ECLI:NL:GHARL:2025:7220

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
200.348.973/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake VvE-geschil over besluiten van de vergadering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een appellant die verzocht heeft om een aantal besluiten van de vergadering van de Vereniging van Eigenaars (VvE) Woongebouw [geïntimeerde1] te vernietigen. De kantonrechter had eerder twee besluiten nietig verklaard, maar de appellant wilde in hoger beroep dat het hof nog vijf andere besluiten nietig zou verklaren. De procedure begon met het indienen van het hoger beroep op 10 december 2024 tegen een beschikking van de kantonrechter van 13 november 2024. De mondelinge behandeling vond plaats op 22 oktober 2025, waarbij de leden van de VvE door het hof zijn opgeroepen. Het hof heeft vastgesteld dat de besluiten 7 en 8, die betrekking hebben op de goedkeuring van de balans en exploitatierekening over 2022, nietig zijn verklaard omdat de VvE niet bevoegd was om deze besluiten te nemen. De overige besluiten, die door de appellant zijn aangevochten, zijn door het hof beoordeeld en het hof heeft geconcludeerd dat er geen reden is om deze besluiten voor nietig te houden. Het hof heeft uiteindelijk het hoger beroep verworpen en de appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.973/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10848234
beschikking van 17 november 2025
in de zaak van
[appellant]
die in [woonplaats1] woont
die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als verzoekster
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.J.S. Spanjersberg
tegen
Vereniging van Eigenaars Woongebouw [geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] te [woonplaats2] )
die gevestigd is in [woonplaats2]
en bij de kantonrechter optrad als verweerster
hierna: [geïntimeerde1]
advocaat: mr. F.P.W. Kralt

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft op 10 december 2024 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 november 2024. [1] [geïntimeerde1] heeft op 16 februari 2025 een verweerschrift ingediend. Op 20 oktober 2025 heeft H.M. [geïntimeerde1] , lid en bestuurder van [geïntimeerde1] , nog stukken ingediend. Op 22 oktober 2025 is de zaak mondeling behandeld, waarvoor de leden van [geïntimeerde1] door het hof zijn opgeroepen. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Vervolgens heeft het hof een datum voor beschikking bepaald, die nader is vastgesteld op vandaag.

2.De kern van de zaak

[appellant] heeft bij de kantonrechter verzocht een aantal tijdens de vergadering van [geïntimeerde1] genomen besluiten te vernietigen dan wel nietig te verklaren. De kantonrechter heeft twee besluiten nietig verklaard. In hoger beroep wil [appellant] dat het hof nog vijf besluiten nietig verklaard. Daartoe zal het hof niet overgaan. Dat wordt hierna uitgelegd, nadat het hof eerst de in hoger beroep nog relevante feiten heeft vastgesteld en het nog aan de orde zijnde verzoek heeft beschreven.
3.
De feiten
Het hof gaat uit van de volgende in hoger beroep relevante feiten.
3.1
Woongebouw [geïntimeerde1] is een appartementencomplex dat is verdeeld in 32 appartementen. [appellant] is rechthebbende op één van de appartementsrechten.
3.2
Het woongebouw maakt bouwkundig deel uit van een complex waartoe ook parkeerruimten behoren. Het complex is gesplitst in twee (hoofd)appartementsrechten die zien op het woningencomplex (index 1) en de parkeerruimten (index 2). Bij deze splitsing is de (hoofd)vereniging Vereniging van Eigenaars Complex [geïntimeerde1] (hierna: [geïntimeerde1] ) opgericht.
3.3
Het appartementsrecht index 1 is gesplitst in 32 appartementsrechten. Bij deze ondersplitsing is de Vereniging van Eigenaars Woongebouw [geïntimeerde1] (hierna: [geïntimeerde1] ) opgericht.
3.4
Een vennootschap is gerechtigd tot het appartementsrecht dat ziet op de parkeerruimten (index 2). Deze vennootschap vormt samen met de gezamenlijke appartementseigenaars van [geïntimeerde1] .
3.5
Op 21 november 2023 heeft [geïntimeerde1] een vergadering van eigenaars (hierna: de vergadering) gehouden. In de daarvan opgemaakte notulen zijn onder meer als besluiten vermeld:

7.vaststellen en goedkeuren van de balans per 31-12-2022 van [geïntimeerde1] (…)

Over het voorstel wordt gestemd: 10 voor, 2 tegen, 4 eigenaars stemmen niet; het voorstel is aangenomen.
8vaststellen en goedkeuren van de exploitatierekening over 2022 [geïntimeerde1] (…)
Over het voorstel wordt gestemd: 10 voor, 2 tegen, 4 eigenaars stemmen niet; het voorstel is aangenomen.
9vaststellen en goedkeuren van de balans per 31-12-2022 van [geïntimeerde1] (…)
Over het voorstel wordt gestemd: 9 voor, 2 tegen, 5 eigenaars stemmen niet, het voorstel is aangenomen.
10vaststellen en goedkeuren van de exploitatierekening over 2022 [geïntimeerde1] (…)
Over het voorstel wordt gestemd: 9 voor, 2 tegen, 5 eigenaars stemmen niet; het voorstel is aangenomen.
11besluit over het voorstel om het exploitatieoverschot over 2022 niet terug geven aan de eigenaars maar toe te voegen aan de reserve
Over het voorstel wordt gestemd: 14 voor, l tegen, 1 eigenaar stemt niet; het voorstel is aangenomen.
(...)
14vaststellen en goedkeuren van de balans per 31-12-2021 met gewijzigde opstelling van [geïntimeerde1] (…) (ontving u ook op 26-3-2023)
[geïntimeerde1]: kantonrechter Berendsen heeft 2021 met dezelfde indeling en splitsing als die over 2022 goedgekeurd.
[appellant]: die gewijzigde opstelling is niet door twee eigenaars gecontroleerd en daarom mag er niet over gestemd worden.
Over het voorstel wordt gestemd: 13 voor, 2 tegen, 1 eigenaars stemt niet: het voorstel is aangenomen.
15vaststellen en goedkeuren van de exploitatierekening over 2021 met gewijzigde opstelling [geïntimeerde1] (…) (ontving u ook op 26-3-2023)
[geïntimeerde1]: kantonrechter Berendsen heeft 2021 met dezelfde indeling en splitsing als die over 2022 goedgekeurd.
[appellant]: die gewijzigde opstelling is niet door twee eigenaars gecontroleerd en daarom mag er niet over gestemd worden.
Over het voorstel wordt gestemd: 12 voor, 2 tegen, 2 eigenaars stemt niet; het voorstel is aangenomen.
(...)
3.6
[appellant] heeft bij de kantonrechter onder meer verzocht om de besluiten van de vergadering van [geïntimeerde1] van 21 november 2023 inzake de (agenda)punten 7 tot en met 11, 14 en 15 te vernietigen dan wel nietig te verklaren.
3.7
De kantonrechter heeft de besluiten inzake de (agenda)punten 14 en 15 nietig verklaard en heeft de overige verzoeken van [appellant] afgewezen. Over de proceskosten is bepaald dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.
3.8
[appellant] heeft op 6 december 2024 aan de kantonrechter verzocht om de beschikking van 13 november 2024 aan te vullen dan wel te verbeteren. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen.
3.9
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de besluiten inzake de (agenda)punten 7 tot en met 11 alsnog worden vernietigd of nietig worden verklaard.

4.Het oordeel van het hof

Ontvankelijkheid
4.1
Het door [appellant] ingestelde hoger beroep is, gelet op de daarvoor in artikel 5:130 lid 3, laatste zin, BW bepaalde termijn van één maand, tijdig ingediend. Zij kan daardoor in haar hoger beroep worden ontvangen.
Omvang van het geschil
4.2
[geïntimeerde1] is niet in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kantonrechter tot vernietiging van de besluiten inzake de (agenda)punten 14 en 15 van 21 november 2023. De nietigheid van die besluiten staat daarmee vast. De beoordeling daarvan ligt dus in hoger beroep niet voor.
4.3
[appellant] heeft haar hoger beroep niet mede gericht tegen de afwijzing van haar verzoeken aan de kantonrechter tot het verlenen van vervangende machtiging voor het ontslag van de zittende bestuurder, voor het benoemen van een andere bestuurder en voor het repareren dan wel vervangen van de voordeur van haar appartement. Ook die verzoeken liggen daarmee niet in hoger beroep voor.
Toelaatbaarheid stukken
4.4
Anders dan [appellant] tijdens de mondelinge behandeling heeft verzocht, houdt het hof de door belanghebbende H.M. [geïntimeerde1] , lid en bestuurder van [geïntimeerde1] , op 20 oktober 2025 ingediende producties niet buiten de beoordeling van het geschil. Hoewel die stukken niet tijdig voorafgaand aan de zitting zijn ingediend, ziet het hof onvoldoende reden om op die stukken geen acht te staan. Die stukken zijn beperkt in omvang, hebben geen gecompliceerde inhoud en zijn deels van recente datum. Tijdens de mondelinge behandeling is ook niet gebleken dat [appellant] daarover – zo nodig – geen inhoudelijk standpunt heeft kunnen innemen.
Beroepsgronden
4.5
Hoewel het niet noodzakelijk is de beroepsgronden als zodanig te benoemen en te nummeren, is het wel noodzakelijk dat de onderwerpen waarvan een herbeoordeling wordt gewenst (voldoende) duidelijk kenbaar worden gemaakt. Volgens de artikelen 359 jo 278 lid 1 Rv en de daarop gevormde vaste rechtspraak moet uit het beroepschrift blijken op welke gronden de appellant van mening is dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. [2] Alleen onder bijzondere omstandigheden kan een verwijzing naar of herhaling van het standpunt dat in eerste aanleg is ingenomen, daarvoor voldoende zijn. [3]
4.6
Het voorgaande betekent dat datgene wat [appellant] bij de kantonrechter heeft gesteld en heeft aangevoerd, niet automatisch en integraal deel uitmaakt van het debat in hoger beroep. Het ligt dus op de weg van [appellant] om de bezwaren/beroepsgronden in deze instantie toereikend, dat wil zeggen concreet en specifiek, aan te duiden en te onderbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij bevestigd dat haar bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter zijn verwoord in de randnummers 3, 4, 6 en 8 van haar beroepschrift. Deze gronden zien op de onderwerpen/besluiten die het hof hierna in cursief weergeeft en als volgt beoordeelt.
Besluiten 7 en 8 aangaande [geïntimeerde1]
4.7
[appellant] betoogt dat deze besluiten nietig zijn omdat [geïntimeerde1] volgens haar niet bevoegd is een besluit te nemen over een balans en een exploitatierekening van [geïntimeerde1] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] echter onderschreven dat het bestuur van [geïntimeerde1] als zodanig stemgerechtigd is de vergadering van [geïntimeerde1] . Om zich in die vergadering te kunnen uitlaten over een (voorgenomen) besluit van [geïntimeerde1] , moeten de stemgerechtigden van [geïntimeerde1] in de vergadering van [geïntimeerde1] ‘voor’vergaderen en bepalen welk standpunt in de vergadering van [geïntimeerde1] moet worden ingenomen. Tegen die achtergrond moeten – hoewel minder gelukkig verwoord – de besluiten 7 en 8 worden bezien. De besluiten 7 en 8 kunnen daarmee bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een instructie aan de bestuurder van [geïntimeerde1] om – in dit geval – in de vergadering van [geïntimeerde1] in te stemmen met de voorgelegde balans en exploitatierekening over 2022 van [geïntimeerde1] . Niet valt in te zien dat bedoelde besluiten een andere strekking zouden hebben. Er is daardoor geen reden om die besluiten voor nietig te houden.
Besluiten 9 en 10 aangaande balans en exploitatierekening 2022 [geïntimeerde1]
4.8
[appellant] voert aan dat deze besluiten nietig zijn dan wel voor vernietiging in aanmerking komen omdat die voortbouwen op de balans en exploitatierekening over 2021, ten aanzien waarvan de besluiten tot vaststelling en goedkeuring daarvan (de (agenda)punten 14 en 15) door de kantonrechter nietig zijn verklaard. Het is volgens [appellant] niet mogelijk de stukken van een opvolgend jaar vast te stellen en goed te keuren als de stukken over het voorafgaande jaar niet zijn vastgesteld.
4.9
De besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de balans en de exploitatierekening over 2021 zijn, zo blijkt uit de bestreden beschikking, nietig verklaard omdat daaraan een totstandkomingsgebrek kleeft. Dat gebrek bestaat daaruit dat, anders dan in artikel 2:48 lid 2 BW is voorgeschreven, met betrekking tot de voorgenomen besluiten niet door de binnen [geïntimeerde1] bestaande kascommissie tijdens de vergadering verslag was uitgebracht over haar bevindingen. Daarmee is nog niet gegeven dat aan de balans en de exploitatierekening over 2021 zodanige materiele, inhoudelijke gebreken kleven dat niet over de balans en de exploitatierekening over het opvolgende jaar 2022 besloten had kunnen worden. Evenmin volgt daaruit dat er aan de besluiten tot goedkeuring van de balans en de exploitatierekening van 2022 andere inhoudelijke of procedurele gebreken kleven die leiden tot nietigheid of vernietigbaarheid. Daarbij merkt het hof op dat vaststaat dat de kascommissie over die stukken van 2022 wel ter vergadering verslag heeft uitgebracht en zij haar (overigens negatieve) bevindingen heeft gedeeld, waarna de vergadering (toch) heeft besloten de balans en de exploitatierekening over 2022 vast te stellen en goed te keuren.
4.1
Behalve met de stelling dat bij de balans en de exploitatierekening geen rekening wordt gehouden met de verhoudingen van artikel 23 van de ondersplitsingsakte en dat daarmee de eigenaarslasten onjuist worden verdeeld, heeft [appellant] niets aangevoerd op basis waarvan tot de conclusie kan worden gekomen dat de balans en/of de exploitatierekening over 2022 een zodanige fout bevat dat daarmee geen getrouw beeld wordt gegeven van de vermogenstoestand van [geïntimeerde1] en van haar rechten en verplichtingen.
4.11
Dat sprake is van schending van artikel 23 van de ondersplitsingsakte is door de [geïntimeerde1] gemotiveerd weersproken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is van de zijde van [appellant] onderschreven dat zij haar stelling daarover niet concreet heeft uitgewerkt. Zo is onduidelijk gebleven hoe er feitelijk is verdeeld, wat daar onjuist aan zou zijn en wat dan de juiste verdeling had moeten zijn. De enkele, algemene verwijzing tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door [appellant] naar het door haar ten behoeve van de vergadering van 21 november 2023 opgestelde “verslag/rapport kascontrole jaarrekening 2022” kan dat gebrek aan toelichting niet repareren. Dat sprake is van een schending als gesteld, is daarmee onvoldoende onderbouwd, laat staan dat voldoende duidelijk zou zijn geworden dat sprake is van een zodanige fout dat de balans en de exploitatierekening over 2022 geen getrouw beeld geven.
Besluit 11 aangaande exploitatieoverschot 2022
4.12
In haar beroepschrift heeft [appellant] allereerst de stelling ingenomen dat dit besluit nietig is omdat het ‘lijkt te zien’ op het exploitatieoverschot van zowel [geïntimeerde1] als [geïntimeerde1] en dat [geïntimeerde1] niet gerechtigd is te besluiten over wat [geïntimeerde2] aangaat. Nog daargelaten dat dit betoog op de voet van wat hiervoor is overwogen, niet wordt gevolgd, geldt dat dit betoog feitelijk onjuist is. Uit de exploitatierekening 2022 van [geïntimeerde1] blijkt dat deze [geïntimeerde2] , anders dan [geïntimeerde1] , geen exploitatieoverschot had. Gevoegd bij het gegeven dat dit besluit in de notulen volgt op het besluit over de vaststelling en de goedkeuring van de exploitatierekening 2022 van [geïntimeerde1] , kan bezwaarlijk een andere conclusie worden getrokken dan dat het besluit enkel ziet op het overschot van [geïntimeerde1] .
4.13
Tot slot heeft [appellant] , zo begrijpt het hof, nog over dit besluit de stelling betrokken dat daarmee onvoldoende rekening is gehouden met artikel 23 van de ondersplitsingsakte. Voor die stelling geldt hetzelfde als hiervoor in ovw. 4.11 is overwogen, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Bewijsaanbod
4.14
Het hof komt niet toe aan bewijslevering omdat [appellant] , voor zover al voldoende onderbouwd, geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden.
De conclusie
4.15
Het hoger beroep slaagt niet en zal worden verworpen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [4]

5.De beslissing

Het hof:
5.1
verwerpt het hoger beroep van [appellant] tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 november 2024;
5.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] :
  • € 827 aan griffierecht
  • € 1.716 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] (2 procespunten × appeltarief I à € 858)
5.3
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, A.A.J. Smelt en C.W. Inden, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.

Voetnoten

2.Vgl. HR 15 december 1989,
3.Vgl. HR 1 februari 1993,
4.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.