ECLI:NL:GHARL:2025:7785

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
23/2890 en 23/2891
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en aftrek premies arbeidsongeschiktheidsverzekering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank had de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2016 en 2017 van belanghebbende vernietigd. De inspecteur had navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 2016 en 2017, waarbij hij de aftrek van premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering had gecorrigeerd. Belanghebbende had de premies voor deze verzekering betaald via een vennootschap onder firma en later een besloten vennootschap. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de navorderingsaanslagen niet terecht had opgelegd, omdat de premies voor de verzekering niet op belanghebbende drukten. De inspecteur ging in hoger beroep, waarbij hij stelde dat belanghebbende geen recht had op aftrek van de premies, omdat hij niet als verzekeringnemer op de polis stond vermeld. Het hof oordeelde dat de inspecteur gelijk had, omdat de premies door de BV waren betaald en de uitkeringen uit de verzekering aan de BV toekwamen. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond en bevestigde de uitspraak van de inspecteur.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 23/2890 en 23/2891
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Groningen(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 september 2023, nummers LEE 22/4133 en 22/4134, ECLI:NL:RBNNE:2023:4052, in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 22 januari 2022 over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.663. Bij beschikking is een bedrag van € 458 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Aan belanghebbende is met dagtekening 29 januari 2022 over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.801. Bij beschikking is een bedrag van € 249 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2016 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017 gegrond verklaard en het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 39.125 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd tot € 83.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd met uitzondering van de beslissing over de daarbij verleende proceskostenvergoeding, de navorderingsaanslagen vernietigd, de beschikkingen belastingrente vernietigd, de Inspecteur opgedragen het griffierecht van € 50 te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.674.
1.5.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en R. Speelman RB, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door R.K. Dijkstra, alsmede namens de Inspecteur drs. [naam1] , bijgestaan door mr. [naam2] en [naam3] . Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.
2.
Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende dreef van 1 januari 2007 tot 3 juni 2013 samen met zijn broer een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma. Met ingang van 2013 heeft hij zijn onderneming ingebracht in een besloten vennootschap met de naam [bedrijf1] BV (hierna: de BV). Belanghebbende is daarvan enig aandeelhouder.
2.2.
Belanghebbende had met ingang van 14 mei 2007 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de a.s.r., voorheen de Amersfoortse, met polisnummer [polisnummer1] (hierna: de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Belanghebbende was zowel verzekeringnemer als begunstigde. Bij de inbreng in de BV in 2013 is de polis op naam van de BV gezet. De premies werden vanaf toen door de BV betaald en achteraf in rekening-courant met belanghebbende geboekt. De openstaande rekening-courantschuld is op 29 maart 2017 afgelost. Vanaf mei 2017 heeft belanghebbende de premies rechtstreeks betaald aan de verzekeringsmaatschappij. In 2022 is de polis weer op naam van belanghebbende gesteld.
2.3.
Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, op 1 augustus 2017 aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.894. Daarin is begrepen een aftrekpost voor premies ter zake van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.769. De aanslag is op 30 april 2019 in overeenstemming met de aangifte opgelegd.
2.4.
Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd, op 21 november 2018 aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.787. Daarin is begrepen een aftrekpost voor premies ter zake van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 4.014 De aanslag is op 9 juli 2019 in overeenstemming met de aangifte opgelegd.
2.5.
Met dagtekening 22 januari 2022 is aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.633. Bij beschikking is een bedrag van € 458 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarbij is het als premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering in aftrek gebrachte bedrag van € 5.769, gecorrigeerd.
2.6.
Met dagtekening 29 januari 2022 is aan belanghebbende over het jaar 2017 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 41.801. Bij beschikking is een bedrag van € 249 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarbij is het als premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering in aftrek gebrachte bedrag van € 4.014 gecorrigeerd.
2.7.
Bij de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017 is de aftrek van de premie vanaf mei 2017 aanvaard. Daaraan heeft de Inspecteur ten grondslag gelegd dat belanghebbende de verzekeraar in maart 2017 heeft verzocht om de polis weer te wijzigen en dat belanghebbende vanaf mei 2017 de premienota’s heeft betaald.
2.8.
Tot de stukken behoren de voorwaarden van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“1 Begrippen
(…)
1.2
De verzekeringnemer (u/uw)
Degene die de verzekeringsovereenkomst met ons heeft gesloten. Meestal zijn de verzekeringnemer en de verzekerde dezelfde persoon. Dit is anders als bijvoorbeeld een rechtspersoon de verzekeringnemer is.
1.3
Verzekerde
Degene van wie de arbeidsongeschiktheid bij ons verzekerd is. Dat is meestal ook de verzekeringnemer.”

3.Geschil

In geschil is of de aftrek van premies arbeidsongeschiktheidsverzekering over 2016 en de maanden januari tot en met april 2017 terecht is gecorrigeerd. Niet in geschil is dat de premies zijn betaald door de BV en achteraf met belanghebbende in rekening-courant zijn verrekend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering in de periode in geschil niet voor aftrek in aanmerking komt. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Premieschuldige en verzekeringnemer moeten één en dezelfde zijn. Belanghebbende is geen contractspartij en staat op de polis dan ook niet als verzekeringnemer vermeld. Ook staat hij daarop niet als begunstigde vermeld. De premienota’s stonden op naam van de BV en de premies zijn ook vanaf de bankrekening van de BV betaald. De tenaamstelling van de verzekering is pas in 2022 gewijzigd. Niet aannemelijk is dat sprake is geweest van een fout. Niet voldaan is aan de eis dat degene die de premie in aftrek brengt, ook de begunstigde is van de verzekering. De premies drukten niet op belanghebbende, nu hij de premies niet heeft betaald en daartoe contractueel ook niet verplicht was. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij zich heeft verplicht om namens of aan de BV de premies te betalen. Het bedrag dat belanghebbende hiervoor aan de BV door verrekening in rekening-courant heeft vergoed, is dan ook onverschuldigd betaald.
4.2.
Belanghebbende heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat sprake was van een fout van de tussenpersoon. Belanghebbende wijst erop dat het polisnummer ongewijzigd is gebleven. Ook voert hij aan dat hij er bij de overgang naar een BV-structuur van is uitgegaan dat de polis nog steeds op zijn naam was afgesloten. Toen hij zich realiseerde dat dit niet zo was, heeft hij de polis onmiddellijk laten aanpassen en de in rekening-courant verrekende premies afgelost.
4.3.
Op grond van artikel 3.124, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet IB 2001, voor zover hier van belang, zijn uitgaven voor inkomensvoorzieningen de op de belastingplichtige drukkende premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige.
4.4.
Artikel 3.124, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet IB 2001, is ontleend aan artikel 45, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), dat een vrijwel gelijkluidende bepaling bevatte. Nieuw is sinds de invoering van de Wet IB 2001 dat de uitkeringen dienen toe te komen aan de belastingplichtige.
4.5.
In het midden kan blijven het antwoord op de vraag of de uitgaven op de belanghebbende drukten en/of de premies door belanghebbende aan de BV onverschuldigd zijn betaald. Nu de BV verzekeringnemer was, de premienota’s op naam stonden van de BV en die nota’s ook door de BV zijn voldaan, moet worden aangenomen dat eventuele uitkeringen zouden toekomen aan de BV. Belanghebbende heeft niets overgelegd waaruit blijkt dat niet de BV, maar hijzelf de begunstigde was van de verzekering. Dit betekent dat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 3.124, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet IB 2001 dat de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige. Het gelijk is daarom aan de Inspecteur. Hieraan doet niet af dat uit de polis volgt dat belanghebbende degene is van wie de arbeidsongeschiktheid verzekerd is, nu dit niet meebrengt dat hij jegens de verzekeraar aanspraak kon maken op de uitkeringen uit de verzekering.
4.6.
Ook kan in het midden blijven of sprake was van een fout van de tussenpersoon. Het risico daarvan is gelegen in de civielrechtelijke betrekking tussen belanghebbende en die tussenpersoon.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 2 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (E.C.G. Okhuizen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.