Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht hen tot 17 november 2025 de tijd te geven om te bezien of zij onderling alsnog tot overeenstemming konden komen en dat zij het hof dan zouden berichten. Het hof heeft op en ook na die datum niet meer van partijen vernomen dat dit hun gelukt is, zodat het hof een beschikking zal geven. Op 18 november 2025 is nog een bericht van mr. Ligtenberg binnengekomen bij het hof, met een bezwaar tegen de na de zitting door de wederpartij toegezonden stukken. Het hof heeft echter na de zitting geen stukken van de wederpartij ontvangen en heeft ook geen toestemming gegeven voor het toesturen van nadere stukken. Het hof doet hier dus verder niets mee.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in1] 2009 gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.2
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in2] 2010;
- [minderjarige2] , geboren [in3] 2015 en
- [minderjarige3] , geboren [in4] 2016.
3.3
De man heeft op 26 april 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. Bij de beschikking van 30 januari 2024 heeft de rechtbank bepaald dat partijen bepaalde stukken aan de rechtbank en de wederpartij dienen te sturen en heeft alle verdere beslissingen aangehouden. Bij de beschikking van 22 januari 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 6 maart 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.4
Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank in de beschikking van 22 januari 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking):
- bepaald dat de inhoud van het door partijen getekende ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van de beschikking;
- aan de man een bankrekening toegedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw € 617,50 te betalen;
- bepaald dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de creditcardschuld per peildatum;
- deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- beslist dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen; en
- de verzoeken van partijen voor het overige afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie), de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie) en de verdeling van de gemeenschap van goederen.
4.2
De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking Zij verzoekt het hof, kort weergegeven:
  • te bepalen dat de man met ingang van 9 maart 2023 haar een partneralimentatie dient te voldoen van € 1.584 bruto per maand;
  • te bepalen dat de man haar een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen;
  • te bepalen dat de man haar € 2.000 dient te voldoen terzake de inboedel;
  • te bepalen dat de man volledige inzage moet verschaffen in zijn bankrekeningafschriften, creditcardafschriften en cryptovaluta-rekeningafschriften over de periode 25 november 2022 tot en met 26 april 2023;
  • te bepalen dat de saldi op de bankrekeningen, creditcardrekeningen en cryptovaluta-rekeningen per peildatum bij helfte tussen partijen worden verdeeld, althans dat een negatief saldo geheel door de man dient te worden gedragen,
kosten rechtens.
4.3
De man voert verweer en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken af te wijzen.
4.4
Op de mondelinge behandeling is de vijfde grief, die ziet op het verschaffen door de man van inzage in zijn bankrekeningafschriften, creditcardafschriften en cryptovaluta-rekeningafschriften over de periode 25 november 2022 tot en met 26 april 2023, ingetrokken.

5.De motivering van de beslissing

ontvankelijkheid
5.1
Ten aanzien van de vrouw geldt een meerderjarigenbewind. Dit was ook al het geval gedurende de procedure bij de rechtbank. Uit artikel 1:441 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de bewindvoerder de rechthebbende bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte vertegenwoordigt. De onderwerpen in de onderhavige procedure, te weten het verzoek om kinder- en partneralimentatie en de afwikkeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap, vallen op grond van de jurisprudentie binnen de taak van de bewindvoerder.
5.2
De bewindvoerder is dus de formele procespartij en had het beroepschrift moeten indienen, zoals ook de advocaat van de man terecht heeft opgemerkt. Dat is niet gebeurd, want het beroepschrift is ingediend door de vrouw via haar advocaat. De man verzoekt daarom de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep.
5.3
Het hof overweegt dat uit de beschikking van de Hoge Raad van 20 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:979) volgt dat zolang de procedure niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd, de bewindvoerder in het geding kan verschijnen om als formele procespartij op te treden. Uit het in die beschikking aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2014:525) volgt dat hiervoor geen bijzondere formaliteiten zijn vereist; een daartoe strekkende brief volstaat.
5.4
Namens de vrouw is voorafgaand aan de mondelinge behandeling, bij het journaalbericht van 9 oktober 2025, een ‘machtiging hoger beroep’ aan het hof toegezonden. Daaruit volgt dat de bewindvoerder toestemming verleent voor het reeds ingediende hoger beroep. De bewindvoerder verklaart daarin verder dat de machtiging betrekking heeft op het door mr. Bissumbhar ingestelde hoger beroep en dat de bewindvoerder uitdrukkelijk akkoord gaat met de voortzetting van het hoger beroep. Voor het hof is dit voldoende om de bewindvoerder als formele procespartij aan te merken en het aan het hof voorgelegde geschil inhoudelijk te beoordelen.
kinderalimentatie
5.5
Op grond van de eerste grief wordt verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie) moet voldoen. Dat verzoek is ook in eerste aanleg gedaan. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, omdat de kinderen op vrijwillige basis uit huis zijn geplaatst bij de ouders van de vrouw. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de grootouders een pleegzorgvergoeding ontvangen en deze geacht wordt dekkend te zijn voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De vrouw had ook niet aangetoond dat dit niet zo is en er sprake zou zijn van een aanvullende resterende behoefte van de kinderen.
5.6
De kinderen zijn nog steeds vrijwillig uithuisgeplaatst en wonen bij de vader van de vrouw. De moeder van de vrouw is in april 2025 overleden. De vrouw heeft verklaard dat zij inmiddels in de haar reeds eerder toegewezen huurwoning woont en dat het de bedoeling is dat de kinderen bij haar gaan wonen. Dat is nu echter nog niet het geval. Het hof twijfelt er aan, gelet op de persoonlijke problemen van de vrouw (depressie, adhd waarvoor ze therapie volgt, chronische heup- en rugklachten, angststoornis en een bewind over haar vermogen), of dat dit binnen afzienbare tijd zal gaan gebeuren. Op de zitting bleek dat er in dat kader overleg is met het wijkteam en Veilig Thuis, maar dat er nog geen plan is. Het hof ziet, net als de rechtbank, nu in ieder geval geen grond om de man te verplichten aan de vrouw een bedrag aan kinderalimentatie te betalen.
partneralimentatie
5.7
In de tweede grief wordt verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud moet betalen (partneralimentatie) met ingang van 26 april 2023. Het hof stelt in dit kader voorop dat op grond van de wet een verplichting tot het betalen van partneralimentatie niet eerder kan ingaan dan de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, in casu 6 maart 2025. De verzochte ingangsdatum van 26 april 2023 ligt bijna twee jaar daarvoor en het is dus niet mogelijk om de partneralimentatie per die datum te laten ingaan.
5.8
In de eerste grief ten aanzien van de kinderalimentatie is ook aangevoerd dat aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar, vermijdbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies. Er zou van de man verwacht mogen worden dat hij zijn oude baan weer oppakt als vrachtwagenchauffeur met de daarbij gebruikelijke overuren. De rechtbank is de vrouw daarin niet gevolgd en is uitgegaan van het huidige inkomen van de man van € 2.925 netto per maand. Ook in hoger beroep heeft de man nogmaals toegelicht dat het werk als vrachtwagenchauffeur met structurele overuren, een zwaar ongeluk met de vrachtwagen zes jaar geleden en gelet op zijn leeftijd, te zwaar voor hem werd. Daarbij kwam ook nog dat het huwelijk van partijen is gestrand, waar hij veel last van heeft gehad, niet in de laatste plaats omdat hij met alle schuldeisers van partijen een regeling heeft moeten treffen. Dit terwijl de vrouw nagenoeg geen inkomen heeft en aflossingen daarom grotendeels op hem neerkomen. Het hof is het met de rechtbank eens dat de man geen verwijt kan worden gemaakt dat hij ander werk heeft gezocht waarmee hij minder verdient dan met zijn vorige baan.
5.9
Niet ter discussie staat dat het huwelijk van partijen is geëindigd met schulden. Dat zijn huwelijkse schulden, waarvoor partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. Het totaal daarvan is nu nog ruim € 27.000. De vrouw betaalt daar € 50 per maand op af. Het grootste deel wordt door de man betaald. Inmiddels lost hij op die schulden € 1.450 per maand af. De rechtbank heeft rekening gehouden met een aflossingsverplichting van de man van € 750 per maand en heeft op grond daarvan, uitgaande van het inkomen van € 2.925 netto per maand, berekend dat de man dan geen draagkracht meer heeft om partneralimentatie te betalen. Het inkomen van de man is sinds de uitspraak van de rechtbank niet gewijzigd ten opzichte van dat waarvan de rechtbank is uitgegaan, terwijl de aflosverplichtingen hoger zijn geworden. Zonder een nadere berekening is dan al duidelijk dat de man ook nu geen draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.
inboedel
5.1
In de derde grief stelt de vrouw dat zij uit de inboedel de tv en een bed heeft gekregen en dat de man de koelkast zou krijgen. De rest zou nog verdeeld worden, maar dat is niet gebeurd. Volgens de vrouw heeft de man het meeste verkocht, zonder dat de vrouw de helft van de opbrengst heeft gekregen. De man heeft zich volgens de vrouw ook een aantal inboedelgoederen toegeëigend. De waarde van de resterende inboedel wordt door de vrouw op € 4.000 geschat, zodat de man haar nog € 2.000 moet voldoen. De man betwist deze stellingen gemotiveerd.
5.11
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen op enig moment hun huurwoning moesten verlaten en de inboedel toen naar een opslag is overgebracht. De man heeft gesteld dat de huur van die opslagruimte niet is betaald en deze daarom is ontruimd en de inboedelgoederen verloren zijn gegaan. Volgens de man stond er in de opslag enkel een bank en een kast en zijn de overige goederen voordien al naar de stort gegaan en heeft hij geen zaken verkocht of zich toegeëigend. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij wist dat er goederen in de opslag stonden, maar dat zij niet weet of de huur niet is betaald. Zij kon zich daar echter wel iets bij voorstellen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw ook in hoger beroep, gelet ook op de betwisting daarvan door de man, niet aangetoond dat de man inboedelgoederen heeft verkocht of zich heeft toegeëigend. De vrouw komt daarom ook geen vergoeding toe.
cryptorekening
5.12
De vierde grief ziet op een cryptovalutarekening. Volgens de vrouw was er een dergelijke rekening met een positief saldo op de peildatum en dient dat verdeeld te worden. De man betwist dat.
5.13
Het hof overweegt als volgt. In eerste aanleg heeft de man een stuk overgelegd van bitcoin-aankopen. Dat is volgens de man echter niet een afschrift van een cryptobankrekening die op zijn naam stond, maar een overzicht van betalingen die hij heeft gedaan in verband met de aankoop van pijnmedicatie voor de vrouw buiten de reguliere kanalen om. Op de zitting bij het hof heeft de man dat nog nader toegelicht: de handelaar in medicijnen wilde betaald worden in bitcoins via versleutelde transacties. Via BTC Direct heeft de man daarom online een wallet aangemaakt en kocht hij bitcoins die dan in zijn wallet terechtkwamen. Met deze bitcoins betaalde hij dan gelijk de handelaar, waarna hij de medicijnen ontving. Wat er in de wallet ging, ging er binnen een minuut ook direct weer uit. Hij kocht iedere keer enkel zoveel bitcoins als op dat moment nodig was om de handelaar te betalen. Er stond dus geen saldo in de wallet. Het stuk wat de man in eerste aanleg heeft overgelegd ziet enkel op de aankoop van de bitcoins. De verkoop ging via de wallet, maar daar zijn geen afschriften of stukken van.
5.14
De vrouw heeft op de zitting betwist dat er voor haar medicatie werd aangekocht zoals de man dat heeft beschreven. Ook verklaarde zij dat zij overal buiten werd gehouden en van niets wist. Ook al zou dat laatste zo zijn, dan nog acht het hof de verklaring van de man aannemelijk. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet aangetoond dat er op de peildatum een te verdelen saldo op een cryptovaluta-rekening aanwezig was.
bankrekeningen
5.15
De vrouw verzoekt te bepalen dat alle saldi op de peildatum van alle bankrekeningen moeten worden gedeeld en dat een eventueel negatief saldo geheel ten laste dient te komen van de man.
5.16
Dat de saldi per peildatum tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld vloeit al voort uit het huwelijksvermogensregime van partijen. Tussen hen bestond een gemeenschap van goederen en ook de saldi op de bankrekeningen dienen dan verdeeld te worden. Daarover heeft de rechtbank al beslist en dat zal het hof daarom niet nog eens doen. Dat alleen de man voor een eventueel negatief saldo draagplichtig is zal het hof afwijzen. De vrouw heeft niet onderbouwd waarom op dit punt van het wettelijk systeem zou moeten worden afgeweken. Zoals ook hiervoor al overwogen worden op grond van de wet bij ontbinding van de gemeenschap de schulden door partijen samen gedragen, ieder voor een gelijk deel.

6.De slotsom

6.1
Op grond van wat hiervoor is overwogen falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. Daarmee wordt bedoeld dat de vrouw en de man ieder hun eigen proceskosten dragen. Dit beslist het hof omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling en gevolgen van het ontbonden huwelijk betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
7.1
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 januari 2025, voor zover ter beoordeling aan het hof is voorgelegd en gaat over de kinderalimentatie, de partneralimentatie, de verdeling van de inboedel en de verdeling van het saldo op een cryptovaluta-rekening;
7.2
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
7.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, M.L. van der Bel en H. Phaff, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.