Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:7544

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
21-005654-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen zware mishandeling en ontploffing met Cobra 6 vuurwerk

De verdachte heeft samen met een medeverdachte een brandende Cobra 6 in de brievenbus van de woning van het slachtoffer geduwd, wat leidde tot een ontploffing met ernstig letsel voor het slachtoffer. Daarnaast mishandelde de verdachte een ander slachtoffer en vernielde diens scooter.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak de verdachte vrij van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs. Wel werd hij veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling, het veroorzaken van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk, vernieling en mishandeling.

De straf werd vastgesteld op 32 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, met een totale schadevergoeding van € 28.143,81 en € 1.160,00. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de gevolgen voor het slachtoffer en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen zware mishandeling en ontploffing met Cobra 6, met deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005654-21
Uitspraakdatum: 27 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 december 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 08-261921-20 en 08-237724-20 tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 april 2024 en 13 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. van Reydt, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.

Het vonnis

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof zich op een aantal punten niet kan verenigen met het vonnis. Het hof zal vanwege een deels andere bewezenverklaring opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 08-261921-20:1. primair
hij op of omstreeks 12 september 2020 in de gemeente [gemeente]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
- een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, hebben/heeft aangestoken en/of
- die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van een woning heeft geduwd/hebben/heeft gedaan,
waarna die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 12 september 2020 in de gemeente [gemeente]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (ondermeer) meerdere brandwonden op de borst, de buik en/of de hals, in ieder geval op het lichaam en/of een afgerukt (deel van een) vinger en/of losgeraakte banden van het duimgewricht en/of losgeraakte huid aan de binnenkant van een hand en/of een (permanente) gehoorsbeschadiging,
hebben/heeft toegebracht door
- een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of
- die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van een woning te duwen,
waarna die Cobra 6, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht;
2.
hij op of omstreeks 12 september 2020 in de gemeente [gemeente] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Cobra 6, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of die Cobra, in ieder geval dat vuurwerk, in de brievenbus van de voordeur van betreffende woning te duwen,
waardoor die Cobra, in ieder geval dat vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht en daarvan gemeen gevaar voor die voordeur en/of die woning en/of in die woning aanwezige goederen en/of de hond,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige [slachtoffer 1] en/of overige aanwezige perso(o)n(en),
in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige [slachtoffer 1] en/of overige aanwezige perso(o)n(en),
in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
3.
hij op of omstreeks 12 september 2020, in de gemeente [gemeente] , opzettelijk, professioneel vuurwerk, niet bestemd voor particulier gebruik, te weten: een stuk knalvuurwerk, een Cobra 6, voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 08-237724-20 (gevoegd):1.
hij op of omstreeks 11 juli 2020 te [plaats]
opzettelijk en wederrechtelijk
een scooter, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op een of meer(dere) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 september 2019 tot en met 11 juli 2020 te [plaats] , althans in Nederland
(telkens) [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 2] een of meer(dere) ma(a)l(en) te slaan en/of stompen en/of een of meer(dere) ma(a)l(en) te krassen in/op de nek/hals, althans in/op het lichaam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 primair ten laste gelegde
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het dossier voor een bewezenverklaring van het onderdeel ‘ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven’ te weinig aanknopingspunten biedt. Het hof zal de verdachte hiervan vrijspreken, zodat het hof tot een vrijspraak komt van de in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het overige tenlastegelegde

Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij met het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 tenlastegelegde niets te maken heeft. De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat het dossier aanleiding geeft tot redelijke twijfel over de betrokkenheid van verdachte. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) niet betrouwbaar zijn omdat die verklaringen onderling zijn afgestemd, niet correct (kunnen) zijn en strijdig zijn met elkaar en met andere bewijsmiddelen. Volgens de raadsman vormen de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een buitengewoon wankele bewijsrechtelijke basis voor het aannemen van het tenlastegelegde daderschap. Bovendien past het forensisch sporenbeeld niet bij het daderschap van de verdachte. Overige door de rechtbank in haar bestreden beslissing betrokken feiten en omstandigheden (de Snapchatberichten, het gesprek bij [restaurant] , het wegbrengen van de jas naar de stomerij, de omstandigheid dat de verdachte heeft geweten dat de woning de woning van [naam 1] betrof) zijn sfeermakerij en leveren geen redengevend bewijs van (mede)daderschap op.
De verdachte heeft het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 tenlastegelegde bekend en de raadsman heeft ten aanzien van die feiten geen verweer gevoerd.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 tenlastegelegde. Volgens de advocaat-generaal kan op basis van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen dat het de verdachte is geweest die de Cobra 6 heeft aangestoken en door de brievenbus heeft gedaan.
Het oordeel van het hof
Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-261921-20 – kort gezegd – onder feit 1 subsidiair het medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste gelegd, onder feit 2 het medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en onder feit 3 het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk. In de zaak met parketnummer 08-237724-20 is aan de verdachte – kort gezegd – onder feit 1 vernieling en onder feit 2 mishandeling ten laste gelegd.
Het hof is van oordeel dat er voldoende bewijs is dat verdachte deze aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van de hieronder weergegeven bewijsmiddelen en acht de andersluidende lezing van de verdachte over wat er is voorgevallen niet aannemelijk geworden.
In het onderstaande zal het hof eerst ingaan op het door het verdediging gevoerde verweer dat de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet betrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Vervolgens wordt uitgewerkt op grond van welke bewijsmiddelen en op grond van welke aan de hand daarvan vast te stellen feiten en omstandigheden het hof tot het oordeel komt dat de verdachte schuldig is aan het tenlastegelegde.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]
In het politieonderzoek zijn vier personen naar voren gekomen die aanwezig zijn geweest bij het incident: de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Deze personen zijn allemaal gehoord bij de politie. Ook hebben er nog verhoren plaatsgevonden bij de rechter-commissaris en ter zitting bij de rechtbank. Het hof onderkent dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op onderdelen wisselend en tegenstrijdig verklaard. Gelet hierop en tevens gelet op het feit dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als betrokkenen bij het incident steeds ook een eigen belang bij hun verklaringen hebben gehad, dient met de betreffende verklaringen naar het oordeel van het hof zonder meer behoedzaam te worden omgegaan.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] acht het hof in het bijzonder van belang of, en zo ja in hoeverre, die verklaringen worden ondersteund door overige bewijsmiddelen. In dit licht bezien, maakt de omstandigheid dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet vanaf het eerste moment de gehele waarheid hebben verteld nog niet dat hun verklaringen in het geheel als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.
Het hof stelt daarbij vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vragen die zien op de kern van het ten laste gelegde feit – de vraag wie de Cobra heeft aangestoken en in de brievenbus heeft gedaan – telkens duidelijk en consistent hebben beantwoord. Door hen is telkens verklaard dat de verdachte de Cobra heeft aangestoken en in de brievenbus heeft gedaan. Weliswaar heeft [medeverdachte 2] pas vanaf het moment dat duidelijk was dat een afdruk van zijn handpalm op de voordeur was aangetroffen zichzelf belast, maar dat maakt niet dat zijn eerdere verklaringen geheel onbetrouwbaar zijn. [medeverdachte 1] heeft uiteindelijk verklaard dat [medeverdachte 2] de brievenbus openhield en dat de verdachte de cobra aanstak en deze door de brievenbus gooide.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] elkaar op de belangrijkste punten wel ondersteunen en dat deze verklaringen passen bij het geheel van feiten, omstandigheden en gedragingen rond het tijdstip van het tenlastegelegde zoals die uit het dossier naar voren komen. De betreffende verklaringen worden door het hof dan ook niet onbetrouwbaar geacht en zullen door het hof voor het bewijs worden gebezigd.
Het verweer wordt dus verworpen.
Bewijsmiddelen in de zaak met parketnummer 08-261921-20
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen genoemd betreffen pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2020433262. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Op 12 september 2020 was ik, verbalisant, belast met de basis politiezorg in de gemeente [gemeente] . Ik ontving een melding van het operationele centrum om met spoed naar de [adres] in [plaats] te gaan. Hier was een ontploffing geweest in de woning en zou een persoon gewond zijn geraakt. Ik kwam ter plaatse. Ik zag dat er in de hal achter de voordeur een ravage was. Ik zag dat vanaf de hal een bloedspoor liep naar de woonkamer. Op de bank in de woonkamer zag ik een vrouw voorovergebogen zitten. Ik vroeg haar wat er gebeurd was. De vrouw vertelde mij dat ze boven was op de eerste etage en geluid hoorde uit de brievenbusgleuf welke in de voordeur zat. Zij liep vervolgens naar beneden en zag een staafvormig voorwerp uit de brievenbus steken en hier knetterend geluid en sterretjes vanaf zag komen. Vervolgens explodeerde het voorwerp en raakte zij gewond. De naam van de vrouw bleek [slachtoffer 1] te zijn. Haar partner [naam 2] en zoon [naam 3] welke boven waren ten tijde van de explosie waren bij haar. [slachtoffer 1] is vervolgens door de ambulance overgebracht naar het ziekenhuis.
2. Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 7-9, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Plaats delict: [adres] te [plaats]
Pleegdatum/tijd: 12 september 2020
Aangever:
Achternaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Mijn man en ik besloten iets voor 00:30u naar bed te gaan. Wij zijn toen de trap in onze woning aan de [adres] te [plaats] opgelopen. Toen ik in de badkamer was hoorde ik een vreemd sissend geluid.
Ik ben toen de trap af gelopen om te kijken waar dat rare sissende geluid vandaan kwam. Toen ik de trap af liep zag ik dat er uit onze brievenbus een soort pijpje naar binnen stak. Onze brievenbus is een gleuf die in de voordeur zit. Ik zag dat het gedeelte van dit pijpje dat naar binnen stak ongeveer twintig centimeter lang was.
Ik zag aan het pijpje allemaal oranje sterretjes. Het pijpje zag er uit alsof het een soort vuurpijl was die niet brandde maar vonkte. De hele gang werd hierdoor verlicht.
Ik weet nog dat ik op dat moment dacht: "Dat ding moet naar buiten". Ik was namelijk bang voor brand, en ik wist dat onze hond ergens beneden in ons huis moest zijn, dus ik vreesde voor zijn veiligheid.
Ik weet niet meer of ik het pijpje terug wilde duwen, of dat ik de voordeur open
wilde doen om het naar buiten te gooien. Ik stond op dat moment op hooguit een meter van de brievenbus af in de hal van ons huis. Onze hal is ongeveer een meter breed en drie meter lang.
Ik hoorde een enorme knal. Ik hoorde mijn oren suizen.
Ik hoorde brandmelders afgaan, ook die op de zolder. Ik zag bijna niets. Ik zag
alleen maar rook.
Mijn man dacht dat het om een gasexplosie ging vanuit de meterkast, zo hard was de knal namelijk.
Toen ik naar mijn rechterhand keek zag ik enorm veel bloed. Overal was bloed.
Ik ben toen per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ik moet daar dit
weekend blijven. Ik ben gewond geraakt door de explosie.
Ik heb het volgende letsel:
* diverse (ongeveer tien )(brand)wonden in mijn hals en op mijn borst en buik.
* het topje van mijn rechterwijsvinger is er af
* aan mijn middelvinger zit een stukje los, ik kan deze vinger ook niet goed bewegen
* de banden van mijn rechter duimgewricht zijn los en zijn nu met schroeven vastgezet
* de binnenkant van mijn rechterhand ligt open, eventueel krijg ik hier later
huidtransplantatie.
3. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] [plaats] ), pagina’s 12-16, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Aanleiding en opdracht onderzoek
Op 12 september 2020 omstreeks 00:54 uur, werd aan mij, verbalisant, verzocht om
een forensisch sporenonderzoek te verrichten in een woning aan de [adres] te
[plaats] , dit naar aanleiding van een explosie in de betreffende woning waarbij een vrouw ( [slachtoffer 1] ) gewond was geraakt.
Bevindingen
Tijdens het onderzoek werd door mij verbalisant het navolgende gezien, gedaan en
bevonden dat:
-op de bestrating van de voortuin, op ongeveer 3 meter vanaf de voordeur, een halve blauwe dop lag. Deze blauwe dop komt mij verbalisant ambtshalve bekend voor als zijnde een afdichtingsdop van een zwaar stuk illegaal (knal)vuurwerk, te weten een Cobra . Derhalve werd deze halve blauwe dop (AAMU2082NL) door mij verbalisant veiliggesteld;
-op de buitenzijde van de voordeur na opwerken middels DNA-vrij dactyloscopisch
poeder enkele dactyloscopische sporen zichtbaar werden. Van deze sporen was één
dactyloscopisch spoor bruikbaar voor eventueel vergelijkend identificatie onderzoek. Dit dactyloscopisch spoor (handpalm, AAOD9517NL) werd door mij verbalisant fotografisch vastgelegd;
-de dactyloscopische sporen op de buitenzijde van de voordeur werden vervolgens door mij, verbalisant [verbalisant] , voor mogelijk DNA-onderzoek bemonsterd middels een
wattenstaafje en veiliggesteld. Te weten:
-AAME9355NL: bemonstering gedeelte handpalm gesitueerd rechts boven
de brievenbus;
- op de vloer in de hal voor het toilet een halve blauwe dop lag. Deze blauwe dop
komt mij verbalisant ambtshalve bekend voor als zijnde een afdichtingsdop van een
zwaar stuk illegaal (knal)vuurwerk, te weten een Cobra. Derhalve werd deze halve
blauwe dop (AAMU2081NL) door mij verbalisant veiliggesteld;
- na verzameling van de kleine kartonnen fragmentjes afkomstig uit de hal werd door mij, verbalisant, vastgesteld dat deze restanten afkomstig waren van een stuk zwaar illegaal vuurwerk, te weten een 'Cobra 6'. Op een klein fragment stond ook de tekst Cobra 6 gedrukt. Derhalve werden deze kartonnen fragmenten door mij verbalisant veiliggesteld (AAMU2080NL).
4. Een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie in de hal van een woning in [plaats] op 12 september 2020’, van 9 maart 2021, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Onderzoeksmaterialen [AAMU2081NL t/m AAMU2082NL] herken ik als de restanten van een vuurwerkartikel met de naam 'COBRA 6'. Dit vuurwerkartikel is nader te specificeren als 'knalvuurwerk met lont' ('flash banger') en betreft professioneel vuurwerk dat veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis (conform het Vuurwerkbesluit).
Er zijn meerdere varianten van de 'COBRA 6' die vaak slechts op detailniveau van
elkaar verschillen. De aanduidingen die aanwezig zijn op de restanten van een
zwarte etiket op twee van de kartonnen fragmenten van onderzoeksmateriaal
[AAMU2080NL] en (de restanten van) een blauwe dop met de aanduiding "24"
passen bij een 'Super COBRA 6' die afgelopen jaren meerdere malen is onderzocht
door het NFI.
De werking van een 'Super COBRA 6' is als volgt: het groene vuurwerklont dient te
worden aangestoken. Het vlamfront van het lont ontsteekt vervolgens de effectlading van samengeperst zwart buskruit. Deze effectlading explodeert niet, maar brandt in meerdere secondes op met een oranjerode steekvlam.
Uit eerder onderzoek op het NFI is bekend dat de totale brandduur van lont en blok
zwart buskruit samen circa 20 seconden bedraagt. Zodra het zwart buskruit is opgebrand, explodeert het flitspoeder instantaan. Hierbij treden als effecten een drukgolf (gepaard gaande met een luide knal), hitte en fragmentatie van de kartonnen cilinder en het kunststof op.
Conclusies
1. Is uit de restanten op te maken wat er is ontploft?
Ja, onderzoeksmaterialen [AAMU2081NL t/m AAMU2082NL] herken ik als de
restanten van een vuurwerkartikel 'Super COBRA 6'.
3. Wat was het gemeen gevaar voor personen en goederen dat is ontstaan door
het in de brievenbus gooien van een dergelijk explosief?
Bij een ontploffing treden als effecten een drukgolf (gepaard gaande met een luide
knal), hitte en fragmentatie van de kartonnen cilinder en het kunststof op. Wanneer een 'Super COBRA 6' ontploft, ontstaat er altijd gevaar voor letsel en materiele schade. Wanneer het direct tegen een voorwerp aan explodeert, zal dit voorwerp meestal (ernstig) beschadigd raken.
5. Kan een dergelijk explosief potentieel zwaar lichamelijk letsel veroorzaken?
Door de optredende effecten is er, vooral voor personen in het halletje, gevaar voor letsel ontstaan. De ernst van het letsel is onder meer afhankelijk van de locatie van personen ten opzichte van de explosie. Bij bijvoorbeeld lichaamscontact met een exemplaar van een 'Super COBRA 6' ten tijde van de explosie, is ernstig lichamelijk letsel tot zeer ernstig lichamelijk Ietsel6 een gegeven. Bij (vrijwel) direct contact met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon is dit letsel zelfs zeer ernstig tot dodelijk.
Bij het in de hand(en) houden van de 'Super COBRA 6' (bijvoorbeeld in het scenario dat het opgepakt wordt) is een blijvende functiebeperking van de hand een gegeven. Zelfs het verlies van de gehele hand(en) is mogelijk.
Op afstanden verder weg, is het van de specifieke omstandigheden afhankelijk of en tot welk letsel de effecten leiden. In het ongunstigste geval kan een persoon tot op enkele tientallen meters afstand nog (al dan niet permanente) gehoorschade oplopen door de explosie van een 'Super COBRA 6'.
6. Kan het op de plaats delict aangetroffen zware stuk vuurwerk (Cobra 6) en de explosie welke deze teweeg heeft gebracht passen bij het aangetroffen letsel?
In het specifieke geval van de ontploffing in de hal van de woning bevond het slachtoffer zich volgens eigen zeggen op het moment vlak voor de ontploffing "op hooguit een meter van de brievenbus in de hal". Volgens de verkregen foto’s en de letselverklaring van de GGD-arts [plaats] heeft het slachtoffer letsel opgelopen aan hoofd, hals, borstkas, schouders, bulk, rechterarm, rechterhand en beide benen. Een KNO-arts heeft op woensdag 27 januari 2021 vastgesteld dat er (nog steeds) sprake is van geminderd gehoor.
Dergelijk letsel past bij de blootstelling op korte afstand aan een ontploffend vuurwerkartikel van het type 'Super COBRA 6'. Het letsel aan de rechterhand van het vrouwelijke slachtoffer vind ik passend bij een afstand van de hand van centimeters tot enkele decimeters van het ontstoken/ontploffende vuurwerkartikel.
5. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten een Forensisch medische letselrapportage van 17 februari 2021, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Betrokkene: [slachtoffer 1]
Bij betrokkene zijn scheurwonden met gedeeltelijke amputatie van de wijsvinger gecombineerd met bloeduitstortingen waargenomen. Tevens had zij kras-, brand- en scheurwonden op de borst, de rechter bovenarm en het rechter been. Het geheel aan letsel past bij letsel t.g.v. explosie.
In dit geval wordt de ernst van het letsel in hoge mate bepaald door het letsel aan de hand. Voor dit letsel is een langdurig medisch traject nodig. Gezien het feit dat er een gedeeltelijke amputatie van de wijsvinger is, is er blijvende schade en daarmee functiebeperking. Daarnaast zal het letsel aan de hand genezen met littekenvorming. Oppervlakkige brandwonden van de huid genezen meestal in 10 tot 14 dagen en het litteken beperkt zich veelal tot een kleurverschil. Op plaatsen waar een transplantaat nodig was zal het litteken meer uitgesproken zijn. Op de plaats waar het transplantaat geoogst is zal een litteken ontstaan.
De herstelperiode van het letsel aan de borst en armen is ca. 3 weken. De herstelperiode van het letsel aan de hand is maanden. Onduidelijk is of de functie van de hand weer volledig zal terugkeren. Gezien het feit dat er sprake is van een amputatie zal het letsel niet
restloos genezen. Tevens zal sprake zijn van littekens op de hand die tezamen met de amputatie ook kunnen zorgen voor een functiebeperking. Ook op de plaats waar het transplantaat geoogst is zal een litteken ontstaan. In hoeverre pijnklachten blijven bestaan is door ondergetekende niet in te schatten.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 211-215, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :
A: Ik liep met twee andere vrienden op 12 september 2020, nacht van vrijdag op zaterdag, bij de [adres] , vlakbij het voetbalveld. We kwamen [verdachte] tegen. Hij woont [adres] in [plaats] . We liepen richting een vriend van mij, dat was in de richting van de [adres] . [verdachte] pakte iets uit zijn zak en deed dat in die brievenbus. Ik hoorde een knal.
V: Wat pakte [verdachte] uit zijn zak?
A: Vuurwerk. Ik zag dat hij het aanstak en toen in de brievenbus gooide.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige,
proces-verbaalnummer 59 van het tweede aanvullend proces-verbaal van 16 juli 2021, geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :
Hij(het hof begrijpt: de verdachte)
vroeg aan mij of ik de brievenbus open wilde houden. Ik heb hem toen opengehouden, hij deed er iets in. Ik zag dat hij wat aanstak en hoorde kort daarna een harde knal.
8. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats [plaats] , van 8 november 2021, inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige [medeverdachte 2] :
Hij(het hof begrijpt: de verdachte)
vroeg ‘kan je me helpen met iets’. Ik wilde dat niet. Toen bleef hij doorvragen. Toen deed ik het wel wat hij vroeg. Toen deed hij wat in de brievenbus. Hij zei toen ‘rennen, rennen' en toen zijn we weggerend. Toen hoorde ik een knal. Ik hielp hem met het openhouden van de brievenbus.
Hij vroeg steeds wil je de brievenbus openhouden. Kun je dat voor me doen?
We zijn met z'n tweeën naar voren gelopen om de bus te openen.
9. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats [plaats] , van 8 november 2021, inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige [medeverdachte 1] :
Ik heb gezien dat [verdachte] het erin stak en toen rende ik weg.
[medeverdachte 2] was erbij en ik en [medeverdachte 3] . Maar ik liep met [medeverdachte 3] voorop. [medeverdachte 2] was
erbij en liep met [verdachte] samen.
[medeverdachte 2] was erbij. Bij [verdachte] . Zij liepen met z'n tweeën en ik liep met
[medeverdachte 3] . Zij liepen met z'n tweeën naar de brievenbus.
[verdachte] stak iets aan en gooide het erin en volgens mij deed [medeverdachte 2] waarschijnlijk de brievenbus open. Dat heb ik gezien.
Mij wordt gevraagd of het klopt dat ik zojuist heb verklaard dat ik heb gezien dat [verdachte] het vuurwerk aanstak en in de brievenbus deed en dat [medeverdachte 2] erbij stond en de brievenbus open hield.
Ja, dat klopt.
Mij wordt gevraagd of ik dat zelf heb waargenomen.
Ja.
10. Een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier en geen onderdeel van het hiervoor genoemde proces-verbaal, te weten een rapport dactyloscopisch onderzoek (als bijlage op pagina’s 10-14 van het aanvullend proces-verbaal), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Dactyloscopisch onderzoek
Met de afbeelding van dactyloscopisch spoor bekend in Havank onder nummer
08170920040100005 is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd in de verzameling
referentieafdrukken in Havank.
Bij de aanvraag werden de volgende gegevens vastgelegd:
Resultaat dactyloscopisch onderzoek
Dit onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon
geregistreerd in Havank onder:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

Uit het onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor 08170920040100005 en de afbeelding van de Palm R van incidentnummer 316000200906 geregistreerd in Havank onder biometrienummer.
Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.
Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 11 op 12 september 2020 waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] samen op straat. Op enig moment kwamen zij de verdachte tegen die alleen was. Zij raakten in gesprek en liepen samen verder in de richting van de woning aan de [adres] te [plaats] .
Wat betreft dit gezamenlijk oplopen valt op grond van de wettige bewijsmiddelen voor het hof niet vast te stellen wat op welk moment precies is besproken en wie wetenschap heeft gehad van wat zou gaan gebeuren. Wel kan op grond van de wettige bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte op enig moment samen met [medeverdachte 2] naar de voordeur van de woning aan de [adres] te [plaats] is gelopen. Voor de genoemde voordeur werd op verzoek van de verdachte de brievenbus geopend door [medeverdachte 2] . De verdachte heeft vervolgens een stuk zwaar vuurwerk, een aangestoken Cobra 6, in de brievenbus gedaan, waardoor een ontploffing is veroorzaakt als gevolg waarvan aangeefster [slachtoffer 1] ernstig letsel heeft opgelopen.
Aan deze vaststellingen doet naar het oordeel van het hof niet af dat geen DNA-afname bij [medeverdachte 1] heeft plaatsgevonden en geen nader vergelijkend DNA-onderzoek is uitgevoerd naar het op het vuurwerk aangetroffen mengprofiel. Zelfs als nader vergelijkend
DNA-onderzoek zou zijn uitgevoerd en dit een match met [medeverdachte 1] zou hebben opgeleverd, zou dit immers in het geheel niet uitsluiten dat de verdachte het vuurwerk (ook) in handen heeft gehad.
Opzet
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op het veroorzaken van een ontploffing en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie voorwaardelijk opzet op een bepaald
gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de
aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, waaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Uit het NFI-rapport komt naar voren dat er gevaar ontstaat voor letsel als een Super Cobra 6 ontploft, vooral voor personen in het halletje. Bij lichaamscontact met een Super Cobra 6 ten tijde van de explosie, is ernstig lichamelijk letsel tot zeer ernstig lichamelijk letsel een gegeven. Zelfs op enkele tientallen meters afstand kan nog (al dan niet permanente) gehoorschade worden opgelopen door de explosie van een Super Cobra 6. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat zwaar vuurwerk zoals een Cobra gevaarlijk is en ernstig letsel kan veroorzaken. Dat er in het halletje van de woning personen zouden zijn die wakker waren, was mede gelet het tijdstip van het gebeuren een reële mogelijkheid en niet onwaarschijnlijk. Naar het oordeel van het hof was er dan ook een aanmerkelijke kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door de ontploffing van de Cobra.
Zonder dat de verdachte wist of er personen in de woning aanwezig waren, en dus ook zonder te weten of zich personen achter of vlakbij de brievenbus bevonden, heeft de verdachte een Super Cobra 6 aangestoken en in die brievenbus gedaan. Daarmee heeft de verdachte, gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat de Cobra in het halletje zou ontploffen en iemand in het halletje van de woning aanwezig zou zijn die door de ontploffing zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Naar het oordeel van het hof had de verdachte dan ook voorwaardelijk opzet op het veroorzaken van een ontploffing en op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Daarbij geldt dat, ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), sprake kan zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte is immers samen met [medeverdachte 2] naar de voordeur gelopen, waarna [medeverdachte 2] op verzoek van de verdachte de brievenbus open deed en – terwijl de verdachte de Cobra aanstak – de brievenbus openhield, zodat de verdachte de Cobra door de brievenbus kon doen. Er is derhalve sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] , waarbij het aandeel van de verdachte van bepalende invloed is geweest op de uitvoering van de feiten.
Levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel gemeen gevaar voor goederen
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat er levensgevaar van personen te duchten was. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte daarom vrijgesproken. Het rapport houdt van de NFI-deskundige houdt in dat bij (vrijwel) direct contact met het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon, letsel zeer ernstig tot dodelijk kan zijn. Naar het oordeel van het hof was naar algemene ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar dat de Cobra tijdens de ontploffing direct contact zou hebben met het hoofd, de nek of de romp van een ander.
Naar het oordeel van het hof was naar algemene ervaringsregels wel redelijkerwijs voorzienbaar dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zwaar vuurwerk als een Cobra ernstig letsel zoals brandwonden en gehoorschade kan veroorzaken. Dat zich personen in de woning in of in de nabijheid van het halletje op de benedenverdieping zouden bevinden was eveneens redelijkerwijs voorzienbaar, nu de ontploffing werd teweeggebracht op een tijdstip waarop op weekenddagen heel goed nog mensen wakker en beneden konden zijn en een reële kans bestond dat iemand op het sissende geluid van de brandende, vonkende lont van het vuurwerk in de brievenbus van de voordeur af zou komen.
Naar het oordeel van het hof is ook evident dat gemeen gevaar voor goederen ontstaat als door een Super Cobra 6 in de brievenbus van een woning een ontploffing wordt veroorzaakt. Ook dit komt naar voren in het rapport van de NFI-deskundige.
Zwaar lichamelijk letsel
Uit de letselrapportage en de aangifte blijkt dat door de ontploffing lichamelijk letsel bij mevrouw [slachtoffer 1] is opgetreden, dat voor dit letsel een langdurig medisch traject nodig is en dat gelet op de gedeeltelijke amputatie van de wijsvinger tevens sprake is van blijvende schade en daarmee van functiebeperking. Het hof is van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij mevrouw [slachtoffer 1] is veroorzaakt, gelet op de aard en de gevolgen daarvan, zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert.
Voorhanden hebben vuurwerk
Dit feit is wettig en overtuigend bewezen, nu uit de verschillende verklaringen blijkt dat de verdachte bij de voordeur van de woning van mevrouw [slachtoffer 1] een cobra uit zijn jaszak haalde.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander aan mevrouw [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, opzettelijk een ontploffing heeft veroorzaakt terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en opzettelijk professioneel, niet voor particulier gebruik bestemd vuurwerk voorhanden heeft gehad.
Bewijsmiddelen in de zaak met parketnummer 08-237724-20
Het hof volstaat ten aanzien van de hierna bewezenverklaarde feiten in de zaak met parketnummer 08-237724-20 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezenverklaarde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de verdediging ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit.
Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 5-10;
Het proces-verbaal aanhouding verdachte, pagina’s 16-17;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 26-33.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
Zaak met parketnummer 08-261921-20:1. subsidiair
hij op
of omstreeks12 september 2020 in de gemeente [gemeente]
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
(onder meer)meerdere brandwonden op de borst, de buik en
/ofde hals
, in ieder geval op het lichaamen
/ofeen afgerukt
(deel van een
)vinger en
/oflosgeraakte banden van het duimgewricht en
/oflosgeraakte huid aan de binnenkant van een hand en
/ofeen
(permanente)gehoorbeschadiging,
hebben/heeft toegebracht door
- een Cobra 6
, in ieder geval een stuk knalvuurwerk,aan te steken en
/of
- die Cobra 6
, in ieder geval dat vuurwerk,in de brievenbus van de voordeur van een woning te duwen,
waarna die Cobra 6
, in ieder geval dat vuurwerktot ontploffing is gekomen
/gebracht;
2.
hij op
of omstreeks12 september 2020 in de gemeente [gemeente] ,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,
in een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Cobra 6
, in ieder geval een stuk knalvuurwerk,aan te steken en
/ofdie Cobra
, in ieder geval dat vuurwerk,in de brievenbus van de voordeur van betreffende woning te duwen,
waardoor die Cobra
, in ieder geval dat vuurwerktot ontploffing is gekomen
/gebrachten daarvan gemeen gevaar voor die voordeur en
/ofdie woning en
/ofin die woning aanwezige goederen en
/ofde hond,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige [slachtoffer 1] en/of overige aanwezige perso(o)n(en),
in elk geval levensgevaar voor een ander of anderenen
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige [slachtoffer 1] en
/ofoverige aanwezige perso
(o)n
(en
),
in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,te duchten was;
3.
hij op
of omstreeks12 september 2020, in de gemeente [gemeente] , opzettelijk, professioneel vuurwerk, niet bestemd voor particulier gebruik, te weten: een stuk knalvuurwerk, een Cobra 6, voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 08-237724-20 (gevoegd):1.
hij op of omstreeks 11 juli 2020 te [plaats]
opzettelijk en wederrechtelijk
een scooter,
in elk geval enig goed,die geheel
of ten deleaan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde,
heeft
vernield,beschadigd
, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op
een of meer(dere)tijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode 1 september 2019 tot en met 11 juli 2020 te [plaats] ,
althans in Nederland
(telkens
)[slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 2]
een ofmeer
(dere
)ma
(a)l
(en
)te slaan en
/of stompen en/ofeen
of meer(dere)ma
(a
)l
(en)te krassen
in/op de nek/hals, althans in/op het lichaam.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van zware mishandeling

en

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en een meldplicht bij de reclassering, diagnosticering en ambulante behandeling en een contactverbod en een locatieverbod als bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft conform de ter terechtzitting overgelegde schriftelijke vordering als eis geformuleerd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden. De advocaat-generaal heeft op de zitting mondeling als subsidiair standpunt verzocht om aan verdachte een straf op te leggen die aansluit bij de straf van de rechtbank.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar ingeval van een bewezenverklaring verzocht om aan de verdachte gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en op de overschrijding van de redelijke termijn de op te leggen gevangenisstraf aanzienlijk te matigen en geen voorwaardelijk strafdeel op te leggen met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Samen met [medeverdachte 2] heeft de verdachte een brandende Cobra in de brievenbus van de woning van de familie [slachtoffer 1] gedaan. In de woning waren op dat moment meerdere gezinsleden en hun hond aanwezig. Mevrouw [slachtoffer 1] , die een brandend pijpje in haar brievenbus zag maar niet wist dat het om vuurwerk ging, wilde haar huis en de hond beschermen en het pijpje naar buiten werken. Op dat moment is de Cobra ontploft. Mevrouw [slachtoffer 1] is daardoor ernstig gewond geraakt. Zij heeft onder meer letsel opgelopen aan haar hoofd, hals, borstkas, schouders, buik, rechterarm, rechterhand en beide benen. In het ziekenhuis moest het rechterwijsvingertopje van het slachtoffer worden geamputeerd. Ook heeft zij permanente gehoorschade opgelopen.
De ontploffing heeft enorme gevolgen gehad voor het slachtoffer en haar gezin, zoals ook
blijkt uit het tijdens de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht van het slachtoffer. Hun leven is ingrijpend veranderd door de lichamelijke en psychische gevolgen van de ontploffing voor mevrouw [slachtoffer 1] . Haar werk in de zorg, dat ze met liefde deed, kan ze daardoor niet meer uitoefenen. Lichamelijk ervaart ze nog veel ongemak, maar ook de geestelijke gevolgen hebben hun weerslag op haar leven en dat van het gezin. Verder hebben zij er veel verdriet van dat zij hun hond door de ontploffing hebben moeten laten inslapen.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op zo’n lichtzinnige wijze de veiligheid van de familie [achternaam] in hun eigen huis in gevaar heeft gebracht, en dat dat gevaar zich
voor mevrouw [slachtoffer 1] ook heeft gerealiseerd. Door het handelen van de verdachte zijn niet alleen gevoelens van onrust en onveiligheid bij het slachtoffer en haar gezin teweeggebracht, maar ook in de samenleving in het algemeen. Handelen zoals dat van verdachte leidt in de samenleving tot brede gevoelens van angst en onveiligheid. Zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat verdachten niet hoeven mee te werken aan hun eigen veroordeling, moet bovendien worden vastgesteld dat verdachte in zijn strafzaak op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Daarnaast heeft de verdachte mevrouw [slachtoffer 2] mishandeld en haar scooter vernield. Mevrouw [slachtoffer 2] heeft verklaard van de klappen en van het krabben pijn te hebben ondervonden en littekens daarvan op haar arm te hebben overgehouden. Daarnaast heeft mevrouw [slachtoffer 2] verklaard met name psychische klachten ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten te ervaren. Hierbij is angst voor de verdachte de voornaamste klacht. Ook dit rekent het hof de verdachte aan.
Uit een recent uittreksel uit de justitiële documentatie komt naar voren dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Het hof houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten en met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht en naar voren komen uit de reclasseringsrapportages van 22 oktober 2020 en 29 december 2020.
Het hof heeft tevens oog voor de gevolgen die een gevangenisstraf mogelijk voor hem hebben en daarbij ook acht geslagen op het lange tijdsverloop van de procedure in hoger beroep. Gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen die deze hebben gehad en nog steeds hebben, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt bij de hoogte van de op te leggen straf rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.
Het heeft lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 27 december 2021 en dit arrest wordt gewezen op 27 november 2025, zodat sinds het instellen van het hoger beroep drie jaren en elf maanden zijn verstreken. Aangezien de verdachte in voorlopige hechtenis heeft verbleven, had de behandeling moeten plaatsvinden binnen een termijn van zestien maanden. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof is van oordeel dat dit niet voor rekening van de verdachte dient te komen. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door vier maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.
Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, opgelegd. Een lagere gevangenisstraf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof zal een contactverbod als bijzondere voorwaarde opleggen, zodat meteen kan worden ingegrepen als de verdachte contact zou zoeken met aangeefster [slachtoffer 2] , aangeefster [slachtoffer 1] of haar gezin.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 125.082,08 ingediend, bestaande uit de volgende posten:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen tot een bedrag van € 35.073,13.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke schadebedrag nog steeds wordt gevorderd, met dien verstande dat de gevorderde posten voor verlies aan verdienvermogen thans een bedrag van in totaal € 229.875,00 bedragen en dat een extra schadepost is toegevoegd van in totaal € 2.922,15 voor de factuur van het NRL voor het berekenen van het verlies aan verdienvermogen. De advocaat van de benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij de huidige stand van zaken, waarbij er meer informatie is over de daadwerkelijke omvang van het verlies aan verdienvermogen, alleszins redelijk is om de vordering te verhogen.
Het hof moet een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding en de verhoging en toevoeging van de hiervoor genoemde posten.
Eisvermeerdering
Het hof stelt voorop dat voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich op grond van artikel 421 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep kan voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking “binnen de grenzen van haar eerste vordering” moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1932). Het wettelijk stelsel biedt geen ruimte voor een andere uitleg.
Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof onderkent dat de strafrechter, zoals is betoogd door de raadsvrouw van de benadeelde partij, ambtshalve en los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Naar het oordeel van het hof noopt het hierboven omschreven verbod tot het opvoeren van nieuwe schadeposten in de vordering of tot verhoging van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep echter tot een zeer terughoudende toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor nieuwe of verhoogde schadeposten. Indien daartoe te lichtvaardig zou worden overgegaan, zou dit feitelijk kunnen leiden tot omzeiling van het eerdergenoemde verbod.
Een en ander impliceert dat de mogelijkheid tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel in hoger beroep die mede is ingegeven door een vordering van de benadeelde partij die een nieuwe schadepost toevoegt en/of die de hoogte van de vordering van de benadeelde partij in eerste aanleg overstijgt alleen in uitzonderlijke gevallen bestaat. Naar het oordeel van het hof is van een zodanig geval hier geen sprake.
Inhoudelijke beoordeling
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof ten aanzien van een gedeelte van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Materiële schade
De volgende gevorderde materiële kosten komen voor vergoeding in aanmerking:

Gegevens (afbeelding kan niet gepubliceerd worden)

Deze schadeposten zijn niet door de verdachte en diens raadsman weersproken. Het hof is van oordeel dat de schadeposten voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met de door de verdachte in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten dat deze kosten aan hem als een gevolg van zijn handelen kunnen worden toegerekend.
Overige kosten
Ten aanzien van de kosten voor de deurbel met beveiligingscamera en het camerasysteem overweegt het hof dat de kosten van het plaatsen van het camerasysteem en de deurbel bij de woning van de benadeelde partij kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij komt naar voren dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte hevige gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren waardoor zij zich niet meer veilig voelde in haar eigen woning. Verder komt uit de stukken naar voren dat de deurbel door de explosie was verwoest en dat de benadeelde één dag na de bewezenverklaarde explosie een deurbel met beveiligingscamera en later ook een camerasysteem heeft aangeschaft om haar door de explosie ontstane gevoel van onveiligheid te verminderen. Naar het oordeel van het hof bestaat aldus voldoende verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om deze schade als rechtstreekse schade aan te merken.
Verlies aan verdienvermogen (€ 96.679,32)
Deze schadeposten zijn door de verdachte en diens raadsman betwist.
Het hof kan in deze procedure niet zonder meer vaststellen in hoeverre de door de benadeelde partij gevorderde schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op.
Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
De opgevoerde immateriële schade komt gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 BW Pro recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat:
  • de verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt. Volgens de bij de vordering gevoegde medische (letsel)beschrijvingen heeft de benadeelde partij door de bewezenverklaarde feiten ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Daarnaast geldt dat in voorkomende gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon (op andere wijze) kan worden aangenomen (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Hiervan is in deze zaak naar het oordeel van het hof sprake. Het ligt zo voor de hand dat een persoon die op de eerder beschreven wijze gewond is geraakt daarvan nadelige psychische gevolgen ondervindt, dat het hof een aantasting in de persoon van de benadeelde partij op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro aanneemt. De schade is aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid en met inachtneming van de omstandigheden van het geval (waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt) op € 14.000,00 en zal de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.
Proceskosten
Nu het hof de vordering gedeeltelijk en niet geheel toewijst, zal het hof ten aanzien van de proceskosten bepalen dat de procespartijen ieder hun eigen kosten dragen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.159,99 ingediend, bestaande uit de volgende posten:
  • Dagwaarde vernielde scooter € 800,00
  • Kosten taxatierapport scooter € 60,00
  • Aanschaf beveiligingscamera € 49,99
  • Immateriële schade € 2.250,00
De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.160,00, bestaande uit de gevraagde vergoeding voor de vernielde scooter en het taxatierapport en € 300,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Materiële schade
De gevorderde kosten voor de scooter zijn voldoende onderbouwd. Het hof acht de schadepost voldoende aannemelijk geworden en in zodanig verband staan met het door de verdachte in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 bewezenverklaarde feit, dat deze kosten aan hem als een gevolg van zijn handelen kunnen worden toegerekend. Het hof zal de gevorderde posten van € 800,00 en € 60,00 toewijzen.
De (moeder van) de benadeelde partij heeft een beveiligingscamera aangeschaft om de angst
van de benadeelde partij voor verdachte te verminderen. De kosten hiervoor bedragen
€ 49,99. Hoewel de kosten van beveiligingsmaatregelen onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade, is het hof met de rechtbank van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan. De benadeelde partij zal voor wat deze post betreft in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De opgevoerde immateriële schade komt gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het in de zaak met parketnummer
08-237724-20 onder 2 bewezenverklaarde feit schade rechtstreeks heeft geleden die binnen meerdere categorieën van artikel 6:106 BW Pro valt (waaronder lichamelijk letsel). Deze schade is aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid met inachtneming van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, op € 300,00, en zal de vordering in zoverre toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Proceskosten
Wat betreft de proceskosten zal het hof bepalen dat elk van de partijen haar eigen kosten draagt.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 57, 62, 63, 157, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.6a van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
32 (tweeëndertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze contact op en/of onderhoudt op geen enkele wijze contact met:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 1970,
- [naam 2] , geboren [geboortedag] 1970,
- [naam 3] , geboren [geboortedag] 2003,
- [naam 1] , geboren [geboortedag] 1998,
- [naam 4] , geboren [geboortedag] 1995,
- [slachtoffer 2] , geboren [geboortedag] 2003.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 28.143,81 (achtentwintigduizend honderddrieënveertig euro en eenentachtig cent)bestaande uit € 14.143,81 (veertienduizend honderddrieënveertig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s)
hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijkis, vermeerderd met de
wettelijke rentevanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-261921-20 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.393,81 (achtentwintigduizend driehonderddrieënnegentig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 14.393,81 (veertienduizend driehonderddrieënnegentig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 176 (honderdzesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 september 2020.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.160,00 (duizend honderdzestig euro)bestaande uit € 860,00 (achthonderdzestig euro) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.950,00 (duizend negenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-237724-20 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.160,00 (duizend honderdzestig euro) bestaande uit € 860,00 (achthonderdzestig euro) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 juli 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. D. Stikkelbroeck, mr. R.H. Koning, mr. J. Corthals en in aanwezigheid van de griffier mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 november 2025.