In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van Bartels, handelend namens belanghebbende, behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging.
Het hof heeft Bartels meerdere malen de gelegenheid geboden om een door belanghebbende ondertekende machtiging te overleggen binnen een gestelde termijn. Deze machtiging werd echter pas na de termijn ingediend en was bovendien niet door belanghebbende ondertekend. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat het beroepschrift rechtsgeldig was ingediend.
Op grond van de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het hof tot het oordeel gekomen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tevens is het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat niet tijdig is gebleken dat Bartels bevoegd was dit verzoek te doen.
Het hof heeft geen aanleiding gezien om griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te wijzen. De uitspraak is op 16 december 2025 in het openbaar gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.