ECLI:NL:GHARL:2025:8481

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-001019-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenarrest inzake onderzoekswensen met betrekking tot SkyECC en Encrochat in strafzaak tegen verdachte

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 december 2025 een tussenarrest gewezen in het hoger beroep van een verdachte die wordt beschuldigd van de handel in verdovende middelen, verboden wapenbezit en witwassen. De verdachte heeft in de periode van 14 oktober 2019 tot en met 5 september 2022 gebruik gemaakt van verschillende berichtendiensten, waaronder SkyECC en Encrochat, voor zijn criminele activiteiten. Het hof heeft in dit tussenarrest beslissingen genomen op de onderzoekswensen van de verdediging, die gericht waren op de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de gegevens verkregen via deze diensten. De verdediging had verzocht om het horen van getuigen en het verstrekken van documenten die relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verkregen gegevens. Het hof heeft echter alle verzoeken van de verdediging afgewezen, omdat het niet voldoende onderbouwd was dat de onderzoeksresultaten onbetrouwbaar waren of dat er sprake was van onrechtmatige verkrijging van bewijs. Het hof heeft benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek bij de buitenlandse autoriteiten ligt en dat de Nederlandse strafrechter niet kan toetsen of het onderzoek in overeenstemming met de rechtsregels van het betreffende land is uitgevoerd. De beslissing van het hof is genomen in het kader van de waarborging van een eerlijk proces en de noodzaak om de rechtmatigheid van het bewijs te waarborgen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001019-24
Uitspraakdatum: 15 december 2025
Tussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2024 met parketnummer 16-142964-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.]
.
Het hoger beroep
Verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode 14 oktober 2019 tot en met 5 september 2022 stelselmatig heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen, verboden wapenbezit en witwassen. Voor de handel in verdovende middelen zou verdachte gebruik hebben gemaakt van verschillende berichtendiensten als Encrochat, SkyECC, Signal en WhatsApp. Verdachte is bij vonnis van 21 februari 2024 voor onder andere het handelen in verdovende middelen en witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van het beslag. Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van een schriftelijke ronde die in het kader van een voortvarende regiebehandeling heeft plaatsgevonden.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de schrifturen van de verdediging van 8 augustus 2025, het standpunt van de advocaat-generaal van 18 september 2025, het daaropvolgende standpunt van de verdediging van 7 oktober 2025 en ten slotte het standpunt van de advocaat-generaal van 21 oktober 2021.
Met de advocaat-generaal en de verdediging is afgestemd dat het tussenarrest van het hof op 15 december 2025 ter openbare zitting zal worden uitgesproken.
Inhoudsopgave
1. Procesverloop
1.1.
Wat aan de onderhavige onderzoekswensen vooraf ging
1.2 De huidige schriftelijke ronde
2. Beoordeling onderzoekswensen
2.1 Beoordelingscriterium
2.2 Stukken die voor de beoordeling van de onderzoekswensen mede van belang zijn
3. Algemene vooropstellingen
3.1.
Vertrouwensbeginsel
4. Onderzoekswensen
SkyECC
4.1 Rechtmatigheid
4.2 Betrouwbaarheid
4.3 Verstrekking stukken Cofffee
4.4 Verstrekking volledige dataset Chatx
4.5 Geheimhoudersstukken in het kader van SkyECC
5. Onderzoekswensen Encrochat
5.1 Rechtmatigheid
5.2 Betrouwbaarheid
5.3
Verstrekking alle startinformatie onderzoek Regaal
6. Overige onderzoekswensen ten aanzien van SkyECC en Encrochat
6.1 Prejudiciële vragen
6.2 Horen deskundige [deskundige]
7. Eindconclusie

1.Procesverloop

1.1
Wat aan de onderhavige onderzoekswensen vooraf ging
In de onderhavige zaak heeft op 11 juli 2025 een regiezitting plaatsgevonden. Op die regiezitting zijn onderzoekswensen besproken die zijn opgenomen in een door de verdediging ingediende appelschriftuur van 18 maart 2024. Die onderzoekswensen zijn nuniet meer aan de orde, omdat daar destijds al op is beslist. Alleen op het verzoek tot het horen van één getuige werd destijds niet beslist, zodat dat verzoek ook thans weer aan de orde is. Volledigheidshalve geeft het hof hierna weer wat het hof ten aanzien van die onderzoekswensen destijds heeft beslist. Het proces-verbaal van die regiezitting houdt daarover het volgende in:
“Ten aanzien van de verzoeken die bij appelschriftuur zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat de verdediging een belang heeft bij het horen van personen die achter de usernames zitten.
  • Het hof wijst toe het verzoek tot het horen van [naam 1] , geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ; [naam 2] , geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Polen) en [naam 3] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ;
  • Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de personen die in de appelschriftuur zijn weergegeven met een username beslist het hof dat het openbaar ministeriebinnen 4weken vanaf heden (dus uiterlijk op 8 augustus 2025) aan de raadsheer-commissaris en de verdediging mededeelt wat de persoonsgegevens zijn van de personen:
-
die zelf in een strafzaak of strafrechtelijk onderzoek hebben erkend dat zij de gebruikers waren van door de verdediging in de appelschriftuur genoemde accounts van Encrochat of SkyECC;
-
van wie bij vonnis is vastgesteld dat hij/zij de gebruiker was van een door de verdediging in de appelschriftuur genoemd account van Encrochat of SkyECC, dan wel
-
van wie het openbaar ministerie in een opsporingsonderzoek heeft vastgesteld dat diegene een gebruiker van een door de verdediging in de appelschriftuur genoemd account van Encrochat of SkyECC was en bij die persoon ook bekend is dat het openbaar ministerie dat heeft vastgesteld.
  • De verdediging dient vervolgensbinnen twee weken na 8 augustus 2025 (uiterlijk op 22 augustus 2025)aan de raadsheer-commissaris mede te delen wie van de geïdentificeerde gebruikers van de genoemde accounts het wenst te horen, met een maximum van tien;
  • De beslissing op het verzoek tot het horen van de heer [deskundige] wordt aangehouden. Dit verzoek is ook opgenomen in de stukken die door de raadsman gisteren aan het hof zijn toegezonden en wordt daarom aangehouden;
  • Het verzoek tot het doen opmaken van een aanvullend proces-verbaal met betrekking tot de foto’s wordt afgewezen, omdat het hof de noodzaak daartoe niet ziet.”
Naar aanleiding van de regiezitting en de hiervoor weergegeven beslissing heeft het hof op 22 augustus 2025 twee e-mailberichten van de advocaat-generaal ontvangen over de identificatie van contacten van zowel Sky- als Encrochat-accounts.
De verdediging heeft vervolgens kenbaar gemaakt alle SkyECC- en Encrochat-gebruikers te willen horen die tot op heden zijn geïdentificeerd. Het gaat dan om:
  • [naam 4] , geboren op [geboortedatum] (Encrochat-gebruiker [username] );
  • [naam 2] , geboren op [geboortedatum] (SkyECC-gebruiker [nummer] ) (deze getuige was reeds toegewezen);
  • [naam 5] , geboren op [geboortedatum] (SkyECC-gebruiker [nummer] );
  • [naam 6] , geboren op [geboortedatum] (SkyECC-gebruiker [nummer] );
  • [naam 7] , geboren op [geboortedatum] (SkyECC-gebruiker [nummer] ).
Ten tijde van het wijzen van dit tussenarrest is de raadsheer-commissaris bezig met het uitvoeren van de toegewezen onderzoekswensen.
1.2
De huidige schriftelijke ronde
Dit arrest ziet op de onderzoekswensen die op 8 augustus 2025 door de verdediging zijn ingediend in twee schrifturen te weten:
  • Encrochat verweer inzake [verdachte] /OM d.d. 8 augustus 2025, met bijlagen en
  • SkyECC ontrafeld. SkyECC rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweer alsmede onderzoekswensen inzake [verdachte] /OM Parketnummer: 21-001019-24, met bijlagen.
Het openbaar ministerie heeft op 18 september 2025 een schriftelijk standpunt ingenomen op de door de verdediging geformuleerde onderzoekswensen.
Op 30 september 2025 heeft de verdediging verzocht om aanhouding van de behandeling van de ingediende onderzoekswensen. Op 1 oktober 2025 heeft de verdediging het aanhoudingsverzoek aangevuld met meegestuurde bijlagen. Het hof heeft dit aanhoudingsverzoek op 3 oktober 2025 afgewezen.
Op 7 oktober 2025 heeft de verdediging alsnog de repliek ingediend waarop het openbaar ministerie ten slotte op 21 oktober 2025 de dupliek heeft ingediend.
Op 3 november 2025 heeft het hof de advocaat-generaal en de verdediging bericht dat op 15 december 2025 bij tussenarrest op de onderzoekswensen zal worden beslist.

2.Beoordeling onderzoekswensen

De onderzoekswensen, zien – kort gezegd - op het horen van diverse getuigen en het verstrekken van nadere stukken. Het hof begrijpt de verzoeken zo dat deze door de verdediging zijn gedaan met het oog op eventueel te voeren rechtmatigheids- en of betrouwbaarheidsverweren ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep. Het hof heeft de voorliggende verzoeken in dit tussenarrest als volgt gerubriceerd:
verzoeken die zien op (de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van) de SkyECC-communicatie.
verzoeken die zien op (de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van) de Encrochat-communicatie.
verzoeken die betrekking hebben op (de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van) beide.
De onderzoekswensen zullen hierna uitgebreider worden weergegeven.
2.1
Beoordelingscriterium
Gelet op het moment waarop de (getuigen)verzoeken zijn gedaan en/of de aard van de verzoeken (onderzoek door een deskundige en het voegen van stukken in hoger beroep) zal het hof de verzoeken beoordelen aan de hand van het noodzaakscriterium.
Stukken die voor de beoordeling van de onderzoekswensen mede van belang zijn
Alvorens over te gaan tot de bespreking van de onderzoekswensen, stelt het hof hier nog vast dat het dossier verschillende stukken bevat die voor de beoordeling van de onderzoekswensen van belang zijn en die in een eerder stadium aan het dossier zijn toegevoegd.
Op 15 maart 2023 heeft in eerste aanleg een regiezitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft de officier van justitie toen onder andere opgedragen om de brieven met bijlagen van het Landelijk Parket van 2 juni 2022 [1] en 28 oktober 2022 [2] aan het dossier toe te voegen.
Op de zitting van 7 juni 2023 is bevestigd dat de bovengenoemde brieven aan het dossier zijn toegevoegd.
Op de zitting van 24 augustus 2023 is gebleken dat een brief van het Landelijk Parket van 30 augustus 2022 [3] en een proces-verbaal van 28 september 2021 [4] zijn toegevoegd aan het dossier die betrekking hebben op de uitleg van APN-gegevens en de verstrekking daarvan aan de verdediging. De rechtbank heeft op die zitting besloten om verstrekking van de APN-gegevens toe te wijzen, met dien verstande dat de APN-gegevens moesten worden verstrekt voor zover het de ten laste gelegde periode betrof.
Op de zitting van 11 oktober 2023 is melding gemaakt dat, voor zover hier relevant, de volgende stukken aan het dossier zijn toegevoegd:
- de APN-data, verrijkt met adresgegevens;
- diverse e-mailcorrespondentie tussen rechtbank, officier van justitie en verdediging.
Het hof stelt verder vast dat tussen de processtukken in eerste aanleg zich bevinden:
  • het rapport ‘Onderzoek naar volledigheid en correctheid van Encrochatberichten verzameld met een technisch hulpmiddel’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 januari 2021;
  • het rapport ‘Sporenbeschrijving van EncroChat uit de 26Lemont gegevens in Hansken’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 17 maart 2021;
  • het rapport ‘Volledigheid en correctheid van decodering van Sky ECC berichten met Toolbox methode’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 22 juni 2022 in opdracht van het Landelijk Parket.
Mede tegen deze achtergrond zullen de verzoeken worden beoordeeld.

3.Algemene vooropstellingen

3.1
Vertrouwensbeginsel
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, prejudiciële vragen beantwoord die verband hielden met – kort gezegd – het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken. De Hoge Raad heeft daarover onder meer het volgende overwogen (met weglating van de in die beslissing opgenomen voetnoten):
6.5.2
Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.
(…)
6.5.4
Waar het gaat om het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.
6.6
Het vorenstaande heeft betrekking op (de beoordeling van) de rechtmatigheid van het onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd. Waar het gaat om de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten die voor het bewijs worden gebruikt, geldt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Er kan grond voor bewijsuitsluiting bestaan als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Hierbij maakt het in beginsel geen verschil of die onderzoeksresultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten dan wel in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Dat doet echter niet eraan af dat de rechter in de strafzaak tot uitgangspunt mag nemen dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Als er echter – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken.
(ii) Het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (6.7-6.11)
(...)
6.1
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612 overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt uitgeoefend, leidend is, en dat – kort gezegd – het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat dat niet anders maakt. Bij het verlenen van dergelijke bijstand is immers geen sprake van het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied of van het in Nederland vergaren van stukken, voorwerpen of gegevens.
6.11
Uit het vorenstaande volgt ook dat het optreden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam telkens wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het team actief is, waarbij de leider van het gemeenschappelijk onderzoeksteam optreedt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid krachtens het nationale recht van de lidstaat waar het gemeenschappelijk onderzoeksteam actief is. Verder volgt daaruit dat, voor zover ten behoeve van het gemeenschappelijk onderzoeksteam onderzoekshandelingen in een andere lidstaat plaatsvinden, deze handelingen op verzoek kunnen worden verricht met inachtneming van het recht van die andere lidstaat. Dit stelsel komt er dus op neer dat onderzoekshandelingen telkens worden verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaat waar de onderzoekshandelingen plaatsvinden. Waar het gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de resultaten die zijn verkregen met het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, geldt eveneens het stelsel zoals hiervoor onder 6.5 en 6.6 is besproken. De regeling van het optreden van gemeenschappelijke onderzoeksteams zoals opgenomen in artikel 13 EU-Rechtshulpovereenkomst geeft geen aanleiding om tot een ander stelsel te komen.
(...)
B. Opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten (6.17-6.19)
6.17
Kenmerkend voor de hiervoor besproken vormen van internationale en Europese samenwerking tussen (lid)staten is dat de onderzoekshandelingen telkens onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten – van de staat die de klassieke rechtshulp verleent, van de lidstaat waar het gemeenschappelijk onderzoeksteam actief is, (…) – worden uitgevoerd. Dit neemt niet weg dat de situatie zich kan voordoen dat buiten Nederland onderzoekshandelingen worden verricht onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten. Op grond van artikel 539a lid 1 Sv kunnen Nederlandse opsporingsambtenaren de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden ook in het buitenland uitoefenen. Of in een concreet geval van die mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, wordt mede bepaald door het toepasselijke verdragsrecht en Unierecht (vgl. artikel 539a lid 3 Sv).
6.18
In de situatie dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij de Nederlandse autoriteiten ligt, vindt artikel 359a Sv toepassing op vormverzuimen die zich eventueel in verband met die uitvoering voordoen met betrekking tot de toepassing van de hun op grond van het Nederlandse recht toekomende bevoegdheden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de Nederlandse autoriteiten (i) als onder gezag van de (Nederlandse) officier van justitie in het buitenland overeenkomstig artikel 539a Sv door Nederlandse opsporingsambtenaren toepassing wordt gegeven aan de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden, of (ii) als een zodanig nauwe samenwerking bestaat tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten bij de opsporing dat het gezag daarover feitelijk volledig of in overwegende mate toekomt aan de (Nederlandse) officier van justitie. De onder (i) bedoelde situatie doet zich niet voor in het geval dat een Nederlandse opsporingsambtenaar slechts betrokken is bij de uitvoering van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland die in overeenstemming met het recht van dat land en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten wordt uitgeoefend. Van de onder (ii) bedoelde situatie is geen sprake op grond van de enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig mogen zijn bij de uitvoering van een onderzoekshandeling door een buitenlandse autoriteit, of door Nederlandse opsporingsambtenaren technische assistentie wordt verleend aan een buitenlandse autoriteit.” [5]

4.Onderzoekswensen SkyECC

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de hiernavolgende onderzoekswensen gedaan:
De verdediging verzoekt als getuige op te roepen:
Rechercheurs [nummer] en [nummer]
Verbalisant [nummer]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
[getuige]
R-335
R-455
R-636
R-637
R-638
R-795
R-824
R-825
R-856
R-971
R-983
T-050073
T-050099
T-050110
T-050129
T-050158
T-050314
T-050330
T-050345
T-050389
T-050420
T-050445
T-050453
T-050519
T-050530
T-050559
T-050669
T-050683
T-050840
T-050859
T-050870
T-050026
T-050027
T-050043
T-050940
De getuigen genoemd onder 48 tot en met 60, betreffen de personen die vanuit diverse functies betrokkene zijn geweest bij de JIT-overeenkomst.
61. [getuige]
61. [getuige]
61. [getuige]
61. [getuige]
Op pagina 151 onder het kopje ‘
8.1.1. LAP0813, LAP0814 en LAP0832, de betrokken officieren van justitie’verzoekt de verdediging om als getuige te horen:
de officier van justitie werkzaam bij het Landelijk Parket en die de JIT-overeenkomst heeft getekend en leidinggevende in het onderzoek Werl is geweest;
de officier van justitie werkzaam bij het Landelijk Parket Rotterdam en tevens leider van het opsporingsonderzoek Argus/Werl en
de officier van justitie werkzaam bij het Parket Amsterdam en tevens leider van het opsporingsonderzoek Argus/Werl.
Daarnaast verzoekt de verdediging om
verstrekking van de volgende stukken:
de (volledige) BOB-dossiers en zaaksdossier van Yucca, Werl en Argus, uitsluitend voor zover die zien op SkyECC
de stukken bevolen door de Franse rechter(s) (waaronder in elk geval het Franse ‘certificat de sincérité’ als bedoeld in art. 230-1 du code de procédure pénale);
de processen-verbaal van bevindingen (omtrent de ondersteuning bij de uitoefening van opsporingsbevoegdheden) ten aanzien van SkyECC, waaronder de uitvoering van de Nederlandse EOB’s en bij de uitvoering van de JIT-overeenkomst, in het bijzonder voor zover sprake is van (directe, feitelijke) betrokkenheid van de Nederlandse politie (THTC)/justitie in Roubaix, Frankrijk bij de SkyECC-servers, zoals die ook zijn opgesteld in Sassenheim bij het veiligstellen van de PGPsafe-data;
de ruwe/ JSON-bestanden en de schriftelijke verslaglegging van (het vergelijken van) de hashing/ hash-waardes van de SkyECC-dataoverdracht/ van de PCAP-bestanden, voor zover het gaat om de overdracht van de data die is ingebracht in de onderhavige zaak, althans een forensische kopie hiervan;
het proces-verbaal van toestemming van de Amsterdamse rechter(s)-commissaris(sen) en (de verslaglegging van) de zoekslag om (bepaalde) SkyECC-data te gebruiken in de onderhavige zaak/ die heeft geleid tot de resultaten/SkyECC-chats die in de onderhavige strafzaak zijn ingebracht;
de volledige SkyECC-(onderzoeks)dataset, althans (subsidiair) alle (groeps)chats van de accounts die in de onderhavige zaak voorkomen (de zogeheten “onderzoeks-
dataset”), alsmede die van het zogeheten ‘cluster-onderzoek’ (“cluster-onderzoeks-
dataset”);
7. de processen-verbaal van identificatie van alle SkyECC-accounts die in de onderhavige zaak voorkomen en het/ de (zaaks)dossier(s) van het onderzoek/ de onderzoeken die tegen diegene(n) loopt/ lopen (en dus onderdeel uitmaken van zo’n zogeheten ‘cluster- onderzoek’), allen uiteraard uitsluitend voor zover deze processen-verbaal en dossiers bestaan;
8. projectplan 13Yukka. Dit vormt het fundament van het onderzoek naar SkyECC in Nederland;
9. de projectplannen van Argus, Werl en Coffee.
Verder verzoekt de verdediging om:
verstrekking van stukken in het kader van onderzoek Coffee en het doen opmaken van een proces-verbaal waarin een antwoord wordt geformuleerd op de vraag of cliënt is geïdentificeerd in onderzoek Coffee en bij positief antwoord een uitleg waarom het bestaan van dit onderzoek verzwegen is
de volledige datasets van ChatX;
een uitgebreid proces-verbaal waarin wordt beschreven hoe is omgegaan met geheimhouderscorrespondentie en het horen van de verbalisanten die dit proces-verbaal opstellen en
het horen van een deskundige, te weten [deskundige] .
De verdediging heeft verder gevraagd om prejudiciële vragen die zien op de notificatieplicht in de zin van artikel 31 van Richtlijn 2014/41 te stellen aan het HvJ EU.
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van al deze verzoeken.
Oordeel van het hof
4.1
Rechtmatigheid
In samenhang bezien met de uitvoerige inleidende overwegingen die hebben geleid tot de onderzoekswensen, verwoordt de verdediging – kort gezegd - om te beginnen het standpunt dat de rol die de Nederlandse autoriteiten hebben gehad bij het verwerven van de SkyECC gegevens en/of de vervolgrol van Europol hebben geleid tot onrechtmatige vergaring en verspreiding van SkyECC gegevens.
Het hof begrijpt de onderzoekswensen, voor zover die zien op de getuigenverzoeken weergeven onder nummer 1 tot en met 64, het horen van de betrokken officieren van justitie van het Landelijk Parket en Parket Amsterdam en de verstrekking van stukken hiervoor genoemd onder het kopje ‘te verstrekken stukken’ onder nummer 1, 2, 3, 5, 8 en 9, – zo dat die erop zijn gericht om over de rol van de Nederlandse autoriteiten en Europol meer duidelijkheid te verkrijgen.
De uitoefening van deze onderzoekswensen acht de verdediging, in het licht van het recht op een eerlijk proces (art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)) noodzakelijk om zo te kunnen controleren of de herkomst van SkyECC-gesprekken rechtmatig is.
Blijkens bestendige jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:2023:913 en ECLI:NL:HR:2024:192) behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop een onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Door de verdediging is aangevoerd dat dit vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, omdat het ging om een Nederlands onderzoek, dat is uitgevoerd door Nederlandse autoriteiten.
Uit het hiervoor weergegeven arrest van de Hoge Raad volgt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering alleen bij de Nederlandse autoriteiten ligt wanneer (i) onder gezag van de (Nederlandse) officier van justitie in het buitenland overeenkomstig artikel 539a Sv door Nederlandse opsporingsambtenaren toepassing wordt gegeven aan de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden, of (ii) als een zodanige nauwe samenwerking bestaat tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten bij de opsporing dat het gezag daarover feitelijk volledig of in overwegende mate toekomt aan de (Nederlandse) officier van justitie.
Door de verdediging zijn veel stukken overgelegd, maar geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Die stukken bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Dat Nederland een grotere rol heeft gehad bij de internationale samenwerking in verband met interceptie van SkyECC-gegevens, blijkt verder ook niet uit het dossier.
Datzelfde geldt voor het subsidiaire standpunt van de verdediging dat zelfs als de initiële verkrijging van data uit de interceptietool rechtmatig zou zijn geweest, daaraan alsnog haken en ogen zouden kleven vanwege de rol van Europol binnen het JIT met betrekking tot de opslag, analyse en verspreiding van de SkyECC data. Een en ander zou niet overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 [6] hebben plaatsgevonden. Het hof ziet in de voorliggende stukken geen aanwijzingen voor een andere of ruimere rol in de uitvoering van taken door Europol dan die als mandaat binnen het gemeenschappelijk onderzoeksteam in de JIT-overeenkomst was opgenomen en zijn grondslag vindt in art. 4 van de voornoemde Verordening. Daaruit volgt dat binnen het JIT de data verkregen uit de interceptie ook met Europol konden worden gedeeld met het oog op analyse. Concrete aanwijzingen voor een andere dan een ondersteunende rol binnen het JIT in het bewaren, analyseren en verstrekken van gegevens, heeft de verdediging niet naar voren gebracht.
Met betrekking tot de hiervoor genoemde verzoeken is het hof dan ook van oordeel dat de noodzaak tot het horen van de genoemde personen en het verstrekken van de genoemde stukken niet is gebleken. Het hof wijst de verzoeken daarom af.
4.2
Betrouwbaarheid
De verzoeken tot verstrekking van stukken, hiervoor genoemd onder nummer 4, 6 en 7, hebben betrekking op het kunnen controleren van de betrouwbaarheid van de verkregen onderzoeksresultaten.
In het licht van de wijze van verkrijgen van de SkyECC data onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten, is het uitgangspunt op basis van de eerder weergegeven vooropstellingen dat van de betrouwbaarheid van het bewijs moet worden uitgegaan. Als echter concrete aanwijzingen bestaan voor het tegendeel, is het aan de rechter om de betrouwbaarheid van de resultaten alsnog te onderzoeken. Van de verdediging mag – wanneer hierop een beroep wordt gedaan – worden verwacht dat zij voldoende gemotiveerd duidelijk maakt waar die aanwijzingen uit bestaan. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, ziet het hof die concrete aanwijzingen niet, zodat geen aanleiding bestaat tot nader onderzoek. Het hof wijst de in dit verband gedane verzoeken af, omdat de noodzaak daarvan niet is gebleken. Daarbij is mede van belang dat het hof eerder al vaststelde dat in het procesdossier van onderzoek Regaal diverse zogenoemde verantwoordingsstukken zijn gevoegd met betrekking tot de verkrijging, verwerking en gebruikmaking van de SkyECC-data. Het hof heeft geen reden om aan de inhoud van die stukken te twijfelen. Daarnaast werden in eerste aanleg ook al metadata in de vorm van APN-gegevens verrijkt met adresgegevens -van door de politie aan verdachte toegeschreven SkyECC-accounts- aan de verdediging verstrekt. Het dossier bevat zo bezien voldoende informatie op basis waarvan de verdediging eventuele betrouwbaarheidsverweren ten behoeve van een inhoudelijke behandeling kan voeren. Het recht op het kunnen voeren van een effectieve verdediging is daarmee niet geschaad.
4.3
Verstrekking stukken Coffee
De verdediging heeft bij de onderzoekswensen die betrekking hebben op SkyECC ook verzocht om verstrekking van stukken die beschikbaar zijn in het kader van het onderzoek Coffee. Ook het onderhavige onderzoek Regaal zou zijn feitelijke start namelijk binnen dit onderzoek hebben gehad zodat verstrekking van die stukken voor de verdediging noodzakelijk is om de rechtmatigheid van de verdenking te kunnen toetsen.
Anders dan de verdediging, stelt het hof vast dat onderzoek Coffee geen rol speelt in de zaak van verdachte. Uit het proces-verbaal van identificatie op pagina 137 van het voorgeleidingsdossier en het proces-verbaal van bevindingen ‘Contact 80wdgp-5As3Qk’ op pagina 222 van hetzelfde dossier volgt immers dat verdachte niet in dat onderzoek is geïdentificeerd, maar dat identificatie heeft plaatsgevonden op basis van analyses in onderzoek(en) Werl/Argus. Gelet hierop wordt dit verzoek, bij gebrek aan feitelijke grondslag, afgewezen. Dat geldt tevens voor het verzoek tot het doen opmaken van een proces-verbaal waarin een antwoord wordt geformuleerd op de vraag of verdachte is geïdentificeerd in onderzoek Coffee.
4.4
Verstrekking volledige dataset ChatX
De verdediging heeft bij de onderzoekswensen die betrekking hebben op SkyECC ook verzocht om verstrekking van de volledige dataset van ChatX, omdat daaruit meer metadata, zoals locatiegegevens, volgen dan waarover de verdediging op dit moment beschikt.
Het hof stelt vast dat de verdediging dit verzoek doet om de betrouwbaarheid van de onderzoekresultaten te controleren. Het hof wijst de in dit verband gedane verzoeken af, omdat de noodzaak daarvan gelet op de gegeven onderbouwing niet is gebleken. Daarbij betrekt het hof dat het openbaar ministerie in eerste aanleg de APN-data (locatiegegevens) van de accounts die door de politie aan verdachte worden toegeschreven, heeft verstrekt.
4.5
Geheimhouderstukken in het kader van SkyECC.
De verdediging heeft verzocht om een uitgebreid proces-verbaal over – kort gezegd- de wijze waarop met geheimhouderscorrespondentie is omgegaan. Het hof wijst dit verzoek af, nu de noodzaak tot het uitvoeren van dit nadere onderzoek op geen enkele manier is onderbouwd.

5.Onderzoekswensen Encrochat

Standpunt van de verdediging
Het hof somt de verzoeken die de verdediging ten aanzien van Encrochat deed hieronder op en geeft vervolgens tussen haakjes aan in welk randnummer het verzoek is opgenomen in de schriftuur.
(randnummer 199)
Inzage in alle gegevens die aan het onderhavige onderzoek ten grondslag liggen, waaronder alle beschikbare metadata en ook expliciet alle intelligence packages die in het kader van Europol zijn ontvangen.
(randnummer 200)
Verstrekking van alle chats op de wijze waarop deze ook voor het openbaar ministerie beschikbaar zijn, namelijk in ChatX inclusief de volgende gegevens:
- IMEI
- IMSI
- Username
- Chatberichten
- VOIP initialisaties
- Afbeeldingen
- Screen unlock wachtwoorden
- Opgeslagen wifi netwerken
- Mast locaties
- Contactenlijst met nicknames
- Statusberichten
- Landcode waar de telefoon zich bevindt (alleen van telefoon waar de berichten vandaan komen)
- Wijzigingen aan notities (alleen bij X3/Carbon toestellen).
Daarnaast wordt ook verzocht (randnummer 201) om de volledig beschikbare dataset, inclusief alle overige beschikbare gegeven, te verstrekken aan de verdediging.
3. ( (randnummer 202)
Het aanwijzen van een onafhankelijk deskundige, te weten [deskundige] , forensisch computerdeskundige.
4. ( (randnummer 204)
Het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU die zien op de notificatieplicht in de zin van artikel 31 van Richtlijn 2014/41.
5. ( (randnummer 206 en 207)
Het door het openbaar ministerie laten beantwoorden van vragen die betrekking hebben op de betrokkenheid van Europol (het hof begrijpt: bij de verkrijging en verstrekking van Encrochat-gegevens).
6. ( (randnummer 208)
Het horen van (in ieder geval vier van) de Nederlandse vertegenwoordigers die bij ‘de conference calls van Europol’ betrokken zijn geweest.
7. ( (randnummer 209)
Het ontvangen van alle gegevens die ten grondslag liggen aan het besluit om onderzoek Regaal op te starten.
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken.
Oordeel van het hof
5.1
Rechtmatigheid
In het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de Encrochat-gegevens verzoekt de verdediging om het openbaar ministerie vragen te laten beantwoorden die in hoofdlijnen betrekking hebben op de betrokkenheid van Europol in de Encrochat-operatie. De verdediging verzoekt ook om de Nederlandse vertegenwoordigers die bij de conference calls van Europol betrokken zijn geweest, te horen. Ter onderbouwing wordt aangevoerd dat het verwerken en bewaren van persoonsgegevens uit Encrochat-gegevens door Europol onder de werkingssfeer valt van de Verordening (EU) 2016/794, terwijl onduidelijk is of Europol zich hieraan heeft gehouden.
Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat het handelen van Europol de rechtmatigheid van de verkrijging van de Encrochat-gegeven heeft aangetast. Het hof acht nader onderzoek in het kader van de verzoeken onder randnummer 206 t/m 208 niet noodzakelijk en wijst de verzoeken af.
5.2
Betrouwbaarheid
Om de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten te controleren verzoekt de verdediging inzage in alle gegevens die aan het onderhavige onderzoek ten grondslag liggen, waaronder alle beschikbare metadata, maar ook expliciet alle intelligence packages die van Europol zijn ontvangen.
Verder verzoekt de verdediging om verstrekking van alle chats op de wijze waarop deze ook voor het openbaar ministerie beschikbaar zijn, namelijk in ChatX. Ten slotte wordt ook verzocht om ‘de volledige beschikbare dataset, inclusief alle overige beschikbare gegevens’, te verstrekken aan de verdediging.
Het hof stelt vast dat de verdediging met betrekking tot de verzoeken over de verstrekking van alle beschikbare metadata (randnummer 199) en de volledige dataset (randnummer 201) geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de voorliggende Encrochat-gegevens. Door zonder nadere onderbouwing en zonder enige begrenzing voornoemde stukken op te vragen, hebben deze verzoeken veel weg van een zogenoemde ‘phishing expedition’. Het hof acht verstrekking dan ook niet noodzakelijk en wijst deze verzoeken af.
Met betrekking tot het verzoek dat ziet op verstrekking van ‘alle chats’ (randnummer 200) is het hof van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft gemotiveerd wat de noodzaak is van het verkrijgen van de genoemde data. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging reeds bij de rechtbank de beschikking heeft gekregen over twee NFI-rapporten waarin de volledigheid en betrouwbaarheid van de berichten worden beschreven. De verdediging heeft niets concreets aangevoerd waaruit zou moeten worden afgeleid dat aan de betrouwbaarheid van deze onderzoeksresultaten moet worden getwijfeld. Het hof wijst dit verzoek daarom eveneens af.
5.3
Verstrekking alle startinformatie onderzoek Regaal
De verdediging verzoekt om verstrekking van alle gegevens die ten grondslag liggen aan het besluit om onderzoek Regaal op te starten. Dit om de wijze waarop het onderzoek naar verdachte is ontstaan te kunnen controleren en om te kunnen controleren of dit op rechtmatige wijze is gebeurd.
Het hof stelt vast dat in deze zaak een proces-verbaal van verdenking is opgemaakt. Daarin staat specifiek beschreven op basis van welke feiten en omstandigheden een verdenking tegen verdachte is ontstaan. Door de verdediging worden geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat aan de betrouwbaarheid en juistheid van de gestelde informatie en onderzoeksresultaten moet worden getwijfeld. Het hof wijst het verzoek dan ook af nu de noodzaak tot verstrekking van de verzochte gegevens niet is gebleken.

6.Overige onderzoekswensen ten aanzien van SkyECC en Encrochat

Ten slotte heeft de raadsman een tweetal verzoeken ingediend in verband met het kunnen controleren van de rechtmatigheid & betrouwbaarheid van zowel de in onderzoek Regaal verkregen SkyECC-data als de verkregen Encrochat-gegevens.
6.1
Prejudiciële vragen
De verdediging heeft in beide schrifturen verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). De vragen zien op de notificatieplicht als bedoeld in artikel 31 van Richtlijn 2021/41 (EU) betreffende de Europese voorlopige maatregel tot opsporing van en het verkrijgen van bewijsmateriaal in strafzaken (hierna: de EOB-richtlijn 2014/41). Aanleiding hiervoor is het arrest van het HvJ van 30 april 2024. [7]
Het hof stelt, in navolging van meerdere andere hoven en rechtbanken in het land, vast dat in de Nederlandse situatie, anders dan in het voornoemde arrest waarin informatie werd gedeeld op basis van een Europees Opsporingsbevel (hierna: EOB), hier in beide gevallen sprake was van een samenwerkingsverband tussen Nederland en Frankrijk (en Europol) op basis van een JIT. Daarbinnen geldt een ander juridisch kader dan wanneer landen op basis van een EOB samenwerken en via die weg opsporingsinformatie uitwisselen. Uit artikel 3 van de EOB-richtlijn 2014/41 en de daarbij behorende considerans (overweging 8) volgt dat de richtlijn niet van toepassing is op de samenwerking tussen twee of meer lidstaten binnen een JIT en de daaruit volgende bewijsgaring en uitwisseling/overdracht van die bewijsgegevens. Dat geldt dus ook voor de uit artikel 31 van de richtlijn voortvloeiende en door de verdediging aangehaalde ‘notificatieplicht’.
Het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ wordt afgewezen, omdat de noodzaak daartoe op geen enkele manier is gebleken.
6.2
Horen deskundige [deskundige]
De verdediging heeft ten slotte in het kader van Encrochat-gegevens en SkyECC-data verzocht om [deskundige] , forensisch computerdeskundige, als deskundige te horen. Deze getuige wordt gevraagd om de betrouwbaarheid van de verkregen onderzoeksresultaten te controleren.
Het hof stelt vast dat van de verdediging mag worden verlangd dat zij met concrete aanwijzingen komt waaruit de gestelde onbetrouwbaarheid zou blijken. Dat heeft de verdediging niet gedaan. De noodzaak tot het horen van de verzochte externe deskundige is daarom niet gebleken. Het hof wijst het verzoek af.

7.Eindconclusie

Uit voorgaande overwegingen van het hof blijkt dat alle onderzoekswensen worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Wijst de verzoeken van de verdediging af.
Dit arrest is gewezen door mr. A.H. toe Laer, mr. M.C. van Linde en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Dörholt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 december 2025.

Voetnoten

1.Zie het proces -verbaal van bevindingen: verwerking IP-tap data, hash-waarde controle en technisch verloop van onderzoek Werl.
2.Zie de brief van het Landelijk Parket met een reactie op het arrest van de Franse Cour de Cassation van 11 oktober 2022 en een reactie op het voornemen destijds om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad der Nederlanden te stellen.
3.Zie de begeleidende brief van het Landelijk Parket bij verstrekking van APN-data, met toelichting op wat APN-data zijn en de juridische basis voor vordering van deze gegevens.
4.Zie het ‘proces-verbaal uitleg APN-telecomgegevens van de Eenheid Amsterdam.
5.Zie tevens ECLI:NL:HR:2024:192.
6.Het hof begrijpt: Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad
7.Zie ECLI:EU:C:2024:372.