In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 juli 2025 inzake de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De procedure in hoger beroep bestond uit het indienen van de dagvaarding met grieven, een memorie van antwoord met vermeerdering van eis, en een mondelinge behandeling op 22 augustus 2025.
Het geschil betreft de vraag of appellant, die langdurig gedetineerd is en geen hoofdverblijf in het gehuurde heeft, gehouden is tot betaling van de huur en proceskosten. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd, met uitzondering van het dictum onder 4.2, dat is vernietigd.
Appellant is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.831,50, bestaande uit huurachterstand over augustus 2025 en proceskosten van de eerste aanleg. Daarnaast is appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, waaronder griffierecht en salaris advocaat van de Alliantie. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dienen binnen 14 dagen te worden voldaan.