Appellant maakt gebruik van een erfdienstbaarheid van overpad op het perceel van geintimeerde om zijn eigen perceel met een voertuig te bereiken. In 2021 liet appellant het gedeelte van het overpad op het perceel van geintimeerde opnieuw asfalteren, wat tot geschil leidde. De rechtbank wees alle vorderingen van appellant af, waarna appellant in hoger beroep gedeeltelijk succes zocht.
Het hof oordeelt dat appellant bevoegd was om de asfaltlaag te vernieuwen, mede gelet op een vaststellingsovereenkomst uit 2013 en het feit dat vernieuwing redelijkerwijs noodzakelijk was. Echter, geintimeerde is niet verplicht de vernieuwde asfaltlaag te respecteren, aangezien de overeenkomst haar het recht geeft om klinkers aan te leggen op het betreffende deel van het pad.
Verder bestaat er geen procesuele ondeelbaarheid, zodat appellant terecht alleen geintimeerde heeft gedagvaard. Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de inhoud van een in te schrijven akte ter vastlegging van het recht van erfdienstbaarheid, omdat de huidige onduidelijkheid daarover aanleiding geeft tot geschil.
Ten slotte veroordeelt het hof geintimeerde tot betaling van de helft van de nog te maken kosten voor het vastleggen en inschrijven van de erfdienstbaarheid. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing na het nemen van een akte door partijen over de inhoud van het recht van erfdienstbaarheid.