In deze civiele erfrechtzaak ging het hoger beroep over de vaststelling van het wettelijk erfdeel van verzoekster in de nalatenschap van haar vader. Eerder waren tussenbeschikkingen gewezen waarin het hof had bepaald dat de waarde van de nalatenschap moest worden vastgesteld op basis van de waarde in verpachte staat, conform een specificatie.
Verzoekster was het niet eens met deze waarderingsgrondslag en voerde diverse argumenten aan om van deze bindende eindbeslissingen terug te komen. Het hof oordeelde dat deze beslissingen niet konden worden herzien omdat verzoekster geen feiten aanvoerde die de eerdere feiten en omstandigheden ontkrachten. De waardering op basis van de waarde in verpachte staat bleef daarmee gehandhaafd.
De geldvordering van verzoekster op haar moeder werd vastgesteld op €204.608. Het hof verwierp verder de stellingen van verzoekster dat de vaststelling nietig zou zijn wegens het ontbreken van moeder bij de afspraken, en dat zij niet aan de afspraken gehouden kon worden op grond van redelijkheid en billijkheid.
Tegen de afwijzing van de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording had verzoekster geen grieven ingebracht, zodat ook die vordering niet werd toegewezen. Het hoger beroep werd afgewezen en ieder draagt zijn eigen kosten, mede gelet op de familiale verhoudingen.