AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep overdrachtsbelasting
Belanghebbende B.V. stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding bij het instellen van beroep tegen een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van 24 juni 2019.
Tijdens de zitting op 25 mei 2022 trok belanghebbende het hoger beroep mondeling in en verzocht het hof de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 8:75 AwbPro. De Inspecteur voerde verweer en het hof sloot het onderzoek ter zitting. Een nader ingediend stuk door belanghebbende werd niet in behandeling genomen omdat het onderzoek als volledig werd beschouwd.
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2024, waarin de naheffingsaanslag onherroepelijk werd bevestigd, oordeelde het hof dat geen sprake was van een tegemoetkoming door de Inspecteur zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. Daarom bestond geen grond om de Inspecteur in de proceskosten te veroordelen.
Het hof wees het verzoek van belanghebbende af en deed dit bij uitspraak van 7 januari 2025. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatieberoep bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van belanghebbende af en veroordeelt de Inspecteur niet in de proceskosten.
de inspecteurvan de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden(hierna: de Inspecteur)
te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende naar aanleiding van de intrekking van haar hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 20 mei 2021, nummer AWB 20/2078
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de Rechtbank inzake een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van 24 juni 2019 met aanslagnummer [nummer1] . In die uitspraak heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege een nietverschoonbare overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep.
1.2.
Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, bijgestaan door mr. M.H. Adema als gemachtigde van belanghebbende, [naam2] en [naam3] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam4] en [naam5] .
1.3.
Belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting het hoger beroep mondeling ingetrokken. Tegelijk met die intrekking heeft zij het Hof verzocht de Inspecteur met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de kosten van het beroep en hoger beroep te veroordelen. Belanghebbende heeft dit verzoek onmiddellijk mondeling toegelicht en de Inspecteur heeft onmiddellijk mondeling verweer gevoerd. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
1.4.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende op 7 juni 2022 een nader stuk ingediend. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:68 AwbPro te heropenen. Naar het oordeel van het Hof is het onderzoek volledig geweest. Het Hof slaat dan ook geen acht op de inhoud van dit stuk.
1.5.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 10 juni 2022 aan partijen is toegezonden.
1.6.
Op 10 juni 2022 heeft het Hof met het oog op het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2275, beslist dat het belanghebbendes verzoek om vergoeding van de proceskosten aanhoudt tot de aan [naam1] opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van 26 april 2019 met aanslagnummer [nummer2] , definitief is komen vast te staan.
1.7.
De Hoge Raad heeft op 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1424, arrest gewezen met betrekking tot voornoemde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ten name van [naam1] . Deze belastingaanslag is daarmee definitief komen vast te staan, zodat het Hof met onderhavige uitspraak kan beslissen op belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding.
2.Beoordeling van het verzoek
2.1.
Ingevolge artikel 8:108, lid 1, in verbinding met artikel 8:75a, lid 1, Awb kan de Inspecteur in geval van intrekking van het hoger beroep omdat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van die indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 AwbPro in de kosten worden veroordeeld.
2.2.
Belanghebbende heeft haar hoger beroep ingetrokken omdat de Inspecteur heeft toegezegd dat, hoewel hij het oordeel van de Rechtbank inzake de niet-ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep juist acht, hij de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag niettemin ambtshalve zal verminderen indien en voor zover onherroepelijk komt vast te staan dat de aan [naam1] opgelegde naheffingsaanslag inzake dezelfde problematiek moet worden verminderd of vernietigd.
2.3.
Nu het beroep in cassatie van [naam1] in het arrest van 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1424, door de Hoge Raad ongegrond is verklaard, is de opgelegde naheffingsaanslag onherroepelijk komen vast te staan. De Inspecteur zal de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag niet ambtshalve verminderen omdat de aan [naam1] opgelegde naheffingsaanslag niet is verminderd of vernietigd. Naar het oordeel van het Hof is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, lid 1, Awb dan ook geen sprake, zodat geen aanleiding bestaat om de Inspecteur in de proceskosten te veroordelen.
3.Beslissing
Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2025.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (T.H.J. Verhagen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.