Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 oktober 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het onderzoek van de bodemplaat van de kofferbak van een auto waarin cocaïne werd aangetroffen. De verdachte werd veroordeeld voor het bezit van cocaïne en een stroomstootwapen. De verdediging voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat opsporingsambtenaren niet bevoegd zouden zijn geweest om de bodemplaat op te tillen, wat neerkomt op doorzoeken.
Het hof oordeelde dat de opsporingsambtenaren op grond van artikel 23 WED Pro bevoegd waren het vervoermiddel te onderzoeken, inclusief het optillen van de bodemplaat, omdat dit onderzoek redelijkerwijs nodig was voor de vervulling van hun taak. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de bevoegdheid tot onderzoek onder art. 23 WED Pro gelijk is aan die onder art. 5:18 en Pro 5:19 Awb, waarbij het onderscheid tussen 'zoekend rondkijken' en doorzoeken niet relevant is.
De Hoge Raad stelt dat het onderzoek niet verder mag gaan dan nodig is voor de taak van opsporing en dat het optillen van de bodemplaat geen onrechtmatige doorzoeking is. Het beroep van de verdachte wordt verworpen. Tevens is de redelijke termijn overschreden, maar dit leidt niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; opsporingsambtenaren waren bevoegd de bodemplaat van de kofferbak op te tillen voor onderzoek.