Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank Gelderland bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor verkrachting. Het hof neemt de gronden van het vonnis over en voegt toe dat verdachte aanvankelijk een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, wat het bewijs van verkrachting versterkt.
De verdediging voerde aan dat het bestanddeel dwang niet bewezen kon worden en dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar waren. Het hof oordeelt echter dat de rechtbank een juiste afweging heeft gemaakt en dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. De aanvankelijke ontkenningen van verdachte stroken niet met de DNA-resultaten en zijn latere bekentenis, wat wijst op een poging tot het verbergen van de waarheid.
Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de moeder van de overleden benadeelde partij zich niet kan voegen als nabestaande in de strafprocedure voor de schadevergoeding, omdat er geen voldoende causaal verband is vastgesteld tussen de verkrachting en het overlijden. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof bevestigt het vonnis met deze aanvullingen en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. De straf blijft 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.