In deze civiele zaak stond centraal of een betaling van €15.000 door appellant aan geïntimeerde een geldlening betrof of de koopprijs voor aandelen. Appellant stelde dat sprake was van een geldlening, terwijl geïntimeerde dit betwistte en sprak van een betaling voor aandelen.
Het hof onderzocht de feiten, waaronder correspondentie, notariële akten en whatsappberichten, en concludeerde dat de betaling verband hield met een aandelentransactie die niet formeel was afgerond. De kwitanties die appellant aanvoerde als bewijs van geldlening werden door geïntimeerde betwist en als mogelijk vervalst bestempeld. Daarnaast was er geen schriftelijk bewijs van een geldleningsovereenkomst.
De correspondentie toonde aan dat de €15.000 werd gezien als tegenprestatie voor aandelen, niet als privélening. Ook een aanvullend bedrag van €545,25 werd niet als lening erkend. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter dat de vorderingen afwees. Appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.