[benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] waren thuis toen de woning werd beschoten. [benadeelde 1] was niet thuis, maar is door zijn moeder gebeld en heeft van verdachte een bericht ontvangen dat hij naar de woning moest gaan kijken, omdat verdachte anders naar de woning zou komen. Zo is ook hij op de hoogte gekomen.
Achter de ruit waar de kogels binnen zijn gekomen, stond de eettafel waar [benadeelde 2] tot een uur daarvoor met haar dochtertje [benadeelde 4] had gezeten. Zeker één van de kogels is ingeslagen op een hoogte dat een mens geraakt zou kunnen worden en daarbij het leven zou kunnen laten.
De aard en omstandigheden van het schieten en het dreigen van verdachte om terug te komen, maken dat bij alle vijf de slachtoffers de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte de bedreiging ten uitvoer zou kunnen leggen.
Verdachte heeft erkend dat hij twee kogels op de woning heeft afgevuurd om [benadeelde 1] schrik aan te jagen. Hij heeft hierna ook contact gezocht met [benadeelde 1] om hem te wijzen op zijn daad en te zeggen dat hij, verdachte, terug kon komen. Daarmee heeft verdachte het volle opzet gehad om [benadeelde 1] te bedreigen. Ten aanzien van de andere slachtoffers is minstens voorwaardelijk opzet bij verdachte aanwezig. Verdachte heeft niet gecontroleerd of er mensen in de woning aanwezig waren. Verdachte wist wel dat [benadeelde 1] nog een moeder en een zus had. De woning die beschoten is, betreft een eengezinswoning. Verdachte schrijft in zijn bericht ook dat [benadeelde 1] de woning van zijn ouders moest gaan controleren, waaruit het hof afleidt dat verdachte vooraf wist dat [benadeelde 1] niet alleen in de woning woonde. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat anderen dan [benadeelde 1] door zijn handelen bedreigd zouden worden.
Nu uit wettige bewijsmiddelen niet is gebleken van medeplegen, noch van het versturen van een bericht met de tekst, zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, zal het hof verdachte daarvan vrijspreken.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof.
Er is spraken van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [plaats] ), pagina’s 398 en 399 van het procesdossier;
- het proces-verbaal onderzoek wapen, pagina 408 van het procesdossier;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 28 februari 2025.
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.subsidiair
hij op
of omstreeks20 augustus 2024 te [plaats]
, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,[benadeelde 1] en
/of[benadeelde 2] en
/of[benadeelde 3] en
/of[benadeelde 4] en
/of[benadeelde 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of zware mishandelingdoor
- die [benadeelde 1] een bericht te sturen met de tekst dat die [benadeelde 1] over de brug moet komen, omdat die [benadeelde 1] anders niet veilig is en/of woorden van gelijke strekking en/of
-
(daarna)op de openbare weg een vuurwapen te trekken en
/of - (vervolgens
)met een vuurwapen op de woning van die [benadeelde 1] en
/of[benadeelde 2] en
/of[benadeelde 3] en
/of[benadeelde 4] en
/of[benadeelde 5] te schieten, terwijl [benadeelde 2] en
/of[benadeelde 3] en
/of[benadeelde 4] en
/of[benadeelde 5] in de woning aanwezig
was/waren en
/of
- deze handelingen te filmen en/of op te nemen met een mobiele telefoon
, althans telkens handelingen van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op
of omstreeks1 september 2024 te [plaats] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(getransformeerd
) (gas/alarm
)pistool, van het merk Bolt TR 14, kaliber 9mm PAK, zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool voorhanden heeft gehad;
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een straf en maatregel wordt opgelegd conform het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat bij verdachte het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. Aan verdachte zou een onvoorwaardelijke jeugddetentie moeten worden opgelegd conform het door hem reeds ondergane voorarrest. De voorwaardelijke jeugddetentie zou lager moeten zijn dan de rechtbank heeft opgelegd. Aan het voorwaardelijke deel kunnen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, waaronder het contactverbod met de slachtoffers. Er is geen ruimte meer voor een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Ditzelfde geldt voor het gebiedsverbod voor [plaats] . Met het opleggen van een taakstraf zou verdachte overvraagd worden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Beschrijving van het feit
Verdachte heeft tweemaal geschoten op de woonkamerruit van een woning, op een tijdstip dat mensen veelal thuis zijn. Het hof is het met de rechtbank eens dat dit een uitermate indringende en intimiderende bedreiging is en dat het toeval is geweest dat er op dat moment niemand in de woonkamer aanwezig was.
Op het moment van schieten heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de bewoners en voor hun gevoel van veiligheid. Hij heeft op dat moment alleen gedacht aan het opkrikken van zijn eigen positie. Hij wilde niet (meer) gezien worden als een kleine jongen die over zich heen liet lopen. Verdachte heeft zeer egocentrisch gehandeld.
Het hof is overtuigd dat verdachte vrij snel daarna, al op het politiebureau, doordrongen is geraakt van de ernst van zijn eigen handelen. Hij is onder meer geschrokken van het feit dat de jonge kinderen uit het gezin [benadeelde partijen] in de woning aanwezig waren.
Het baart het hof zorgen dat een jonge jongen als verdachte over twee vuurwapens kon beschikken. Met vuurwapens kan groot leed worden aangericht. Verdachte heeft een van deze wapens ook daadwerkelijk gebruikt met alle risico’s van dien. Het feit dat jonge jongens in het straatleven dit soort wapens voorhanden hebben veroorzaakt grote gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten net 18 jaar oud. Verdachte heeft 46 dagen in voorarrest gezeten, waarvan een deel in algehele beperkingen. Nadien is verdachte geschorst en heeft hij geruime tijd (7 maanden) met een enkelband gelopen en moest hij zich onder andere houden aan een avondklok. Verdachte heeft deze periode als zwaar ervaren. Het schorsingstoezicht is niet zonder slag of stoot verlopen. Tijdens het schorsingstoezicht hebben zich in verdachtes leven heftige gebeurtenissen voorgedaan. Desondanks heeft verdachte de draad weer weten op te pakken en stelt hij zich open op tijdens zijn behandeling en naar de jeugdreclassering. Hij werk op dit moment vier dagen in de week. Verdachte woont in een woongroep van [naam woongroep] .
Het hof heeft op basis van de terechtzitting van 4 november 2025 het beeld gekregen dat verdachte erg geschrokken is van zijn eigen handelen en daadwerkelijk het straatleven achter zich wil laten.
Verdachte liep ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd voor een voorwaardelijke veroordeling van 40 uur werkstraf voor opzetheling. Nadien is verdachte nog tweemaal veroordeeld voor een overtreding tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof houdt rekening met deze veroordelingen als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen zijn oriëntatiepunten beschikbaar, te weten een straf vanaf zes weken jeugddetentie. Voor bedreiging door middel van het tonen van een vuurwapen zijn eveneens oriëntatiepunten beschikbaar, te weten een taakstraf vanaf 120 uur. Voor bedreiging door met een vuurwapen te schieten zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof daarom gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Toepassing jeugdstrafrecht
Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten die ten tijde van het feit 18 tot 23 jaar oud zijn, berechten volgens het jeugdstrafrecht, als hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de adolescent of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Factoren die een indicatie kunnen vormen voor toepassing van het jeugdstrafrecht kunnen bijvoorbeeld zijn: het haalbaar zijn van een pedagogische aanpak, het actief deelnemen aan een gezin of een afhankelijkheidsrelatie met ouders/verzorgers.
Gelet op de persoon van verdachte ziet het hof aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten pas net 18 jaar geworden. Verdachte woont op een woongroep binnen een pedagogische setting. Voorafgaand aan de feiten liep al een traject bij de jeugdreclassering. Ter zitting is nogmaals gebleken dat het wenselijk is dat verdachte onder toezicht blijft van de jeugdreclassering en hier ook baat bij heeft.
Gelet op de ernst van de bedreiging en de omstandigheid dat verdachte op jonge leeftijd de beschikking had over twee vuurwapens, maakt dat het hof in beginsel een lange onvoorwaardelijke jeugddetentie passend vindt.
De speciale preventie, dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten meer pleegt, is echter meer gebaat bij het voorzetten van het al geruime tijd lopende traject bij de jeugdreclassering dan bij het opnieuw vastzetten van verdachte. De voorlopige hechtenis heeft grote indruk op verdachte gemaakt. Een groot voorwaardelijk strafdeel benadrukt de ernst van de feiten en zal daarnaast verdachte helpen om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden die gekoppeld zullen worden aan dit strafdeel.
Het hof komt tot oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek overeenkomstigs artikel 27 van het wetboek van Strafrecht, waarvan 319 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, alsmede een contactverbod met [benadeelde 2] , [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 3] en [benadeelde 5] en een locatieverbod voor [plaats] , conform onderstaand kaartje.
[ Afbeelding inhoudende gebied van locatieverbod]
Het hof verklaart de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar, nu niet is gebleken dat op dit moment er nog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen (artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht). Het locatieverbod en het contactverbod met [benadeelde 2] zijn, zolang dit arrest van het hof niet onherroepelijk is, ook ondervangen door de nog lopende schorsingsvoorwaarden.
Afwijzen verzoek 38v-maatregel
Anders dan de rechtbank, legt het hof aan verdachte geen maatregel op in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het in de bijzondere voorwaarden opgenomen contact- en locatieverbod geven afdoende beveiliging aan de slachtoffers en de maatschappij, alsmede wordt op die manier afdoende voorkomen dat verdachte nieuwe strafbare feiten pleegt.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 05-265157-23 is verdachte op 26 juni 2024 door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft binnen de proeftijd de algemene voorwaarden overtreden door het plegen van de bewezenverklaarde feiten. In beginsel komt de vordering tenuitvoerlegging daarmee voor toewijzing in aanmerking. Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging desalniettemin af, omdat het hof wil voorkomen dat verdachte overvraagd wordt in het traject dat hij op grond van de bijzondere voorwaarden te doorlopen heeft.
Vorderingen van de benadeelde partijen
In verband met feit 1 hebben de volgende benadeelde partijen bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding ingediend:
- [benadeelde 2] vorderde € 6.830,- aan materiële schade, bestaande uit vervanging van een deur, vervanging van een draagmuur, herstel van de trap, vervanging van de vitrage, herstel van het rolluik en vervanging van de kast, en daarnaast € 5.000,- aan immateriële schade;
- [benadeelde 1] vorderde € 6.000,- aan immateriële schade;
- [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] vorderden elk € 4.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de volgende bedragen toegewezen:
- aan [benadeelde 2] € 830,- aan materiële schadevergoeding en € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering;
- aan [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] elk € 1.000,- aan immateriële schade, voor het overige zijn deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.
De toegekende bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente per 20 augustus 2024. Daarnaast heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank heeft [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, nu het vaststellen van het wel of niet aanwezig zijn van eigen schuld een onevenredige belasting zou zijn van het strafgeding.
Alle benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geadviseerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden afgedaan conform de beslissingen van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de materiële schade van [benadeelde 2] geschat kan worden op € 500,-, nu de kast en de deur ook met vulmiddel konden worden hersteld en onvoldoende is onderbouwd waarom de draagmuur volledig vervangen zou moeten worden en de trap voor herstel uit elkaar gehaald zou moeten worden.
De vordering immateriële schadevergoeding voor [benadeelde 2] moet worden beperkt tot € 1.000,-, gelet op de jurisprudentie in soortgelijke zaken.
De vordering immateriële schadevergoeding voor [benadeelde 1] moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat hij niet in de woning was ten tijde van het schieten. Daarnaast speelt eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek een rol. Uiterst subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het verzoek beperkt moet worden tot een bedrag van € 1.000,-.
De vorderingen immateriële schadevergoeding voor [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] dienen te worden afgewezen bij gebrek aan een deugdelijke motivering, subsidiair dienen zij beperkt te worden tot een bedrag van € 750,- per kind.