ECLI:NL:GHARL:2025:8431

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/1205
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM)

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende B.V. tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland over een naheffingsaanslag BPM. De Inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd aan belanghebbende, die hiertegen bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de naheffingsaanslag. Belanghebbende ging in hoger beroep, waarbij de vraag centraal stond of de naheffingsaanslag correct was vastgesteld. Tijdens de zitting op 22 juli 2025 werden verschillende argumenten over de waardevermindering van de auto besproken, waaronder de schade en de kosten van reparatie. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor een hogere waardevermindering dan de rechtbank had vastgesteld. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De kosten voor griffierecht en proceskosten werden niet vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1205
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 april 2023, nummer ARN 22/252, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. P.A.J.M. Lodestijn, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] en [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 18 augustus 2020 een Fiat 500 1.2 Lounge (hierna: de auto) gekocht in Frankrijk voor € 7.400. De datum van eerste toelating van de auto is 4 juni 2019.
2.2.
Op 17 september 2020 heeft belanghebbende aangifte Bpm gedaan voor de auto naar een bedrag van € 284. In het aangifteformulier heeft belanghebbende bij de keuze voor de verminderingsmethode "taxatierapport" aangekruist. Het aangifteformulier bevat als bijlage een taxatierapport van 16 september 2020 van [naam5] van [bedrijf1] B.V. (hierna: het taxatierapport). Het taxatierapport vermeldt onder meer een CO2-uitstoot van 112 gr/km, een historische nieuwprijs van € 18.768, een bruto Bpm van € 4.169 en een tellerstand van 18.114 kilometer. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto als volgt berekend:
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
€ 9.267
Af: reparatiekosten
€ 6.938
Bij: correctie reparatiekosten i.v.m. gebruikssporen cf. XRAY matrix
-/- € 200
Af: ‘geen oordeel kilometerstand’
€ 1.250
Totaal correcties:
-/- € 7.988
Handelsinkoopwaarde na correcties
€ 1.279
Bij de berekening van de reparatiekosten heeft de taxateur een uurtarief van € 84 exclusief omzetbelasting gehanteerd.
2.3.
De auto is op 18 september 2020 door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) gekeurd.
2.4.
Belanghebbende heeft de auto op 28 september 2020 getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op 30 september 2020 op basis van haar bevindingen een rapport opgemaakt. Volgens DRZ is de CO2-uitstoot van de auto 119 gr/km, de historische nieuwprijs van de auto € 20.175, de bruto Bpm € 5.086, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van de koerslijst XRay rental van € 9.527 en bedraagt de schade aan de auto € 2.342 (uitgaande van een uurtarief van € 80 exclusief omzetbelasting), waarvan 72% (€ 1.686) in mindering komt op de handelsinkoopwaarde.
2.5.
Met dagtekening 7 mei 2021 heeft de Inspecteur op grond van de bevindingen van DRZ aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 1.646.
2.6.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard vanwege een lagere CO2-uitstoot van de auto dan waar in de naheffingsaanslag rekening mee was gehouden. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag daarom verminderd tot € 1.299.
2.7.
In de beroepsprocedure heeft belanghebbende aangegeven dat een gewijzigd inzicht ertoe leidt dat er geen ruimte is naast de X-Ray afwaardering een aanvullende waardevermindering vanwege ‘ex-rental’ in aanmerking te nemen, zodat de reparatiekosten uit het taxatierapport met € 1.193 moeten worden verminderd en de waardevermindering wegens reparatiekosten op € 5.545 (= € 6.938 -/- € 200 -/- € 1.193) moet worden gesteld. Belanghebbende heeft in de beroepsprocedure tevens aangegeven dat niet in geschil is dat de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat (vóór correcties) € 9.527 bedraagt en de historische nieuwprijs € 20.175.
2.8.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat DRZ bij de berekening van de schade aan de auto is uitgegaan van unilak, terwijl de auto is uitgerust met metallic lak. De Rechtbank heeft de aannemelijk gemaakte schade aan de auto vastgesteld op € 2.842 [1] en 72% van dat bedrag in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto vóór correcties. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag daarom (verder) verminderd tot € 1.261 en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van € 1.774 respectievelijk € 360.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag, zoals die luidt na de uitspraak van de Rechtbank, tot het juiste bedrag is vastgesteld. In hoger beroep is in dat verband tussen partijen alleen nog in geschil of belanghebbende de door haar verdedigde waardevermindering van de auto aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij is specifiek in geschil of:
  • i) belanghebbende de door haar gestelde schade aannemelijk heeft gemaakt;
  • ii) belanghebbende de door haar gestelde kosten voor reparatie van de schade aannemelijk heeft gemaakt, waaronder een uurtarief van € 84 per uur;
  • iii) belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat een groter deel dan 72% van de reparatiekosten leidt tot waardevermindering van de auto; en
  • iv) of ‘geen oordeel kilometerstand’ door de RDW leidt tot waardevermindering?
3.2.
Belanghebbende stelt dat zij met het taxatierapport de ‘schade’ aannemelijk heeft gemaakt en dat de bijbehorende reparatiekosten € 5.745 bedragen. Zij stelt dat dit leidt tot een vermindering van de handelsinkoopwaarde van de auto wegens meer dan normale gebruiksschade met € 5.545. Daarnaast stelt belanghebbende, tevens onder verwijzing naar het taxatierapport, dat het ontbreken van een oordeel van de RDW over de juistheid van de kilometerstand leidt tot een waardevermindering van € 1.250.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag zoals die luidt na de uitspraak van de Rechtbank niet te hoog is. Hij voert aan dat belanghebbende niet meer schade aannemelijk heeft gemaakt dan de Rechtbank heeft aangenomen en dat die schade niet leidt tot een grotere waardevermindering dan waarvan de Rechtbank is uitgegaan. Van de omstandigheid dat de RDW ‘geen oordeel kilometerstand’ heeft gegeven gaat volgens de Inspecteur geen waardevermindering uit.

4.Beoordeling van het geschil

Kan het taxatierapport als bewijs dienen?
4.1.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxateur de waarde niet naar waarheid heeft vastgesteld en dat geen sprake is geweest van een gedegen fysieke opname. De Inspecteur heeft ter onderbouwing gesteld dat het erop lijkt dat de auto op een eerder tijdstip en een eerdere dag is opgenomen dan in het taxatierapport is vermeld en dat de werkzaamheden niet in een half uur kunnen zijn verricht. Volgens de Inspecteur hebben deze gebreken tot gevolg dat het taxatierapport niet kan dienen als bewijs voor enige waardevermindering.
4.2.
In het taxatierapport is als inspectiedatum 16 september 2020 en als inspectiemoment 12:37 tot 13:07 uur opgenomen. In de fotorapportage is een foto opgenomen met het tijdstip 10:08 uur en datum 15 september Het feit dat een van de foto’s een datum heeft van de dag voor het inspectiemoment is voor het Hof, gelet op de verklaring hiervoor door de taxateur ter zitting, geen reden het taxatierapport ter zijde te schuiven. Ook de hoeveelheid werkzaamheden die de taxateur in een half uur heeft verricht, is voor het Hof geen reden het taxatierapport in zijn geheel ter zijde te schuiven.
4.3.
Voor zover in het taxatierapport gebreken zitten, kunnen die gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Het Hof onderwerpt hierna de inhoud van het taxatierapport van belanghebbende wat betreft de gestelde schade en waardedruk aan een beoordeling. [2]
Meer dan normale gebruiksschade
4.4.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die in het kader van de taxatiemethode bij het vaststellen van de vermindering van Bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting – zoals hier – dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben (vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3). Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.5.
DRZ heeft meer dan normale gebruiksschade waargenomen op de voorportieren, de zijwanden aan de achterzijde, de achterklep, de achterbumper, de motorkap en de voorbumper van de auto.
4.6.
Belanghebbende stelt onder verwijzing naar het taxatierapport dat de auto, gelet op de leeftijd en de kilometerstand, op meer plaatsen dan DRZ heeft geconstateerd meer dan normale gebruiksschade heeft.
4.7.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade waarmee (alsnog) rekening moet worden gehouden. In het taxatierapport zijn verschillende foto’s opgenomen. Op grond van deze foto’s en op grond van hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van meer krassen of andere gebruikssporen die niet passen bij de leeftijd en kilometerstand van de auto, dan waarmee DRZ al rekening heeft gehouden. Er is wat betreft de door belanghebbende gestelde meerdere schade twijfel blijven bestaan en die twijfel werkt zoals aangegeven in het nadeel van belanghebbende.
4.8.
Daarom acht het Hof het niet aannemelijk dat sprake is van meer meer dan normale gebruiksschade aan de auto dan waar de Rechtbank rekening mee heeft gehouden. De omstandigheid dat het hier, zoals gesteld door belanghebbende, gaat om een jonge auto met een lage kilometerstand maakt dit niet anders.
Omvang van de schade
4.9.
Ook voor de omvang van de schade geldt dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende, die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.
4.10.
Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat DRZ heeft gerekend met onrealistische tijden voor de arbeid, dat DRZ ten onrechte slechts 50% heeft toegekend voor spuiten, hetgeen leidt tot kleurverschil, dat de motorkap en bumper niet alleen gepolijst moesten worden maar ook spuitwerk nodig was en dat DRZ ten onrechte heeft gerekend met een uurtarief van € 80. Volgens belanghebbende geldt in de markt een tarief van € 84, is het overleggen van facturen geen constitutief vereiste en heeft de Inspecteur in andere zaken een tarief van € 84 wel redelijk geacht.
4.11.
De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.12.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast aannemelijk te maken dat de omvang van de schade groter is dan waarmee de Rechtbank in haar uitspraak rekening heeft gehouden. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende de onder 4.10 weergegeven stellingen niet van onderbouwing voorzien. Zo blijkt niet uit het dossier dat een uurtarief van € 80 in casu niet reëel is en dat naast polijsten ook spuitwerk noodzakelijk is. Voor zover belanghebbende met de stelling dat de Inspecteur in andere zaken een tarief van € 84 wel redelijk acht heeft bedoeld een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in die andere zaken sprake is van gelijke gevallen.
4.13.
Het Hof gaat daarom, net als de Rechtbank, uit van een omvang van de schade aan de auto van € 2.842.
Waardedrukkend effect van de schade
4.14.
De omvang van het waardedrukkende effect van de aannemelijk gemaakte schade op de handelsinkoopwaarde van de auto, houdt partijen eveneens verdeeld. Belanghebbende stelt dat met het verdwijnen van normale gebruikssporen voldoende rekening is gehouden door op de herstelkosten € 200 in mindering te brengen. Zij wijst ter onderbouwing naar de Autotelex matrix in het taxatierapport. De Inspecteur neemt het standpunt in dat slechts 72% van de herstelkosten in aanmerking kan worden genomen.
4.15.
Voor het bepalen van de waardevermindering als gevolg van schade is met ingang van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2022 in onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 het bewijsvermoeden opgenomen dat die waardevermindering wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%, met dien verstande dat voor de belastingplichtige een tegenbewijsregeling geldt. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat voor de onderhavige auto een hoger waardeverminderingspercentage dan 72% in aanmerking moet worden genomen. Voor de vraag of er aanleiding is meer dan 72% van de berekende reparatiekosten in aanmerking te nemen, moet worden gekeken naar diverse feiten en omstandigheden ten aanzien van de auto in kwestie. Een dergelijke beoordeling vergt dus een op de auto toegesneden beoordeling. Het Hof verwerpt daarom de door belanghebbende gehanteerde algemene benadering in de vorm van een algemene tabel. De waardevermindering als gevolg van schade dient derhalve op 72% te worden gesteld.
Waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’?
4.16.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand en dat dit de auto blijvend volgt, reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 1.250.
4.17.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende. [3]
4.18.
Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat er geen aanwijzingen zijn voor een onjuiste of onbetrouwbare kilometerstand van de auto. Gelet daarop is belanghebbende er niet in geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.
Verschuldigde Bpm
4.19.
Het voorgaande betekent dat de naheffingsaanslag, zoals die luidt na de uitspraak van de Rechtbank, niet te hoog is vastgesteld.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen grond voor vergoeding van het griffierecht en proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. A.E. Keulemans en, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit bedrag bestaat uit de eerder door DRZ vastgestelde schade van € 2.342 verhoogd met € 500.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3910.
3.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22.