ECLI:NL:GHARL:2025:7237

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
21-001434-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing jeugdstrafrecht bij bedreiging en vrijspraak voor poging doodslag na schieten op woning met vuurwapen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, een jongere, werd beschuldigd van bedreiging en poging tot doodslag na het afvuren van twee schoten met een vuurwapen op een woning. De feiten vonden plaats op 20 augustus 2024, waarbij de verdachte met een vuurwapen op de woning van een gezin schoot, terwijl de bewoners zich op de bovenverdieping bevonden. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van poging doodslag, maar veroordeeld voor bedreiging. Het hof bevestigde de vrijspraak voor poging doodslag, omdat er geen aanmerkelijke kans op de dood van de aanwezige personen was, aangezien zij zich op de eerste verdieping bevonden. Het hof oordeelde dat de verdachte niet had kunnen weten dat er mensen in de woning waren en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een aanmerkelijke kans op letsel zouden rechtvaardigen. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, maar de vorderingen van de kinderen werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van geestelijk letsel. De verdachte kreeg een jeugddetentie van 365 dagen, waarvan 319 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met de slachtoffers.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001434-25
Uitspraakdatum: 18 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 14 maart 2025 met parketnummer 05-271742-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-265157-23, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonadres] , [woonplaats] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. van den Berg en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen poging doodslag. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor de onder 1 subsidiair tenlastegelegde bedreiging en het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een getransformeerd gas/alarmpistool.
De rechtbank heeft het jeugdstrafrecht toegepast en aan verdachte – samengevat – opgelegd:
- een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 320 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met diverse bijzondere voorwaarden met aftrek van de tijd die verdachte als in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
- de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een locatieverbod voor [plaats] en een contactverbod met de slachtoffers voor de duur van twee jaren;
- tenuitvoerlegging van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 40 uur;
- gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. Primair
hij op of omstreeks 20 augustus 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] opzettelijk van het leven te beroven:
- die [benadeelde 1] een bericht heeft gestuurd met de tekst dat die [benadeelde 1] over de brug moet komen, omdat die [benadeelde 1] anders niet veilig is en/of woorden van gelijke strekking en/of
-(daarna) op de openbare weg een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, heeft getrokken en/of
-(vervolgens) met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op de woning van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] heeft geschoten, terwijl [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] in de woning aanwezig was/waren en/of
- deze handelingen heeft gefilmd en/of opgenomen met een mobiele telefoon, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. Subsidiair
hij op of omstreeks 20 augustus 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door
- die [benadeelde 1] een bericht te sturen met de tekst dat die [benadeelde 1] over de brug moet komen, omdat die [benadeelde 1] anders niet veilig is en/of woorden van gelijke strekking en/of
- ( daarna) op de openbare weg een vuurwapen te trekken en/of
- ( vervolgens) met een vuurwapen op de woning van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] te schieten, terwijl [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] in de woning aanwezig was/waren en/of
- deze handelingen te filmen en/of op te nemen met een mobiele telefoon, althans telkens handelingen van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 1 september 2024 te [plaats] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) (gas/alarm)pistool, van het merk Bolt TR 14, kaliber 9mm PAK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Feit 1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, nu verdachte bij het schieten op de woning voorwaardelijk opzet had op de dood van de slachtoffers. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de aanmerkelijke kans feitelijk moet kunnen worden vastgesteld, theoretische vaststelling is voldoende.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, nu tijdens het schieten op de woning geen aanmerkelijke kans op de dood van slachtoffers bestond. Zij bevonden zich immers niet in de woonkamer van de woning.

Oordeel van het Hof

Vaststellingen van de feiten [1]
Op grond van de hier na genoemde wettige bewijsmiddelen staat het volgende vast, wat door de verdediging ook niet ter discussie is gesteld.
Verdachte heeft op 20 augustus 2024 op de openbare weg met een vuurwapen tweemaal geschoten op de woning aan de [adres] te [plaats] . Hij heeft dit gedaan, omdat hij een conflict had met [benadeelde 1] ( [bijnaam] ). [2] Verdachte wilde met het schieten op de woning en het filmen van het schieten [benadeelde 1] afschrikken. [3] Verdachte heeft er op dat moment helemaal niet aan gedacht dat er ook andere mensen dan [benadeelde 1] in de woningen woonden en dat die thuis zouden kunnen zijn. Wel wist hij dat [benadeelde 1] een moeder en een zus had. [4]
Op de telefoon van verdachte is een filmpje aangetroffen waarop te zien is dat de woning aan de [adres] te [plaats] beschoten wordt. [5] Uit onderzoek is gebleken dat omstreeks 20:34 uur op de woning is geschoten. [6] Beide kogels hebben een ruit van de woonkamer doorboord. Achter de ruit bevond zich de eettafel. De ene kogel is binnengekomen op een hoogte van 195 centimeter en de andere kogel op een hoogte van 141 centimeter gemeten vanaf de vloer. Één kogel is ingeslagen in de tussendeur naar de hal op een hoogte van 122 centimeter gemeten vanaf de vloer. De andere kogel is ingeslagen in een tussenwand op een hoogte van 224 centimeter gemeten vanaf de vloer. [7]
In de woning woont [benadeelde 2] met haar 7 kinderen. Op 20 augustus 2024 was zij ’s avonds thuis met haar drie jongste kinderen ( [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] ). Tot ongeveer 19:30 uur zat zij met [benadeelde 4] aan de eettafel. Toen de woning beschoten werd, waren zij en haar kinderen op de bovenverdieping van de woning. Haar oudste zoon [benadeelde 1] was toen niet thuis. [8] Na het schieten heeft verdachte aan [benadeelde 1] een bericht gestuurd, inhoudende: “
Je moet
kijken wat er met je ouders huis gebeurd, anders ga ik naar jou osso komen”. [9] Het hof begrijpt dat met osso, woning bedoeld wordt.
De drie jongste kinderen heten officieel [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] . [10]
Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde
Om te komen tot een bewezenverklaring van een poging doodslag moet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van de slachtoffers. Hiervoor is noodzakelijke dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op hun dood heeft aanvaard.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit de geldende jurisprudentie volgt dat het moet gaan om een feitelijke aanmerkelijke kans en niet om een theoretische aanmerkelijke kans. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2005, waarin in een soortgelijke zaak onder meer werd overwogen:
“Voor wat betreft feit 2 schiet de motivering van het bewezenverklaarde (voorwaardelijke) opzet te kort. Dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat [getuige 2] door het schot lichamelijk letsel zou bekomen, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen. Uit die bewijsmiddelen kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat zij zich ten tijde van het schot in de in de desbetreffende kamer bevond. Ook de bewezenverklaring houdt op dit punt niet meer in dat dat zij zich in de woning bevond. Gelet op de aldus opengebleven mogelijkheid dat [getuige 2] ten tijde van het schot niet in bedoelde kamer, maar elders in de woning vertoefde, is ’s Hofs oordeel, inhoudende dat een aanmerkelijk kans bestond dat de kogel via het plafond of via een ander voorwerp van baan zou veranderen en haar zou raken niet zonder meer begrijpelijk.” [11]
Het is ook nu nog geldende jurisprudentie dat uit de bewijsmiddelen moet volgen dat een mogelijk slachtoffer zich ten tijde van een schot in de desbetreffende kamer bevond en niet slechts in de woning. Het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1648) brengt hier geen verandering in. In de zaak tegen verdachte is immers niet gebleken van bijzondere omstandigheden/toevalligheden die maken dat anders geoordeeld moet worden. Uit de verklaring van [benadeelde 2] leidt het hof af dat zij de betreffende avond op het normale tijdstip met haar drie jongste kinderen naar boven is gegaan.
Nu vaststaat dat aangeefster en haar kinderen niet in de woonkamer waren, maar al bijna een uur boven in bed lagen, kan niet worden gesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat zij geraakt zouden worden door de door verdachte afgevuurde kogels die een verdieping lager zijn ingeslagen.
Ten overvloede merkt het hof op dat de omstandigheid dat verdachte door zijn handelen en de omstandigheden waaronder - het op een zomeravond rond 20:30 uur afvuren van twee kogels door een woonkamerraam van een woning, zonder vooraf te controleren of mensen thuis waren - mogelijk willens en wetens de kans heeft aanvaard dat hij iemand zou raken, niet maakt dat alsnog voorwaardelijk opzet bewezen kan worden. De aanmerkelijke kans, die wettig en overtuigend bewezen moet kunnen worden, gaat immers vooraf aan het aanvaarden van die aanmerkelijke kans. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.
Het hof spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Bewijsoverwegingen
Het hof acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, te weten bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, wettig en overtuigend bewezen. Hiervoor is niet vereist dat komt vast te staan dat verdachte het opzet had om de slachtoffers van het leven te beroven. Voldoende is dat (1) komt vast te staan dat de slachtoffers van de bedreiging op de hoogte zijn geraakt en dat bij hen de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer gelegd zou worden en (2) dat verdachte het opzet had op het ontstaan van de vrees bij de slachtoffers en dat zij van de bedreiging op de hoogte zouden raken.
[benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] waren thuis toen de woning werd beschoten. [benadeelde 1] was niet thuis, maar is door zijn moeder gebeld en heeft van verdachte een bericht ontvangen dat hij naar de woning moest gaan kijken, omdat verdachte anders naar de woning zou komen. Zo is ook hij op de hoogte gekomen.
Achter de ruit waar de kogels binnen zijn gekomen, stond de eettafel waar [benadeelde 2] tot een uur daarvoor met haar dochtertje [benadeelde 4] had gezeten. Zeker één van de kogels is ingeslagen op een hoogte dat een mens geraakt zou kunnen worden en daarbij het leven zou kunnen laten.
De aard en omstandigheden van het schieten en het dreigen van verdachte om terug te komen, maken dat bij alle vijf de slachtoffers de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte de bedreiging ten uitvoer zou kunnen leggen.
Verdachte heeft erkend dat hij twee kogels op de woning heeft afgevuurd om [benadeelde 1] schrik aan te jagen. Hij heeft hierna ook contact gezocht met [benadeelde 1] om hem te wijzen op zijn daad en te zeggen dat hij, verdachte, terug kon komen. Daarmee heeft verdachte het volle opzet gehad om [benadeelde 1] te bedreigen. Ten aanzien van de andere slachtoffers is minstens voorwaardelijk opzet bij verdachte aanwezig. Verdachte heeft niet gecontroleerd of er mensen in de woning aanwezig waren. Verdachte wist wel dat [benadeelde 1] nog een moeder en een zus had. De woning die beschoten is, betreft een eengezinswoning. Verdachte schrijft in zijn bericht ook dat [benadeelde 1] de woning van zijn ouders moest gaan controleren, waaruit het hof afleidt dat verdachte vooraf wist dat [benadeelde 1] niet alleen in de woning woonde. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat anderen dan [benadeelde 1] door zijn handelen bedreigd zouden worden.
Nu uit wettige bewijsmiddelen niet is gebleken van medeplegen, noch van het versturen van een bericht met de tekst, zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, zal het hof verdachte daarvan vrijspreken.
Feit 2
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof.
Het oordeel van het hof
Er is spraken van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [plaats] ), pagina’s 398 en 399 van het procesdossier;
- het proces-verbaal onderzoek wapen, pagina 408 van het procesdossier;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 28 februari 2025.
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.subsidiair
hij op
of omstreeks20 augustus 2024 te [plaats]
, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,[benadeelde 1] en
/of[benadeelde 2] en
/of[benadeelde 3] en
/of[benadeelde 4] en
/of[benadeelde 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of zware mishandelingdoor
- die [benadeelde 1] een bericht te sturen met de tekst dat die [benadeelde 1] over de brug moet komen, omdat die [benadeelde 1] anders niet veilig is en/of woorden van gelijke strekking en/of
-
(daarna)op de openbare weg een vuurwapen te trekken en
/of - (vervolgens
)met een vuurwapen op de woning van die [benadeelde 1] en
/of[benadeelde 2] en
/of[benadeelde 3] en
/of[benadeelde 4] en
/of[benadeelde 5] te schieten, terwijl [benadeelde 2] en
/of[benadeelde 3] en
/of[benadeelde 4] en
/of[benadeelde 5] in de woning aanwezig
was/waren en
/of
- deze handelingen te filmen en/of op te nemen met een mobiele telefoon
, althans telkens handelingen van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op
of omstreeks1 september 2024 te [plaats] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(getransformeerd
) (gas/alarm
)pistool, van het merk Bolt TR 14, kaliber 9mm PAK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool voorhanden heeft gehad;
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een straf en maatregel wordt opgelegd conform het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat bij verdachte het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. Aan verdachte zou een onvoorwaardelijke jeugddetentie moeten worden opgelegd conform het door hem reeds ondergane voorarrest. De voorwaardelijke jeugddetentie zou lager moeten zijn dan de rechtbank heeft opgelegd. Aan het voorwaardelijke deel kunnen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, waaronder het contactverbod met de slachtoffers. Er is geen ruimte meer voor een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Ditzelfde geldt voor het gebiedsverbod voor [plaats] . Met het opleggen van een taakstraf zou verdachte overvraagd worden.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Beschrijving van het feit
Verdachte heeft tweemaal geschoten op de woonkamerruit van een woning, op een tijdstip dat mensen veelal thuis zijn. Het hof is het met de rechtbank eens dat dit een uitermate indringende en intimiderende bedreiging is en dat het toeval is geweest dat er op dat moment niemand in de woonkamer aanwezig was.
Op het moment van schieten heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de bewoners en voor hun gevoel van veiligheid. Hij heeft op dat moment alleen gedacht aan het opkrikken van zijn eigen positie. Hij wilde niet (meer) gezien worden als een kleine jongen die over zich heen liet lopen. Verdachte heeft zeer egocentrisch gehandeld.
Het hof is overtuigd dat verdachte vrij snel daarna, al op het politiebureau, doordrongen is geraakt van de ernst van zijn eigen handelen. Hij is onder meer geschrokken van het feit dat de jonge kinderen uit het gezin [benadeelde partijen] in de woning aanwezig waren.
Het baart het hof zorgen dat een jonge jongen als verdachte over twee vuurwapens kon beschikken. Met vuurwapens kan groot leed worden aangericht. Verdachte heeft een van deze wapens ook daadwerkelijk gebruikt met alle risico’s van dien. Het feit dat jonge jongens in het straatleven dit soort wapens voorhanden hebben veroorzaakt grote gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten net 18 jaar oud. Verdachte heeft 46 dagen in voorarrest gezeten, waarvan een deel in algehele beperkingen. Nadien is verdachte geschorst en heeft hij geruime tijd (7 maanden) met een enkelband gelopen en moest hij zich onder andere houden aan een avondklok. Verdachte heeft deze periode als zwaar ervaren. Het schorsingstoezicht is niet zonder slag of stoot verlopen. Tijdens het schorsingstoezicht hebben zich in verdachtes leven heftige gebeurtenissen voorgedaan. Desondanks heeft verdachte de draad weer weten op te pakken en stelt hij zich open op tijdens zijn behandeling en naar de jeugdreclassering. Hij werk op dit moment vier dagen in de week. Verdachte woont in een woongroep van [naam woongroep] .
Het hof heeft op basis van de terechtzitting van 4 november 2025 het beeld gekregen dat verdachte erg geschrokken is van zijn eigen handelen en daadwerkelijk het straatleven achter zich wil laten.
Verdachte liep ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd voor een voorwaardelijke veroordeling van 40 uur werkstraf voor opzetheling. Nadien is verdachte nog tweemaal veroordeeld voor een overtreding tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof houdt rekening met deze veroordelingen als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Vertrekpunt
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen zijn oriëntatiepunten beschikbaar, te weten een straf vanaf zes weken jeugddetentie. Voor bedreiging door middel van het tonen van een vuurwapen zijn eveneens oriëntatiepunten beschikbaar, te weten een taakstraf vanaf 120 uur. Voor bedreiging door met een vuurwapen te schieten zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof daarom gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Toepassing jeugdstrafrecht
Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten die ten tijde van het feit 18 tot 23 jaar oud zijn, berechten volgens het jeugdstrafrecht, als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de adolescent of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Factoren die een indicatie kunnen vormen voor toepassing van het jeugdstrafrecht kunnen bijvoorbeeld zijn: het haalbaar zijn van een pedagogische aanpak, het actief deelnemen aan een gezin of een afhankelijkheidsrelatie met ouders/verzorgers.
Gelet op de persoon van verdachte ziet het hof aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten pas net 18 jaar geworden. Verdachte woont op een woongroep binnen een pedagogische setting. Voorafgaand aan de feiten liep al een traject bij de jeugdreclassering. Ter zitting is nogmaals gebleken dat het wenselijk is dat verdachte onder toezicht blijft van de jeugdreclassering en hier ook baat bij heeft.
Waardering en wegen
Gelet op de ernst van de bedreiging en de omstandigheid dat verdachte op jonge leeftijd de beschikking had over twee vuurwapens, maakt dat het hof in beginsel een lange onvoorwaardelijke jeugddetentie passend vindt.
De speciale preventie, dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten meer pleegt, is echter meer gebaat bij het voorzetten van het al geruime tijd lopende traject bij de jeugdreclassering dan bij het opnieuw vastzetten van verdachte. De voorlopige hechtenis heeft grote indruk op verdachte gemaakt. Een groot voorwaardelijk strafdeel benadrukt de ernst van de feiten en zal daarnaast verdachte helpen om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden die gekoppeld zullen worden aan dit strafdeel.
Het hof komt tot oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek overeenkomstigs artikel 27 van het wetboek van Strafrecht, waarvan 319 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, alsmede een contactverbod met [benadeelde 2] , [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 3] en [benadeelde 5] en een locatieverbod voor [plaats] , conform onderstaand kaartje.
[ Afbeelding inhoudende gebied van locatieverbod]
Het hof verklaart de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar, nu niet is gebleken dat op dit moment er nog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen (artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht). Het locatieverbod en het contactverbod met [benadeelde 2] zijn, zolang dit arrest van het hof niet onherroepelijk is, ook ondervangen door de nog lopende schorsingsvoorwaarden.
Afwijzen verzoek 38v-maatregel
Anders dan de rechtbank, legt het hof aan verdachte geen maatregel op in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het in de bijzondere voorwaarden opgenomen contact- en locatieverbod geven afdoende beveiliging aan de slachtoffers en de maatschappij, alsmede wordt op die manier afdoende voorkomen dat verdachte nieuwe strafbare feiten pleegt.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 05-265157-23 is verdachte op 26 juni 2024 door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft binnen de proeftijd de algemene voorwaarden overtreden door het plegen van de bewezenverklaarde feiten. In beginsel komt de vordering tenuitvoerlegging daarmee voor toewijzing in aanmerking. Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging desalniettemin af, omdat het hof wil voorkomen dat verdachte overvraagd wordt in het traject dat hij op grond van de bijzondere voorwaarden te doorlopen heeft.
Vorderingen van de benadeelde partijen
In verband met feit 1 hebben de volgende benadeelde partijen bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding ingediend:
  • [benadeelde 2] vorderde € 6.830,- aan materiële schade, bestaande uit vervanging van een deur, vervanging van een draagmuur, herstel van de trap, vervanging van de vitrage, herstel van het rolluik en vervanging van de kast, en daarnaast € 5.000,- aan immateriële schade;
  • [benadeelde 1] vorderde € 6.000,- aan immateriële schade;
  • [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] vorderden elk € 4.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de volgende bedragen toegewezen:
  • aan [benadeelde 2] € 830,- aan materiële schadevergoeding en € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering;
  • aan [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] elk € 1.000,- aan immateriële schade, voor het overige zijn deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.
De toegekende bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente per 20 augustus 2024. Daarnaast heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank heeft [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, nu het vaststellen van het wel of niet aanwezig zijn van eigen schuld een onevenredige belasting zou zijn van het strafgeding.
Alle benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geadviseerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden afgedaan conform de beslissingen van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de materiële schade van [benadeelde 2] geschat kan worden op € 500,-, nu de kast en de deur ook met vulmiddel konden worden hersteld en onvoldoende is onderbouwd waarom de draagmuur volledig vervangen zou moeten worden en de trap voor herstel uit elkaar gehaald zou moeten worden.
De vordering immateriële schadevergoeding voor [benadeelde 2] moet worden beperkt tot € 1.000,-, gelet op de jurisprudentie in soortgelijke zaken.
De vordering immateriële schadevergoeding voor [benadeelde 1] moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat hij niet in de woning was ten tijde van het schieten. Daarnaast speelt eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek een rol. Uiterst subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het verzoek beperkt moet worden tot een bedrag van € 1.000,-.
De vorderingen immateriële schadevergoeding voor [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] dienen te worden afgewezen bij gebrek aan een deugdelijke motivering, subsidiair dienen zij beperkt te worden tot een bedrag van € 750,- per kind.

Het oordeel van het hof

Nu alle benadeelde partijen zich in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd, zal het hof dienen te oordelen over de volle omvang van de vorderingen, zoals ingediend bij de rechtbank.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Materiële schade
Het hof stelt vast dat de schade aan de deur, de vitrage, het rolluik en de kast voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd dat het laten wegwerken van de schade aan de deur en de kast met vulmiddel tot schadebeperking zou hebben geleid. Het hof wijst een bedrag van € 830,- toe.
De kosten voor het herstel van de trap en het vervangen van de draagmuur zijn onvoldoende onderbouwd. Het hof verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in dit deel van haar vordering.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij op grond van het onder 1 bewezenverklaarde op andere wijze in haar persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek. [benadeelde 2] stelt dat zij door haar huisarts is verwezen naar een psycholoog. Samengevat voert zij verder aan dat zij zich niet meer veilig voelt in haar eigen huis. Zij leeft elke dag met angst. Door geluiden of personen die het trauma triggeren, krijgt zij een paniekaanval. De klachten beheersen haar leven.
De verdachte heeft de gestelde klachten niet betwist en evenmin betwist dat daardoor [benadeelde 2] op andere wijze in haar persoon is aangetast. Het hof vindt het ontstaan van de klachten, gelet op de aard van het bewezenverklaarde onder 1, goed voorstelbaar.
Het hof heeft acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Het hof schaalt de klachten van [benadeelde 2] in op categorie d. van “Geestelijk letsel algemeen” en kent [benadeelde 2] een schadevergoeding toe tot een bedrag van € 3.500,-.
Voor het overige verklaart het hof [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Verdachte is over de toegekende bedragen vanaf 20 augustus 2024 wettelijke rente verschuldigd.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft gesteld dat hij op grond van het onder 1 bewezenverklaarde op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van de strafgeding oplevert, nu moet worden vastgesteld of en in welke mate [benadeelde 1] eigen schuld heeft aan het ontstaan van de gestelde schade, gelet op het tussen hem en verdachte langer spelende conflict, waarbij uit het procesdossier aanwijzingen naar voren komen dat [benadeelde 1] zich ook ten aanzien van verdachte niet onbetuigd heeft gelaten. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3]
De benadeelde partijen hebben gesteld dat zij op grond van het onder 1 bewezenverklaarde op andere wijze in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Zij hebben daartoe aangevoerd dat zij de kogels hebben horen inslaan in de woonkamer waar zij vlak daarvoor nog zaten. Zij hebben tevens de paniek gevoeld die daarop volgde. Zij hebben sindsdien angstgevoelens en een voortdurend gevoel van onveiligheid. Ze schrikken snel van harde geluiden en hebben last van slapeloosheid. Door het tijdelijk moeten onderduiken, is hun gevoel van stabiliteit volledig verstoord.
Namens de benadeelde partijen is nagelaten dit gestelde geestelijk letsel objectief te onderbouwen. De verdachte heeft het gestelde geestelijk letsel betwist. Het hof oordeelt dat, hoewel de gestelde klachten voorstelbaar zijn, het bij gebrek aan onderbouwing met stukken onvoldoende objectief kan vaststellen dat bij de drie kinderen sprake is van geestelijk letsel. Daardoor kan het hof onvoldoende vaststellen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Ook is er gelet op alle omstandigheden (o.a. ten tijde van het incident lagen de kinderen te slapen) naar het oordeel van het hof geen sprake van een situatie waarbij aard en de ernst van de normschending op zichzelf al meebrengen dat de nadelige gevolgen van de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Verdere behandeling van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering. Zij kunnen hun vordering aanhangig maken bij de Burgerlijke rechter.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
319 (driehonderdnegentien) dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij:
  • de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
  • de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of
  • geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen,
dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd, inhoudende dat:
  • verdachte zich uiterlijk op binnen drie dagen na dit vonnis zal melden bij Jeugd Veilig en Verder, onderdeel van Jeugdbescherming, en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;
  • verdachte zal gedurende de proeftijd meewerken aan diagnostiek/ persoonlijkheidsonderzoek en zal zich, indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk
acht, laten behandelen door forensisch psychiatrische polikliniek Kairos of een
soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die in dat kader worden gegeven;
  • verdachte gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [naam woongroep] of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld;
  • verdachte is gedurende de proeftijd open over zijn middelengebruik en is verplicht mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek of ademonderzoek om dit middelengebruik te controleren, zolang en zo vaak de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Jeugdreclassering bepaalt met welke controlemiddelen dit wordt
gecontroleerd;
- verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van onderwijs, (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding of een andere zinvolle
dagbesteding met een vaste structuur, in overleg met de jeugdreclassering;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
o [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum] 1981,
o [benadeelde 5] , geboren op [geboortedatum] 2019,
o [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2004,
o [benadeelde 4] , geboren op [geboortedatum] 2018,
o [benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum] 2016 en
zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in [plaats] , in navolging van
onderstaande kaart, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht:
[ Afbeelding inhoudende gebied van locatieverbod]
Geeft opdracht aan Jeugd Veilig en Verder, onderdeel van Jeugdbescherming, tot het
houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding
van verdachte ten behoeve daarvan;
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 22 januari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland van 26 juni 2024, parketnummer 05-265157-23, voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.330,00 (vierduizend driehonderddertig euro) bestaande uit € 830,00 (achthonderddertig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.330,00 (vierduizend driehonderddertig euro) bestaande uit € 830,00 (achthonderddertig euro) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
53 dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 augustus 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. Zwartjes, mr. R.W. van Zuijlen en mr. N.I.S. Boers, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H. van Dalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 november 2025.

Voetnoten

1.In de hierna vermelde bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2024112281200, pagina 1 tot en met 475, gesloten en getekend op 28 oktober 2024, door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, nader te noemen: het politiedossier.
2.Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 28 februari 2025 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 2.
3.Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 28 februari 2025 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, inhoudende de verklaring van verdachte, pagina 4.
4.Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 4 november 2025 van het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, inhoudende de verklaring van verdachte.
5.Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 272 en 275 van het procesdossier.
6.Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 305 tot en met 308 van het procesdossier.
7.Proces-verbaal forensisch onderzoek woning, pagina’s 361 tot en met pagina 365 van het procesdossier.
8.Proces-verbaal van aangifte, pagina 238 en 239 van het procesdossier.
9.Screenshot op pagina 252 van het procesdossier, proces-verbaal van verhoor [getuige] , pagina 256 van het procesdossier en proces-verbaal van aangifte pagina 239 van het proces-dossier.
10.Verzoeken tot schadevergoeding van [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] .