ECLI:NL:GHARL:2025:7792

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
21-005064-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis politierechter inzake hennepteelt en diefstal van elektriciteit

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 5 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte, geboren in 1993, was eerder veroordeeld voor hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Het hof heeft het hoger beroep behandeld na een zitting op 21 november 2025. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van 31 oktober 2023, waarin hij was veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte werd beschuldigd van het telen van 98 hennepplanten en het illegaal afnemen van elektriciteit van een netbeheerder. Het hof heeft de bewijsvoering beoordeeld, inclusief de rechtmatigheid van de doorzoekingen in de auto en de woning van de verdachte. Het hof oordeelde dat de doorzoekingen rechtmatig waren en dat er geen sprake was van vormverzuim. De verdachte werd schuldig bevonden aan de tenlastegelegde feiten, en het hof legde een taakstraf op van 70 uren, met aftrek van voorarrest. Het hof hield rekening met een vormverzuim met betrekking tot het onderzoek van de smartphone van de verdachte, wat leidde tot een strafmatiging. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat ook in de strafoplegging werd meegenomen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005064-23
Uitspraakdatum: 5 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2023 met parketnummer 16-048840-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een taakstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte door zijn raadsman, mr. C.J. Nierop, heeft aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter verdachte ter zake van de onder 1 (hennepteelt) en 2 (diefstal van stroom) tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2021 tot en met 23 januari 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan het [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 98 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;2.
hij in of omstreeks de periode van 27 september 2020 tot en met 23 januari 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof zal hieronder ingaan op de bewijsverweren die door de verdediging zijn gevoerd.
Onderzoek in de auto
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking in de auto van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden en dat geen sprake is van een vormverzuim. Er was sprake van een controle in de auto van verdachte op basis van de Wegenverkeerswet. Vervolgens troffen de verbalisanten daarin een drukhouder aan. Op basis van de ervaring van de verbalisanten waren zij bekend met het feit dat daarbij in de kofferbak vaak verdovende middelen worden vervoerd. Vanuit de Wegenverkeerswet werd overgeschakeld naar toepassing van de Wet op de Economische Delicten (WED) om te kijken naar de auto, nu daar in dit geval een reden voor was. In de kofferbak werd een vuilniszak aangetroffen die naar hennep rook. Voor toepassing van artikel 23 WED volstaat een ‘aanwijzing’, die een controletoets bevat.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende concrete aanwijzingen waren dat verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de WED. De aanhouding en doorzoeking van het voertuig waarin verdachte reed waren zodoende onrechtmatig, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de doorzoeking en daarmee tot vrijspraak.
In de auto van verdachte bevond zich minder dan twee kilogram lachgas, wat niet strafbaar is.
Voorts is bepleit dat artikel 23 WED de verbalisanten enkel de bevoegdheid geeft tot het onderzoeken van de auto, maar niet tot het doorzoeken. Het openen van de afgesloten kofferbak, daar in een afgesloten tas kijken en ruiken gaat verder dan de strekking van artikel 23 WED, zodat het opsporingsmiddel onrechtmatig is ingezet. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de doorzoeking.
Oordeel van het hof
Verdachte is op 22 januari 2021 onderworpen aan een verkeerscontrole op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet. [verbalisant] trof tijdens de controle een grote drukhouder aan op de grond bij de bijrijdersstoel. Omdat het de verbalisant bekend was dat dergelijke drukhouders worden gebruikt om lachgas te transporteren, hebben de verbalisanten de auto vervolgens onderzocht op basis van de Wet op de Economische Delicten (WED) om te kijken of nog meer drukhouders aanwezig waren in het voertuig.
Beoordelingskader
De Hoge Raad heeft recent arrest gewezen over de reikwijdte van artikel 23 WED. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever niet heeft beoogd om binnen de bevoegdheden van artikel 23 WED een onderscheid te maken tussen ‘zoekend rondkijken’ en ‘doorzoeken’. Het onderzoek aan vervoermiddelen en hun lading moet plaatsvinden in het belang van de opsporing, met het oog op de naleving van de voorschriften uit de WED en mag niet verder strekken dan redelijkerwijs voor de vervulling van die taak nodig is. Volgens de Hoge Raad hoeft de uitvoering van een onderzoek zich niet uitsluitend te beperken tot ‘zoekend rondkijken’. [1]
Het hof stelt vast dat op basis van voornoemd arrest de verbalisanten rechtmatig gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheden uit artikel 23 WED. Tijdens de verkeerscontrole troffen de verbalisanten een drukhouder aan, onder de bijrijdersstoel. Dat gaf de verbalisanten een concrete aanwijzing dat er een strafbaar feit werd gepleegd, nu de betrokken verbalisant bekend was met het feit dergelijke drukhouders werden gebruikt om lachgas te transporteren. De verbalisanten mochten in het kader van hun opsporingstaak het voertuig onderzoeken en controleren op voorschriften van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit is een wettelijke controlebevoegdheid die is vastgelegd in artikel 23 WED. Het onderzoek van het voertuig was redelijkerwijs nodig ter vervulling van de opsporingstaak van de opsporingsambtenaren. Daarmee is voldaan aan het criterium dat neergelegd is in artikel 23 WED.
Anders dan de raadsman heeft bepleit, waren de verbalisanten niet uitsluitend bevoegd tot het onderzoeken van de auto van verdachte. Uit bovenvermeld arrest van de Hoge Raad leidt het hof af dat de verbalisanten tijdens het opsporingsonderzoek rechtmatig gebruik hebben gemaakt van de aan hen toegekende bevoegdheden uit artikel 23 WED.
Ten tijde van het feit op 22 januari 2021 was het nog niet verboden om lachgas voor recreatief gebruik te vervoeren, verkopen of in bezit te hebben. Dat is strafbaar gesteld sinds 1 januari 2023. Het vervoer van lachgastanken was wel strafbaar als dat niet op de juiste wijze plaatsvond, op basis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Dit wordt bevestigd door het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant] . Daaruit volgt dat er destijds veel lachgas ondeugdelijk werd vervoerd en dat [verbalisant] bij eerdere controles vaker op deze wijze lachgas in auto’s aantrof. Het aantreffen van de drukhouder gaf de verbalisanten aanleiding om de auto te onderzoeken op basis van de WED. Het hof constateert dat daarmee voor de verbalisanten aanwijzingen waren, door de wijze waarop het lachgas in de auto werd aangetroffen, dat verdachte zich mogelijk schuldig had gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De enkele omstandigheid dat destijds op het moment van aanhouding het vervoeren van minder dan twee kilogram lachgas niet strafbaar was, doet aan het voorgaande niet af.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim. De verweren van de raadsman worden verworpen.
Onderzoek in de woning
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat de woning van verdachte rechtmatig is betreden en dat ook rechtmatig de doorgang tot de woning mocht worden verschaft. De advocaat-generaal duidt de foto op pagina 30 van het strafdossier als een deur. Het betreft een groot deurvormig object met een handgreep. Door de manier waarop de deur is gebouwd, wordt de toegang verschaft tot de ruimte waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Er is geen sprake van een vormverzuim.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit dat er sprake was van een onrechtmatige doorzoeking omdat de verbalisanten een luik in de woning hebben geopend, terwijl zij daarvoor geen toestemming hadden van de rechter-commissaris. Dit maakt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dient te leiden tot bewijsuitsluiting. De verbalisanten waren slechts bevoegd om zoekend rond te kijken. Volgens de raadsman dient van de omschrijving van het luik/schot door de betrokken verbalisant te worden uitgegaan. Er was sprake van een luik en niet van een deur.
Voorwaardelijk verzoek
In het geval het hof de verdediging niet volgt in de stelling dat geen sprake is van een deur, doet de raadsman het voorwaardelijk verzoek om [verbalisant] te horen die de deur heeft beschreven als ‘luik’. Dit acht de raadsman noodzakelijk om te kunnen vaststellen of sprake was van een luik of deur.
Oordeel van het hof
Nadat de verbalisanten op 22 januari 2021 een vuilniszak met hennepafval hadden aangetroffen in de kofferbak van de auto van verdachte, hebben zij verdachte aangehouden. Daarbij zijn de huissleutels door verdachte afgestaan aan de verbalisanten.
De verbalisanten beschikten over een last tot binnentreden ter inbeslagneming. Daardoor waren zijn gerechtigd om alle vertrekken van de woning te betreden om zoekend rond te kijken. [verbalisant] zag in de slaapkamer, die zich rechts van de woonkamer bevond een deur op slot. Hij opende deze deur met een sleutel. Hij zag een houten wand met een houten ‘luik’. Hij keek langs de wand en zag een transformatiebord voor verdeling van elektriciteit, en rook een sterke henneplucht. Daarna opende hij het houten ‘luik’ en zag na het openen een in werking zijnde hennepkwekerij.
Het hof is van oordeel dat aan de benaming van ‘het luik’ door [verbalisant] en het ter terechtzitting van het hof beschreven ‘deur of luik’ geen zelfstandige juridische betekenis toekomt. Het hof stelt, mede op grond van de eigen waarneming ter zitting van de foto’s op de dossierpagina’s 30 tot en met 32, vast dat ‘deur of luik’ (hierna te noemen: deur) toegang geeft tot de afzonderlijke ruimte waar de hennepkwekerij zich bevindt. De hennepkwekerij was toegankelijk via de slaapkamer die was verbonden aan de woonkamer. Aan de van scharnieren voorziene deur was een tie-wrap vastgemaakt om deze open te kunnen doen en langs de randen van de deur was geel licht waarneembaar dat afkomstig was uit de ruimte achter de deur.
Het hof is gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat het openen van de deur niet verder gaat dan zoekend rondkijken en daardoor niet is aan te merken als een doorzoekingshandeling.
Het hof acht het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij bruikbaar voor het bewijs. Er is aldus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Voorwaardelijk verzoek
Het hof stelt vast dat de raadsman zijn eerder door de raadsheer-commissaris en vervolgens door het hof afgewezen verzoek tot het horen van [verbalisant] , ter terechtzitting van het hof heeft herhaald. Het hof heeft ter zitting het op pagina 30 van het strafdossier beschreven houten paneel geduid als ‘deur’. De raadsman heeft de door het hof beschreven omschrijving van de deur niet weersproken, ofwel aangegeven dat het om een andere deur ging. Zijn standpunt dat het om een luik gaat heeft hij herhaald. Nu echter niet de benaming maar de constructie van de toegang tot de ruimte met de hennepkwekerij (waarover kennelijk geen verschil van inzicht bestaat) bepalend is voor het oordeel of er sprake is geweest van zoekend rondkijken is het horen van de verbalisant als getuige niet van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing in het kader van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en zal het voorwaardelijk verzoek afwijzen.
Verweer periode diefstal van stroom
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken, nu er onvoldoende aanwijzingen zijn dat één oogst heeft plaatsgevonden. De productiedatum van de gipsplaten is onvoldoende om vast te stellen dat er is geoogst.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van stroom wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en acht de lezing van de feiten door de verdediging niet aannemelijk geworden.
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen
Ten aanzien van feiten 1 en 2:
1.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 23 januari 2021, genummerd PLO900-2021023954-3, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover — zakelijk weergegeven – inhoudende (p. 7 e.v.)
Ik hoorde collega [naam] zeggen dat er een grote drukhouder op de grond lag bij de bijrijderstoel. Ik hoorde collega [naam] zeggen dat het mogelijk om een drukhouder ging waar veelal ‘lachgas’ in wordt vervoerd. Hierop deelde ik [verdachte] mede dat wij zijn voertuig gingen onderzoeken op basis van de Wet Economische Delicten. Ik hoorde collega [naam] zeggen dat hij een sterke hennepgeur rook, komende uit de vuilniszak. Ik zag dat de zak gevuld was met hennepafval dan wel hennep.
Hierna zijn wij naar de woning gegaan aan de [adres] , [plaats] . Nadat ik de machtiging had ontvangen van de officier van dienst. Binnen aangekomen hebben wij zoekend rondgekeken. Ik hoorde collega [naam] zeggen dat aan hennepkwekerij aantrof in één van de slaapkamers van de woning. Kort hierna rook ik een sterke hennepgeur in de woning.
2.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 23 januari 2021, genummerd PLO900-2021023954-1, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover — zakelijk weergegeven — inhoudende (p. 25 e.v.)
Een onderzoek op het adres [adres] , [plaats] . In voornoemde
woning werd op vrijdag 22 januari 2021, binnengetreden krachtens een afgegeven machtiging van de hulpofficier van justitie, [naam] .
Na het binnentreden zag ik het volgende:
In een slaapkamer was een kweekhok gebouwd. De ruimte voor het kweekhok deed dienst als ruimte voor een waterton met dompelpomp, een schakelbord met tijdschakelaar die was ingesteld van 05.00 uur tot 23.00 uur (18-uurs cyclus,), 12 voorschakelapparaten, wat groeimiddelen die in flessen op de grond stonden, andere bedieningsapparaten voor apparatuur in de kweekruimte en een ph-meter.
De kweekruimte zelf was 3,23 meter x 2,97 meter groot. Ik zag dat er 98 kleine hennepplanten (max 2 weken oud) stonden, onder 12 kweeklampen. Ik zag dat er een koolstoffilter hing aan het plafond, een slakkenhuisventilator, een opticlimate klimaat kast, een hotbox, een kachel en zes ventilatoren. Tussen de planten lagen twee thermo/hygro meters. Ook stond er een vernevelaar tussen de planten. Ik zag dat er met pvc leidingen een bevloeiingssysteem was aangelegd.
In totaal stonden er 98 hennepplanten. Per m2 stonden er 10 planten. Voor de belichting werd gebruik gemaakt van kunstlicht, geschakeld op tijdklokken. In totaal hingen er in de kweekruimte 12 lampen.
De hennepplanten werden door middel van een centraal geregeld bevloeiingssysteem of druksysteem van een voedingsoplossing voorzien. Voor het kweken van de hennepplanten werd gebruik gemaakt van een afgescheiden, afgeschermde en/of verdeelde ruimte, binnen of buiten. De kweekruimte was geïsoleerd met betrekking tot daglicht en temperatuur. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. In de kweekruimte werd gebruik gemaakt van verwarming, thermostaat- of computer gestuurd. Voor het kweken van de hennepplanten werd gebruik gemaakt van speciaal verrijkte aarde, potgrond. Verwerking vond plaats in eigen beheer of werd uitbesteed. Er werd gebruik gemaakt van C02 toevoeging.
Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren. Ik constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten waren. Ik stelde voor een representatieve bemonstering een aantal hennepplanten veilig. Deze monsters testte ik met gebruikmaking van de cannabistest. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor hennep of THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij hennepkwekerijen meestal diefstal van elektriciteit plaatsvindt. Om een veilige werksituatie te creëren en het mogelijk te maken dat de hennepkwekerij geruimd kon worden, werd op grond van artikel 3 Politiewet 2012 de meterkast geopend. De elektriciteitsvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door een fraude-inspecteur bij de netbeheerder [bedrijf] , in mijn aanwezigheid. Hierbij werd geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat de voedingskabel van de elektra voor de hennepkwekerij in de meterkast was aangesloten voor de meter, waardoor de afname van de elektriciteit niet door de meter werd geregistreerd. Als verdachte is aangemerkt: [verdachte] . Reden voor de verdenking is: Bleek ingeschrevene en bewoner van de woning, had ook de sleutels van de woning in zijn bezit.
3.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een aangifte van [bedrijf] , ondertekend op 28 januari 2021, voor zover — zakelijk weergegeven — inhoudende (p. 58 e.v.):
[bedrijf] heeft vanaf 28 juni 2020 met [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar het perceel [adres] te [plaats] . Uit het door [bedrijf] ingestelde onderzoek is gebleken dat er een hennepplantage was ingericht in ieder geval in de periode van 27 september 2020 tot 23 januari 2021. Minimaal 26295 kWh is illegaal afgenomen. De fraudespecialist constateerde op 23 januari 2021 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan: De eerdergenoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken na het verwijderen van het deksel van de aansluitkast zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit.
En als bijlage: foto 11 met beschrijving: knipschaar met hennepresten.
4.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 11 februari 2021, genummerd PLO900-2021023996-16, opgemaakt door [verbalisant] en [verbalisant] , aspiranten van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover– zakelijk weergegeven — inhoudende, als bevindingen van voornoemde verbalisanten of één van hen (p. 80 e.v.):
[adres] . Ik, [verbalisant] , zag dat de voordeur van dit pandnummer gelegen was twee deuren links van het pand aan de [adres] op dezelfde galerij. Ik belde aan, en trof daar bewoner [naam] . Ik hoorde hem zeggen dat hij sinds oktober 2020 een zoemend geluid hoorde voor de woning [adres] . Ik hoorde hem zeggen dat hij dit geluid hoorde in de nachtelijke uren. Ik hoorde hem zeggen dat hij het geluid herkende als zijnde het geluid van een airconditioner of luchtfilter. Ik hoorde hem zeggen dat hij dan ook soms hennep geuren waarnam.
5.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 9 februari 2021, genummerd PLO900-2021023996-14, opgemaakt door [verbalisant] , aspirant van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover — zakelijk weergegeven — inhoudende (p. 132 e.v.)
Op 22 januari 2021 werd binnengetreden in de woning van verdachte aan het [adres] in [plaats] .
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993, stond op het moment van binnentreden als enige bewoner sinds 4 juni 2020 ingeschreven in de Gemeentelijk
Basis Administratie aan het Adres [adres] in [plaats] . In de woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 98 planten. Verder werd er een vuilniszak met hennepafval aangetroffen, 35 gram droge hennep in een zakje en een witte emmer.
- De woning leek ingericht voor hennepteelt. Er was een slaapkamer ingericht als kweekruimte, een andere slaapkamer werd gebruikt als opslag, in de woonkamer was een bank en salontafel aanwezig, maar er was geen bed aanwezig,
- De eerste datum op het huurcontract van de woning, te weten 4 juni 2020.
6.
Een eigen waarneming van het hof, zoals blijkt uit het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof d.d. 21 november 2025:
Bij binnenkomst van de kamer is op korte afstand een wand van gipsplaten te zien. Met betrekking tot de onderste foto op pagina 31 van het strafdossier.
Rechts in beeld is een bevestigingspunt van een stuk hout te zien dat een hoek heeft. Het lijkt een scharnier te zijn. Dat kan de onderkant van de betreffende deur of luik zijn. Er is sprake van constructie die bij de opening toegang geeft tot ruimte achter de gipsplaat. Aan de onderkant begint dat stuk hout nog niet. Er is een kozijn zichtbaar en circa dertig centimeter onder dat bevestigingspunt is een hoek te zien van iets wat een houtplaat lijkt te zijn. Dat duidt erop dat wanneer als je dat stuk hout naar je toe hebt getrokken je iets omhoog moet stappen om binnen te komen.
Ten aanzien van de onderste foto op pagina 32 van het strafdossier.
Er is geel licht te zien, wat overeenkomt met de bovenste foto op pagina 30 van het strafdossier en wordt bevestigd door de bovenste foto op pagina 33. De lampen geven een geel licht, waardoor de indruk wordt gewekt dat dit hetzelfde licht is als op de bovenste foto op pagina 30 rond de omtrek van het stuk hout te zien is. In de ruimte wordt er op de grond een zeil opgetrokken, zwart plasticachtig, dat aan de plooien te zien, is vastgemaakt waardoor het overeind blijft. Het is het hof ambtshalve bekend dat er bij dit soort constructies weleens overstromingen plaatsvinden waardoor het handig kan zijn om plastic eronder te leggen, zodat er niet meteen lekkage is. De hoogte van het plastic verklaart waarom een verhoging is te zien, voordat de deur of luik feitelijk begint. Wanneer je de deur opent, loop je de hennepkwekerij in met een hogere instap. De deur of luik heeft geen deurklink, maar zit vast met een tie-wrap waaraan je kan trekken om binnen te komen. Dat is de ingang naar de hennepkwekerij.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 23 januari 2021 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan het [adres] ) een hoeveelheid van 98 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2.
hij in de periode van 27 september 2020 tot en met 23 januari 2021 te [plaats] , een hoeveelheid elektriciteit die geheel aan [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde delicten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke gepleegde feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat verdachte zich in de periode van 16 januari 2021 tot en met 23 januari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het telen van een hoeveelheid hennep, waarbij tevens door een illegale stroomaansluiting elektriciteit is gestolen. Hij heeft puur voor het geldelijk gewin een bijdrage geleverd aan het produceren van een stof die - eenmaal in het verkeer gebracht - schadelijk kan zijn voor de gebruikers van die stof. Het gebruik van de op lijst II van de Opiumwet voorkomende middelen - de hennepproducten - brengt risico's mee voor de gezondheid van gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de aanwezigheid in de samenleving én indirect aan het in stand houden van de (illegale) handel in hennep en de daaraan gerelateerde criminaliteit.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij eerder in de vorm van een strafbeschikking onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit, namelijk het aanwezig hebben van hennep. Tevens is verdachte meermaals voor andersoortige strafbare delicten onherroepelijk veroordeeld. Het hof houdt daarnaast rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;
  • de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte werkt als ZZP’er in de zorg en kampt met schulden.
Vormverzuim onderzoek telefoon
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in het kader van de strafmaat verzocht om strafmatiging, aangezien de politie de telefoon van verdachte volledig heeft uitgelezen zonder dat een daartoe strekkend bevel is afgegeven door de officier van justitie of rechter-commissaris. Daarmee is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat dient te leiden tot strafvermindering. Het nadeel van verdachte bestaat uit het door de overheid verkrijgen van een compleet beeld van bepaalde aspecten van diens leven. Daarnaast heeft verdachte nadeel ondervonden door het feit dat de inhoud van zijn uitgelezen telefoon staat gearchiveerd op een server van de politie, dat de onderzoeksresultaten voor iedere verbalisant toegankelijk zijn en geen maatregelen zijn getroffen over de bewaring van diens gegevens.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, omdat de bestanden zijn uitgelezen met behulp van technische hulpmiddelen, zonder voorafgaand bevel van de officier van justitie of een rechter-commissaris. Daarmee is een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op het privéleven van de verdachte.
Evenwel moet worden volstaan met de constatering van dit verzuim, aangezien de ernst hiervan beperkt is en er geen bewijsmiddel uit is gevolgd. Een schending van artikel 8 EVRM levert niet zonder meer een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborgen van een eerlijk proces.
De raadsman heeft nagelaten te concretiseren welk nadeel verdachte heeft ondervonden van het feit dat de gegevens uit zijn telefoon waren opgeslagen bij de politie. Uit het dossier blijkt dat niet elke verbalisant toegang heeft tot de opgeslagen gegevens van de telefoon van verdachte. Deze gegevens vallen onder het protocol van de Wet politiegegevens.
Oordeel van het hof
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat door de wijze waarop de politie de smartphone van verdachte heeft onderzocht een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte is gemaakt. Het ontbreken van voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris tot zo’n onderzoek is dan ook een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. [2] Dat betekent dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het recht van verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en dus van een schending van artikel 8 EVRM.
Het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is een grondrecht en de inbreuk daarop kan in dit geval als ingrijpend worden aangemerkt, zoals de raadsman heeft bepleit. Op de smartphone van verdachte kon persoonlijke informatie worden geraadpleegd van verdachte.
Anders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim. Evenwel is het hof van oordeel dat onder deze omstandigheden het verzuim, mede in aanmerking genomen het belang dat het geschonden voorschrift dient, niet verder toe heeft geleden dan een schending van he recht op privacy. De raadsman heeft in zijn pleidooi algemene bewoordingen gewijd aan de wijze waarop de telefoongegevens van verdachte zijn opgeslagen en zouden kunnen worden ingezien. Het hof stelt vast dat de raadsman geen concrete argumenten heeft bepleit waaruit blijkt dat verdachte door de handelwijze van de politie – die in overeenstemming was met het protocol – enig ander nadeel heeft ondervonden.
Het hof zal vanwege voornoemd vormverzuim een reductie toepassen in de op te leggen straf, zoals hieronder wordt weergegeven.
Schending van de redelijke termijn
Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de redelijke termijn. De termijn die voor de afdoening in eerste aanleg en hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren.
Verdachte is voor deze strafzaak op 23 januari 2021 in verzekering gesteld. De politierechter heeft vervolgens op 31 oktober 2023 vonnis gewezen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ruim negen maanden.
Uit het dossier blijkt verdachte op 1 november 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Onderhavige strafzaak is bij onderhavig arrest van 5 december 2025 afgedaan door het hof. Dit betekent dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van één maand.
Een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep wordt in beginsel gecompenseerd door strafvermindering. In bepaalde gevallen kan (na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn) echter worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. [3]
Eén van deze gevallen betreft de situatie zoals deze zich voordoet in de onderhavige zaak. In de ontnemingszaak van verdachte, die aan deze strafzaak is gekoppeld, is in de fase van het hoger beroep, ook geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Die overschrijding heeft tot dusdanige matiging van de aan verdachte opgelegde betalingsverplichting geleid, dat het hof de schending van de redelijke termijn in de onderhavige strafzaak daardoor voldoende gecompenseerd acht.
Het hof ziet derhalve in de overwegingen van het hof in de ontnemingszaak waarin – bij de bepaling van de hoogte van de betalingsverplichting – in zeer ruime mate is gecompenseerd aanleiding om in deze strafzaak te volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden en aldus inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
Het hof acht in beginsel een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, aangewezen. Gelet op het vormverzuim in het voorbereidingsonderzoek ten aanzien van het onderzoek aan de smartphone van verdachte, ziet het hof aanleiding om de straf te matigen. Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien, acht het hof een taakstraf van zeventig uren, subsidiair vijfendertig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J. Hielkema en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 december 2025.

Voetnoten

1.HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1511, r.o. 2.4.2.
2.HR 18 maar 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 & HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck).
3.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.6.2.