ECLI:NL:GHARL:2025:8235

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.361.625/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissement en de beoordeling van belang en misbruik van bevoegdheid in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de faillietverklaring van [schuldenaar]. De rechtbank Noord-Nederland had op 11 november 2025 het verzoek van [schuldeisers] tot faillietverklaring toegewezen. [schuldenaar] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, stellende dat [schuldeisers] geen redelijk belang hebben bij het faillissement en dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. Het hof heeft de procedure in hoger beroep gevolgd, waarbij onder andere de mondelinge behandeling op 10 december 2025 heeft plaatsgevonden. Tijdens deze zitting waren zowel [schuldenaar] als zijn beschermingsbewindvoerder aanwezig, evenals de curator en de advocaat van [schuldeisers]. Het hof heeft vastgesteld dat aan de vereisten voor een faillietverklaring is voldaan, en dat [schuldeisers] een voldoende belang hadden bij hun verzoek. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van misbruik van bevoegdheid, en dat de omstandigheden die door [schuldenaar] zijn aangevoerd niet zwaar genoeg wegen om het faillissementsverzoek te verwerpen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarmee de faillietverklaring van [schuldenaar] is bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.361.625/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/25/317 F)
arrest van 18 december 2025
in de zaak van
1. [beschermingsbewindvoerder]handelend onder de naam West-Friesland Bewindvoering, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [schuldenaar] ,
2. [schuldenaar],
voorheen handelend onder de naam Handelsonderneming [naam1] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
hierna te noemen:
[schuldenaar],
advocaat: mr. I.J. Woltman, die kantoor houdt in Leeuwarden,
tegen

1.[geïntimeerde1] ,

die is gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
2. [geïntimeerde2],
die is gevestigd in [vestigingsplaats2] ,
hierna te noemen:
[schuldeisers],
advocaat: mr. J.W. Hilhorst, die kantoor houdt in Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft in het vonnis van 11 november 2025 het verzoek van [schuldeisers] tot faillietverklaring van [schuldenaar] toegewezen, met benoeming mr. N.A. Baarsma tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. C. Grondsma tot curator.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
[schuldenaar] heeft in een beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 17 november 2025, verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en het door [schuldeisers] ingediende verzoek tot faillietverklaring alsnog af te wijzen.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken. Van mr. Woltman is ontvangen een brief met bijlagen van 5 december 2025, een e-mail met bijlage van diezelfde datum en een brief met bijlagen van 8 december 2025. Van mr. Hilhorst is ontvangen een brief met bijlagen van 8 december 2025 en een verweerschrift op 9 december 2025. Van de curator is een reactie op het beroepschrift met bijlagen van 8 december 2025 ontvangen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2025, waarbij zijn verschenen [schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] , bijgestaan door mr. Woltman. Ook de curator was aanwezig. Mr. Hilhorst heeft met toestemming van het hof en zonder bezwaar van de andere partijen via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

3.De beoordeling

Het oordeel van de rechtbank
3.1
De rechtbank heeft het verzoek van [schuldeisers] om [schuldenaar] in staat van faillissement te verklaren toegewezen. De rechtbank oordeelde dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvragers, pluraliteit van schuldeisers en een toestand van hebben opgehouden te betalen. Het verweer dat een faillissement geen enkel doel zou dienen, is door de rechtbank verworpen.
Het beroep van [schuldenaar]
3.2
kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen. Hij stelt dat [schuldeisers] geen redelijk belang hebben bij het faillissement, omdat er geen baten te verwachten zijn. Dit was op het moment van het indienen van het faillissementsverzoek bekend bij [schuldeisers] Daarnaast is er volgens [schuldenaar] sprake van misbruik van bevoegdheid, omdat het belang van [schuldeisers] bij het faillissement niet opweegt tegen het belang van [schuldenaar] dat hierdoor wordt geschaad. [schuldenaar] was namelijk van plan om, nadat in 2026 alle belastingaangiften zijn gedaan, een schuldhulptraject aan te vragen met als doel om tot een schuldenregeling te komen. Dit proces wordt gefrustreerd door het faillissement. Bovendien neemt de schuldenlast van [schuldenaar] als gevolg van het faillissement toe met de kosten van de curator.
Het standpunt van [schuldeisers]
3.3
betogen dat zij voorafgaand aan de faillietverklaring niet konden overzien of er wel of geen baten zouden zijn, omdat zij geen inzage hebben gehad in de inkomens- en vermogenspositie van [schuldenaar] . [schuldenaar] had een betalingsregeling met [schuldeisers] , maar die is op enig moment door de bewindvoerder gestopt, zonder nadere toelichting op de inkomens-en vermogenspositie van [schuldenaar] . [schuldeisers] hadden er daarom wel degelijk belang bij dat de curator onderzoek zou doen. Er is ook nu nog een gerechtvaardigd belang bij het faillissement, zodat de curator onderzoek kan doen, onder meer naar de vraag wat er met de geleverde bouwmaterialen is gebeurd en of er nog een vordering voortvloeit uit de projecten die met die materialen zijn uitgevoerd. Voor een voldoende belang bij de faillissementsaanvraag is niet vereist dat de schuldeiser al dan niet een uitkering uit het faillissement kan verwachten, aldus [schuldeisers] Van misbruik van bevoegdheid is ook geen sprake.
Het standpunt van de curator
3.4
De curator steunt de gronden waarop het beroepschrift rust en verzet zich niet tegen vernietiging van het vonnis. Er zijn geen baten te verwachten bij de failliet en een faillissement zal hoge kosten met zich brengen, aldus de curator.
De beoordeling van het hof
3.5
Het hof stelt vast dat aan de vereisten voor een faillietverklaring is voldaan. [schuldenaar] erkent ook dat [schuldeisers] vorderingen op hem hebben, dat sprake is van meerdere schuldeisers en dat hij verkeert in de toestand van hebben opgehouden te betalen. Een en ander volgt ook uit het verslag dat de curator heeft uitgebracht.
3.6
Een faillissementsverzoek kan worden afgewezen als bij dat verzoek een voldoende belang ontbreekt of misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid een faillissement aan te vragen.
3.7
Het hof is van oordeel dat [schuldeisers] ten tijde van hun verzoek en de toewijzing daarvan een voldoende belang bij het faillissement hadden. Mogelijk is dat een schuldeiser onvoldoende belang bij een faillissement heeft als de boedel van de failliet leeg is. De mededeling van [schuldenaar] en/of zijn beschermingsbewindvoerder dat de boedel leeg was, maakte echter niet dat [schuldeisers] onvoldoende belang hadden bij hun verzoek en dat zij dat verzoek achterwege hadden moeten laten of hadden moeten intrekken. Aan [schuldeisers] is destijds geen nadere en onderbouwde uitleg gegeven over de financiële positie van [schuldenaar] en over bijvoorbeeld de bestemming van de door hem bij [schuldeisers] ingekochte bouwmaterialen. [schuldeisers] wijzen erop dat zij in juni 2025 nog een betalingsregeling met [schuldenaar] hadden gesloten, en dat zij vervolgens ook een betaling hadden ontvangen. [schuldenaar] heeft in juni 2025 bovendien aan het incassobureau gemeld dat hij een grote betaling verwachtte. [schuldeisers] merken terecht op dat het voor hen dan ook niet duidelijk was dat er geen actief zou zijn. Daarbij tekent het hof aan dat het faillissement er mede toe dient dat de curator ten behoeve van de schuldeisers onderzoekt of en, zo ja, in hoeverre de schuldenaar verhaal biedt. In dat kader beschikt de curator ook over bevoegdheden die hem in staat stellen om eventuele vermogensbestanddelen van de schuldenaar te achterhalen (en vervolgens te gelde te maken en te verdelen tussen de schuldeisers).
3.8
Het hof is overigens van oordeel dat [schuldeisers] ook ten tijde van de beoordeling in hoger beroep nog een voldoende belang hebben bij het faillissement. De curator heeft weliswaar geconcludeerd dat er geen baten zijn te verwachten, maar naar het oordeel van het hof is het onderliggende onderzoek door de curator vooralsnog te beperkt van karakter om tot deze vaststelling te kunnen komen. De curator heeft ter zitting verklaard dat zij zich met name heeft gebaseerd op het onderzoek van de beschermingsbewindvoerder met betrekking tot de inkomens- en vermogenspositie van [schuldenaar] . Een substantieel eigen onderzoek, bijvoorbeeld naar (het bestaan van) en in de administratie van [schuldenaar] , heeft niet plaatsgevonden. Ter zitting heeft [schuldenaar] verklaard dat hij met de aangekochte bouwmaterialen van [schuldeisers] een chalet zou gaan bouwen, maar dat deze opdracht nooit is afgemaakt, waarna de klant het half afgebouwde chalet kennelijk zonder te betalen heeft opgehaald. Dit terwijl [schuldenaar] eind juni 2025 in het kader van de betalingsregeling tegen het incassobureau nog heeft gezegd dat hij een grote uitbetaling verwachtte. Het kan dus niet op voorhand al worden uitgesloten dat er nog vorderingen op debiteuren zijn.
Daarnaast is gebleken dat op het adres van de onderneming van [schuldenaar] een nieuwe onderneming is ingeschreven met een identieke bedrijfsomschrijving. De vader van [schuldenaar] heeft ter zitting verklaard dat hij deze nieuwe onderneming is begonnen om het werk van [schuldenaar] wilde voort te zetten. Gelet op deze omstandigheden ligt het in de rede dat een uitgebreider onderzoek zal plaatsvinden naar bijvoorbeeld eventuele debiteurenvorderingen en naar het gebruik van de door [schuldeisers] geleverde zaken. Het hof kan op basis van de thans beschikbare informatie niet vaststellen dat geen baten zijn te verwachten. [schuldeisers] hebben om die reden nog steeds belang bij het faillissement.
3.9
Van misbruik van bevoegdheid bij een faillissementsaanvraag is onder meer sprake bij een onevenredigheid tussen het doel dat met het uitoefenen van de bevoegdheid wordt gediend en de belangen die daarmee worden geschaad. Gezien de hierboven in nr. 3.7 en 3.8 geschetste onduidelijkheden en het belang van een onderzoek door de curator, wegen de in nr. 3.2 genoemde omstandigheden die zijn aangedragen door [schuldenaar] niet zwaar genoeg om aan te nemen dat [schuldeisers] in redelijkheid niet hadden kunnen komen tot het faillissementsverzoek. Van misbruik van bevoegdheid is dus geen sprake.
Slotsom
3.1
Aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Er is geen sprake van het ontbreken van een voldoende belang dan wel misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [schuldeisers] Daarom zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 november 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. A.A.J. Smelt, mr. J. Smit en mr. E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2025.