ECLI:NL:GHARL:2025:4745

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
21-000521-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplichtigheid aan gewapende woningoverval met stemherkenning als bewijs

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan een gewapende woningoverval die plaatsvond op 12 juli 2022. De verdachte heeft informatie verschaft aan de medeverdachten over de bewoners, de indeling van de woning en de aanwezigheid van beveiligingscamera's. Het hof heeft overwogen dat de stemherkenning door verbalisanten betrouwbaar was, ondanks de verdediging die betwistte dat deze herkenning valide was. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die de benadeelde partijen hebben geleden, met toewijzing van schadevergoedingen aan beide benadeelden. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen beoordeeld en toegewezen, waarbij de totale schadevergoeding voor [benadeelde 1] € 63.181,95 en voor [benadeelde 2] € 96.636,06 bedraagt. Het hof heeft de verdachte ook verplicht om de wettelijke rente te betalen vanaf de datum van de overval.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000521-24
Uitspraak d.d.: 31 juli 2025
Tegenspraak
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2024 met het parketnummer 18-094323-23 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 20 september 2024, 3 juli 2025 en 31 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
  • de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
  • de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] deels zal toewijzen, tot het volledige bedrag van de gevorderde materiële schade en tot een bedrag van € 9.500,- ter zake van de gevorderde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 2] deels zal toewijzen, tot het volledige bedrag van de gevorderde materiële schade en tot een bedrag van € 9.500,- ter zake van de gevorderde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.M. Breukink, hebben aangevoerd en hetgeen de advocaat van de benadeelde partijen naar voren heeft gebracht op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank:
  • de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
  • de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] deels toegewezen, tot een bedrag van € 9.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
  • de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 2] deels toegewezen, tot een bedrag van € 9.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing komt en tot een andere kwalificatie komt dan de rechtbank.
Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een nadere omschrijving van de tenlastelegging op de zitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend gebleven mededaders, op of omstreeks 12 juli 2022 te [plaats 1] , omstreeks 04:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning (gelegen aan de [adres 2] ),tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere tassen, brillen, sieraden, (Iphone) telefoons, laptop en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan die voomoemde [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of hun mededader(s) toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door:- de handen van de [benadeelde 1] met tieraps op zijn rug vast te binden en/of die [benadeelde 1] meermalen (al dan niet met een vuurwapen) in zijn gezicht te slaan en/of te schoppen,- een vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde 1] te zetten en (daarbij) te roepen dat hij geld moest geven,- een vuurwapen op die [benadeelde 2] te richten en/of tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat ze op de bank moest gaan liggen (en dat als ze dit niet zou doen, hij haar door haar hoofd zou schieten) en/of- die [benadeelde 2] op de bank te duwen en (vervolgens) een kleed over haar hoofd heen te trekken/doen
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 10 juli 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door informatie te verschaffen over:- de tijden waarop voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] . althans de bewoners van de[adres 2] normaliter thuis zijn en/of- van welke personenauto [benadeelde 1] en of [benadeelde 2] gebruik maken en/of- hoe de woning aan de [adres 2] er van binnen uit ziet en/of is ingericht en/of- de aanwezigheid en/of locatie van de beveiligingscamera in de woning en/of- de locatie van de stekker van de beveiligingscamera in de woning, en/of door de sleutel van de portiekdeur ter beschikking te stellen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde feit. Meer in het bijzonder heeft hij ontkend de tipgever te zijn geweest.
In het verlengde daarvan heeft de verdediging vrijspraak bepleit, op nader in de schriftelijke pleitnota aangeduide gronden. De verdediging heeft met name betwist dat de stemherkenning door een verbalisant betrouwbaar is en heeft daarnaast betwist dat deze herkenning qua bewijs wordt ondersteund door de aanvullende verklaring van aangevers.
De verdediging heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.
De positieve identificatie die de verbalisant doet is niet naar waarheid en berust op een vergissing. Deze stemherkenning is geen forensische stemherkenning, maar is gedaan door een opsporingsambtenaar die daarvoor niet specifiek is opgeleid. Daarom is uiterste voorzichtigheid geboden bij het toekennen van bewijswaarde aan stemherkenningen door een verbalisant.
Het gevaar van een confirmation bias ligt op loer, zowel van de zijde van de aangevers - op basis van tussen hen en (onder meer) de cliënt bestaande onmin - als van de zijde van de verbalisanten.
En die stemherkenning is het enige bewijs dan wel de bron van het bewijs dat er ligt.
Het NFI, de organisatie voor een objectieve stemherkenning, stelt dat de kwaliteit van het OVC-bestand te slecht is om onderzocht te worden en stemvergelijkend onderzoek mee te doen. Dus het NFI waagt zich er niet aan, opgeleid en wel, maar de verbalisant voelt zich niet beperkt door deze slechte kwaliteit.
Dit legt de verdediging dan naast het feit dat er geen contacten zijn tussen cliënt en de medeverdachten. Er zijn geen historische verkeersgegevens ten nadele van cliënt. Er ligt geen forensisch resultaat. Er is geen buit bij cliënt aangetroffen. Er is geen DNA-onderzoek in de auto uitgevoerd. Cliënt is niet te zien op de camerabeelden van de overval of de buurman van de aangevers en hij heeft niet de beschikking over onverklaarbare bedragen, aldus de verdediging.
Het gerechtshof overweegt het volgende met betrekking tot dit bewijsverweer.
De betrouwbaarheid van de stemherkenning/spraakherkenning.
Het gerechtshof heeft onderkend dat de nodige behoedzaamheid is geboden bij het toekennen van bewijswaarde aan stemherkenningen door verbalisanten. Het volgende is daarbij van belang.
In het opsporingsonderzoek is gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel "opnemen van
vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel" (OVC). Dat technische hulpmiddel was in het kader van een lopend politieonderzoek reeds voorafgaande aan het aan de verdachte ten laste gelegde feit aangebracht in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] . Bij de weergave van de aldus opgenomen en afgeluisterde communicatie heeft de politie beschreven welke stemmen zijn herkend door opsporingsambtenaren. Ten aanzien van deze stemherkenningen zijn ambtsedige processen-verbaal opgemaakt.
Het hof verwijst naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad van 7 maart 2023,
ECLI:NL:PHR:2023:274 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:274&keyword=%22ECLI:NL:PHR:2023:274%22)waarin onder meer het volgende is opgenomen:
Bij de beoordeling van het middel kan het volgende over de redengevendheid van het resultaat van stemvergelijking worden vooropgesteld.
Net als bij het herkennen van gezichten, zijn mensen van nature in staat tot het herkennen van stemmen. “
In onze dagelijkse contacten met vrienden, kennissen en collega’s maken wij immers doorlopend met succes gebruik van die mogelijkheid”, aldus professor Broeders in zijn bijdrage aan het rechtspsychologisch handboek
Routes van het recht(2017).
De mogelijkheid van stemherkenning is een gevolg van het feit dat wat betreft de onderscheidende kenmerken van stemgeluid de variaties
tussenverschillende individuen voldoende groot zijn en de variaties
binnenéén individu voldoende klein. Over de betrouwbaarheid van sprekeridentificatie aan de hand van een stemvergelijking tussen enerzijds de herinnering aan het stemgeluid van een spreker, en anderzijds een aangeboden prikkel, bijvoorbeeld een gesprek in levende lijve, de stem van een spreker over de telefoon of in een geluidsopname, kunnen - zo begrijp ik Broeders - moeilijk algemene uitspraken worden gedaan. De betrouwbaarheid van de herkenning hangt af van veel uiteenlopende systeem- en schattingsvariabelen. Mensen zijn in elk geval geneigd om hun vaardigheid op dat vlak te overschatten. Een belangrijke variabele is wel de mate waarin de luisteraar bekend is met het stemgeluid van de spreker. En hoewel Broeders kritische kanttekeningen plaatst bij sprekeridentificatie door opsporingsambtenaren, merkt hij ook op dat sprekeridentificaties bij het uitluisteren en verbaliseren van de resultaten van telefoontaps, betrekkelijk zelden wordt betwist en dat slechts in een fractie van de gevallen die formeel worden betwist en voor spraakonderzoek zijn aangeboden aan het NFI of TMFI, steun wordt gevonden voor een onjuiste identificatie.
Blijkens het politieonderzoek in deze zaak gaat het om het resultaat van stemvergelijking door [verbalisant 1] tussen enerzijds het stemgeluid van diverse sprekers dat is vastgelegd in audio-opnames van vertrouwelijke communicatie in een rijdend voertuig (OVC-gesprekken), en anderzijds het stemgeluid van de doelspreker. Voor dat laatste heeft [verbalisant 1] geput uit diverse tapgesprekken uit de periode van 5 december 2022 tot en met 1 januari 2023, betreffende het bij de verdachte in gebruik zijnde [telefoonnummer 1] . In een aantal tapgesprekken noemt de persoon op deze taplijn zich met regelmaat [verdachte] . Na het terugluisteren van een aantal tapgesprekken is het [verbalisant 1] duidelijk dat de stem op deze taplijn, van de persoon die zich op deze taplijn ook met regelmaat [verdachte] noemt, dezelfde stem is als de stem die te horen is op diverse OVC gesprekken van 10 en 11 juli 2022. In samenhang bezien met andere onderzoeksresultaten duidt [verbalisant 1] die persoon als de verdachte, in de rol van de tipgever van de in de tenlastelegging bedoelde woningoverval. [1]
Daarnaast gaat het om het resultaat van stemvergelijking door [verbalisant 2] tussen enerzijds het stemgeluid van diverse sprekers dat is vastgelegd in een aantal audio-opnames van vertrouwelijke communicatie in een rijdend voertuig (OVC-gesprekken), en anderzijds het stemgeluid van de doelspreker. Voor dit laatste heeft [verbalisant 2] geput uit een aantal tapgesprekken, de spraak van de verdachte tijdens vervoer en verhoor op 19 en
20 juni 2023, welke spraak deze verbalisant toen direct heeft herkend als zijnde afkomstig van de persoon die telefoongesprekken voerde met het [telefoonnummer 2] , van welk telefoonnummer telecommunicatie werd opgenomen in de periode van 14 juni 2023 tot en met 19 juni 2023. [2] Het gerechtshof voegt hieraan nog toe dat ook [verbalisant 1] bij dat vervoer en verhoor aanwezig was en dat verbalisanten toen expliciet aan de verdachte meedeelden dat zij diens stem herkenden.
Het gerechtshof stelt vast dat er dus, anders dan waar de verdediging van uit lijkt te gaan, twee verbalisanten zijn die een stemherkenning hebben gedaan. Deze verbalisanten zijn beiden, op basis van deels van elkaar verschillend vergelijkingsmateriaal, gekomen tot herkenning van de stem/spraak van de verdachte.
Voor zover het bewijsverweer ertoe strekt dat de omstandigheid dat het NFI het betwiste materiaal niet bruikbaar heeft geacht voor een vergelijkend spraakonderzoek met zich brengt dat ook een stemherkenning door verbalisanten niet mogelijk zou zijn, gaat dat verweer er ten onrechte aan voorbij dat een stemherkenning door opsporingsambtenaren van andere aard is dan een forensisch vergelijkend spraakonderzoek waarbij een uitgebreide auditief-akoestische analyse van het betwiste onderzoeksmateriaal met referentiemateriaal plaatsvindt en waarbij geen beroep wordt gedaan op voorafgaande bekendheid met het stemgeluid van de doelspreker. [3]
Daarnaast volgt uit de bewijsvoering dat de stemherkenning door de verbalisanten steun vindt in ander bewijsmateriaal. De politie heeft op 20 juni 2023 aan aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] een gedeelte laten horen van het OVC-gesprek van 10 juli 2022 met de code 203740. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben onafhankelijk van elkaar in dit fragment de stem van de verdachte herkend, een persoon die zij goed kennen. [4]
De stemherkenningen, zowel door de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als door aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , worden daarnaast ondersteund door de concrete inhoud van de OVC-gesprekken, te weten daar waar in die OVC-gesprekken door de tipgever specifieke informatie wordt gedeeld waarover de verdachte heeft kunnen beschikken. De aangevers hebben immers verklaard dat de verdachte enige tijd met regelmaat in het appartement boven hen heeft verbleven en dat hij daarom ook kon beschikken over een sleutel van de portiekdeur, terwijl is gebleken dat de tipgever een sleutel van de portiekdeur ter beschikking heeft gesteld aan de medeverdachten. Daarnaast behoort de verdachte tot één van de weinige mensen die (meerdere keren) in de woning van aangevers is geweest, waardoor hij, zoals de tipgever, wetenschap kon hebben van de indeling van de woning, de beveiligingscamera en de in de woning aanwezige kostbaarheden van aangevers.
In één van de OVC-gesprekken is daarnaast te horen dat de tipgever kennelijk een filmpje toont aan de medeverdachten; er is tevens muziek te horen. Toen aangevers werd gevraagd wat zij konden zeggen over deze geluidsopname liet aangeefster op haar eigen telefoon een filmpje zien van haar bruiloft, waarbij ook de verdachte aanwezig is geweest. Op dat filmpje was muziek te horen die zowel aangeefster als [verbalisant 1] herkende als dezelfde muziek die te horen is in het betreffende OVC-fragment. [5]
Het gerechtshof betrekt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de stemherkenning/spraakherkenning tevens de omstandigheid dat in het OVC-gesprek met nummer 233100 van 10 juli 2022 twee onbekende personen in de auto van de [medeverdachte 1] zitten. Deze personen zijn omschreven als ‘NN2’ en ‘NGSEFA’. Hierbij wordt door [verbalisant 1] opgemerkt dat ‘NN2’ een Frans accent lijkt te hebben en dat deze persoon op enig moment zegt: “Van tuin kun je niet naar binnen [verdachte] ?”. Hierop reageert de persoon die wordt aangeduid als ‘NGSEFA’: “Ik zeg toch er is één grote glazen deur”. Het gerechtshof stelt op grond hiervan vast dat de persoon die door de [verbalisant 1] is geduid als zijnde de tipgever, in dit OVC-gesprek [verdachte] wordt genoemd door de onbekend gebleven persoon ‘NN2’ met een Frans accent.
De stemherkenningen door de verbalisanten en door de aangevers zijn daarbij niet het startpunt van het opsporingsonderzoek geweest. In het opsporingsonderzoek is eerst (onder meer) de naam van de verdachte genoemd door de beide aangevers. Daarna is uit de OVC-gesprekken gebleken dat is gesproken over een sleutel. Dat laatste gegeven is relevant, aangezien de verdachte boven de woning van de aangevers heeft verbleven. De herkenning van de stem van de verdachte in de OVC-gesprekken is daar vervolgens bij gekomen.
De stemherkenning is - alhoewel uiterst belangrijk - bij lange na niet het enige feit dat redengevend is. De stemherkenning vindt verankering in de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen.
Op grond van het bovenstaande, bezien in onderling verband en in samenhang met de inhoud van het overige bewijsmateriaal, acht het gerechtshof de stemherkenningen, zowel door de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als door aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , betrouwbaar en bruikbaar om te kunnen bijdragen aan het bewijs.
Gelet op het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het bewijsverweer van de verdediging.
Mede gelet op de overige bewijsmiddelen, te weten:
- het deel van de verklaring die [verdachte] heeft afgelegd op de zitting van de rechtbank van
18 december 2023 en dat door de rechtbank in het vonnis is gebruikt voor het bewijs;
- de aangifte van [benadeelde 1] ; [6]
- de aangifte van [benadeelde 2] ; [7]
- het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de lijst van gestolen voorwerpen; [8] - het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot hetgeen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ter plaatse in hun woning hebben verteld aan de politie; [9] - het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot hetgeen de verbalisant ziet op camerabeelden die zijn gemaakt van de hal van de woning van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ; [10] - het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde 1] over hetgeen [verdachte] en [medeverdachte 5] weten over de woonsituatie van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en hetgeen [verdachte] weet van de privé-situatie van [benadeelde 1] ; [11] - de (overige) bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2023 in de zaak van de [medeverdachte 2] (ECLI:NL:RBNNE:2023:2813), welk vonnis door het gerechtshof is gevoegd in de strafzaak van de verdachte,
acht het gerechtshof redengevende feiten en/of omstandigheden aanwezig op grond waarvan de rol van de verdachte als medeplichtige vast staat.
Uit die bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte (essentiële) informatie heeft verschaft aan de medeverdachten. Hij heeft informatie gedeeld over de indeling van de woning, weg te nemen goederen, de positie van de beveiligingscamera en de stekker daarvan, en de tijden waarop aangevers thuis waren. Ook heeft de verdachte een sleutel ter beschikking gesteld waarmee de portiekdeur geopend zou kunnen worden en heeft hij aan medeverdachten het adres doorgegeven van de woning van de moeder van aangever [benadeelde 1] . De verdachte was zich daarbij bewust van het feit dat de medeverdachten dit adres wilden gebruiken om mee te dreigen in de richting van aangevers, aangezien dit meerdere malen op die manier is besproken in het bijzijn van de verdachte. [12] Op basis van de inhoud van de OVC-gesprekken stelt het gerechtshof daarnaast vast dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van het doel waarvoor de door hem verstrekte informatie zou worden gebruikt, te weten het plegen van een woningoverval waarbij het gebruik van geweld, of op zijn minst dreiging met geweld, tot de reële mogelijkheden behoorde. Uit de OVC-gesprekken volgt immers ook dat de verdachte met medeverdachten sprak over of de slachtoffers wel of niet kunnen vluchten, over het buiten pakken van het slachtoffer en dat twee met hem naar binnen gaan en dat hij geen herrie mag maken, dat hij gaat schreeuwen als een vrouw en dat ze hem geen kans zullen geven uit zijn auto te stappen. Het gerechtshof concludeert dat de verdachte het voor medeplichtigheid vereiste opzet heeft gehad. Voor zover dat opzet al niet volledig op het gronddelict van de gewelddadige overval was gericht, hield het in elk geval ruimschoots voldoende verband daarmee.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 12 juli 2022 te [plaats 1] , omstreeks 04.00 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, gelegen aan de [adres 2] , meerdere tassen, brillen, sieraden en (Iphone) telefoons, een laptop en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , hebben weggenomen met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door:- de handen van die [benadeelde 1] met tiewraps op zijn rug vast te binden en die [benadeelde 1] meermalen (al dan niet met een vuurwapen) in zijn gezicht te slaan en te schoppen,- een vuurwapen tegen het hoofd van die [benadeelde 1] te zetten en daarbij te roepen dat hij geld moest geven,- een vuurwapen op die [benadeelde 2] te richten en tegen die [benadeelde 2] te zeggen dat ze op de bank moest gaan liggen en dat als ze dit niet zou doen, hij haar door haar hoofd zou schieten en- die [benadeelde 2] op de bank te duwen en vervolgens een kleed over haar hoofd heen te doen,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 10 juli 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 1] en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft, door informatie te verschaffen over:- de tijden waarop voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] normaliter thuis zijn en- van welke personenauto [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] gebruik maken en- hoe de woning aan de [adres 2] er van binnen uit ziet en is ingericht en- de aanwezigheid en locatie van de beveiligingscamera in de woning en- de locatie van de stekker van de beveiligingscamera in de woning,
en door de sleutel van de portiekdeur ter beschikking te stellen.
Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit

Het bewezen verklaarde feit levert op:
medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ten aanzien van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de zeer relevante rol van de verdachte - als medeplichtige - ter zake van de bewezen verklaarde gewelddadige woningoverval. De verdachte is weliswaar niet zelf bij de feitelijke uitvoering betrokken geweest, maar hij heeft wél - voor die uitvoering essentiële - informatie verstrekt aan de feitelijke daders en daarmee een rol gehad die van groot belang is geweest in het geheel. De overval is vooraf zorgvuldig gepland, waarbij de verdachte degene is geweest die belangrijke informatie heeft verschaft aan de medeverdachten omtrent aangevers, de indeling van de woning, mogelijke buit en de aanwezigheid van een bewakingscamera. Hij heeft zelfs een sleutel van de portiekdeur van de woning van aangevers ter beschikking gesteld aan de medeverdachten, zodat zij hier zonder lawaai naar binnen zouden kunnen. Op de OVC is te horen dat de sleutel van de portiekdeur niet past, maar dat is enkel te danken aan het feit dat aangevers het slot kort daarvoor hadden vervangen. De verdachte heeft verder adresgegevens van de moeder van [benadeelde 1] doorgegeven, zodat de medeverdachten deze gegevens konden gebruiken om de slachtoffers zodanig angst in te boezemen dat zij volledig mee zouden werken en geen politie zouden inschakelen. Het feit dat de verdachte over deze informatie kon beschikken omdat hij voorheen bevriend was met aangevers, maakt de rol van de verdachte in deze overval des te schrijnender, mede nu hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verder is er in het bijzijn van de verdachte over de overval gesproken op een manier gesproken waaruit volgt dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat er mogelijk geweld zou worden gebruikt;
  • het gegeven dat door die gewelddadige overval in de woning van de beide slachtoffers en de daarmee gepaard gaande diefstal financiële schade, grote angst, ernstige overlast en (bij één van de slachtoffers) letsel is veroorzaakt. Bij deze overval is met geweld de deur van de woning opengetrapt en zijn de slachtoffers met vuurwapens bedreigd. Ook is er geweld toegepast en is één van de slachtoffers met tiewraps vastgebonden op de grond. Vervolgens hebben de verdachten de hele woning doorzocht en hebben zij zeer veel dure goederen, waaronder tassen, riemen, sieraden en horloges en een groot geldbedrag weggenomen. Op het moment van de overval was [benadeelde 2] zwanger. Uit de door haar op de zitting van de rechtbank
uitgesproken slachtofferverklaring blijkt welke grote gevolgen de overval in hun woning op haar en haar echtgenoot heeft gehad. De slachtoffers zijn in hun woning onder andere met vuurwapens bedreigd door meerdere mannen met gezichtsbedekking. Voor de slachtoffers is dit uiterst beangstigend geweest. Na de overval hebben zij last gehad van slaapproblemen en ervaarden zij veel spanning. Bovenal is hun gevoel van privacy en veiligheid in hun eigen woning sterk aangetast.
Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woningoverval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hen vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen voelen. Dit heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan bij de slachtoffers van deze gewelddadige woningoverval, zoals onder meer óók blijkt uit de onderbouwing en de toelichting daarop die door de advocaat van de benadeelde partijen is gegeven ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding. Ook in de omgeving kan een dergelijke woningoverval een grote impact hebben;
  • de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en heeft gehandeld zonder enig respect voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander;
  • de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Ter zake van het misdrijf van een gewelddadige overval in een woning kan in beginsel - aan de feitelijke dader - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren worden opgelegd. Als straf vermeerderende factoren kunnen daarbij in de beschouwing worden betrokken:
- kwetsbare slachtoffers;
- omvang schade;
- (aard en ernst) letsel;
- samenwerkingsverband;
- professionele werkwijze;
- recidive;
- soort wapen/voorwerp.
Met uitzondering van de recidive hebben alle hierboven genoemde wegingsfactoren, waarvan met name het dreigen met geweld in de vorm van vuurwapengebruik tegen de destijds zwangere [benadeelde 2] , in de visie van het gerechtshof een strafverzwarende uitwerking.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet is veroordeeld ter zake van het plegen van een gelijksoortig strafbaar feit. Wél is hij veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige strafbare feiten - welke veroordelingen onherroepelijk zijn - zij het dat het daarbij niet gaat om recente veroordelingen. In zoverre zijn geen justitiële antecedenten aanwezig die van substantieel belang kunnen zijn bij de strafoplegging;
  • de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige
- inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden - worden opgelegd.
Het gerechtshof heeft tevens gelet op overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep, nu het gerechtshof niet binnen zestien maanden nadat de verdachte (op dat moment nog voorlopig gedetineerd) hoger beroep heeft ingesteld tot een uitspraak is gekomen. De overschrijding bedraagt ongeveer twee maanden. Gezien deze geringe mate van overschrijding zal het gerechtshof - behoudens de constatering van het verzuim - daaraan geen verdere gevolgen verbinden.
Het gerechtshof heeft anderszins wel rekening gehouden met het tijdsverloop, in die zin dat het ruim drie jaren geleden is dat het strafbaar feit zich heeft voorgedaan en dat de verdachte in die tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de uitkomst van deze strafzaak.
Het gerechtshof ziet thans geen meerwaarde meer in de door de advocaat-generaal gevorderde oplegging van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.
Het rapport van de reclassering waarin die bijzondere voorwaarden zijn geadviseerd is al weer van geruime tijd geleden, te weten van 23 augustus 2023. Daarnaast lijkt het persoonlijke leven van de verdachte thans een redelijk normaal karakter te hebben, waarin hij recent een leer-werk-traject is gestart.
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding acht het gerechtshof - alles afwegend - passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan twintig maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Daarmee is dan tevens tegemoetgekomen aan het strafmaatverweer van de verdediging, dat ertoe strekte dat het op te leggen onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de duur van het voorarrest dat de verdachte heeft ondergaan in deze zaak niet te boven zal gaan.
Gelet hierop zal het gerechtshof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van 31 juli 2025 om 13.30 uur.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partijen

Het gerechtshof stelt voorop - in respons op hetgeen de verdediging op de zitting in hoger beroep heeft aangevoerd - dat, gelet op hetgeen het gerechtshof hierboven heeft vastgesteld over de rol van de verdachte, te weten: als medeplichtige ter zake van de bewezen verklaarde gewelddadige woningoverval, die niet zelf bij de feitelijke uitvoering betrokken is geweest, maar wél - voor die uitvoering essentiële - informatie heeft verstrekt, de verdachte (hoofdelijk) aansprakelijk is voor alle schade die de benadeelde partijen hebben geleden, ook de schade die het gevolg is van het toegepaste geweld en bedreiging met geweld. Gelet op verdachtes gedragingen behoorde hij tot een groep waarvan leden onrechtmatig schade hebben toegebracht. Gelet op de artikelen 6:162 en 166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is - gelet op de onderbouwing van de vorderingen door en namens de benadeelde partijen - naar het oordeel van het gerechtshof niet op alle aspecten van de vorderingen van de benadeelde partijen sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding. Integendeel: de meeste posten van die vorderingen zijn heel wel te beoordelen en dat zal het gerechtshof hieronder daarom doen.
Waar de verdediging heeft gewezen op artikel 6:102 BW lijkt de verdediging te miskennen dat de strafrechtelijke uitkomst van de strafzaak en de hoofdelijke civiele aansprakelijkheid van de verdachte jegens de benadeelde partijen onverlet laat dat in de interne onderlinge verhouding tussen de verdachte en de medeverdachten mogelijk een voor de verdachte gunstige verdeling van de schade moet plaatsvinden. Dat laat zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de benadeelden echter onverlet.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 79.091,51 en immateriële schade ten bedrage van € 10.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
materiële schadeoverweegt het gerechtshof als volgt.
De door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten die zijn terug te voeren op de door hem bij de politie aangeleverde lijst van weggenomen goederen komen naar het oordeel van het gerechtshof voor toewijzing in aanmerking. Het gerechtshof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die opgave bij de politie. Het gaat om een concrete opgave die bovendien wordt ondersteund door zich in het dossier bevindende afgeluisterde gespreken van de verdachten en door de waarneming van verbalisanten die de verdachten op camerabeelden met meerdere tassen zien vertrekken. Het gerechtshof zal die posten, meestal met een correctie wegens afschrijving, toewijzen, uitgaande van de aanschafwaarde.
De reden van dit laatste is dat het er bij schadevergoeding om gaat dat de benadeelde partij zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin deze zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven.
Met betrekking tot de posten
woning, verhuizing, opslag, beveiliging en aquarium(in totaal € 13.723,15) is het gerechtshof van oordeel dat verdere behandeling van het daarop ziende deel van de vordering zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat beoordeling daarvan een nadere feitelijke onderbouwing van het causale verband zou vergen. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het betreffende deel van de vordering kan alleen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De post
geldbedrag van € 14.000,00. Het bedrag is door de benadeelde partij aan de politie opgegeven en wordt (zelfs tot een hoger bedrag) ondersteund door afgeluisterde gesprekken. Het gerechtshof zal een bedrag van € 14.000,00 toewijzen.
De post
Macbookvan € 2.348,00 is voldoende concreet onderbouwd. Omdat de Macbook was aangeschaft op 5 november 2021 houdt het gerechtshof rekening met een afschrijving van 10%, zodat wordt toegewezen een bedrag van € 2.113,20.
De post
gestolen designertassen en sieradenis gesplitst in verschillende onderdelen:
Louis Vuitton. Het gaat hier om 24 items die blijkens de overgelegde bonnen zijn aangeschaft voor een totaalbedrag van € 23.111,00 in de periode van 1 januari 2020 tot en met 26 maart 2022. Het gerechtshof zal voor de totale post een afschrijving van 15% toepassen, zodat wordt toegewezen een bedrag van € 19.644,35.
Dior. Dit betreft 7 items die blijkens overgelegde bonnen een totale aanschafwaarde van € 10.170,00 hebben en zijn verkregen in maart 2022. Het gerechtshof houdt rekening met een afschrijving van 5% en zal dus toewijzen € 9.661,50.
Cartier (zonne)brillen. Dit betreft 8 brillen waarvan de meeste zijn aangeschaft in 2021.
De totale aanschafwaarde is € 9.181,00. Het gerechtshof houdt rekening met een afschrijvingspercentage van 10%, zodat het gerechtshof deze post zal toewijzen een bedrag van € 8.262,90.
Burberry en Gucci tassen en accessoires. Deze post ziet op 4 items met een totaalbedrag van € 2.168,00. De benadeelde partij heeft deze posten niet met aankoopbonnen of andere (betalings)bewijzen onderbouwd. Het gerechtshof zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Gevorderd is een bedrag van € 10.000,00. De verdediging heeft naar het oordeel van het gerechtshof in onvoldoende mate dragende inhoudelijke argumenten aangedragen ter betwisting van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 9.500,00. Het gerechtshof zal, net als de rechtbank, een bedrag van € 9.500,00 toewijzen. De benadeelde partij vorderde dit bedrag eerder zelf bij een medeverdachte. Dat er nu een iets hoger bedrag is gevorderd verklaart de benadeelde partij met tijdsverloop, nog altijd voortdurende last van de gevolgen en andere zaken waarin een iets hogere vergoeding zou zijn toegekend. Het gerechtshof gaat hierin niet mee. Wat dan precies zou zijn veranderd, is onvoldoende toegelicht en het tijdsverloop wordt ondervangen door het doorlopen van de wettelijke rente.
Het voorgaande betekent dat het gerechtshof zal toewijzen:
Materiële schade € 53.681,95
Immateriële schade
€ 9.500,00
Totaal € 63.181,95
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof aldus voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voornoemd bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 92.247,01 en immateriële schade ten bedrage van € 10.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
materiële schadeoverweegt het gerechtshof als volgt.
De door de benadeelde partij opgevoerde schadeposten die zijn terug te voeren op de bij de politie aangeleverde lijst van weggenomen goederen komen naar het oordeel van het gerechtshof voor toewijzing in aanmerking. Het gerechtshof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die opgave bij de politie. Die lijst bevat ook de door benadeeldes partner vermiste goederen en zoals hiervoor al overwogen, wordt veel daarvan ondersteund door afgeluisterde gesprekken en door een waarneming van verbalisanten. Daar komt nog bij dat de verdachten blijkens de afgeluisterde gesprekken verwachtten een “Rolie” aan te treffen; er zou “zo anderhalve ton aan horloges” zijn.
De post
Bedrijfslocatie(€ 4.212,95) ziet op kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt omdat zij haar bedrijf niet langer op dezelfde plaats durfde uit te oefenen en zij zich daarom genoodzaakt zag haar bedrijf te verhuizen. Het gerechtshof is van oordeel dat verdere behandeling van dit deel van de vordering zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding, omdat beoordeling daarvan een nadere feitelijke onderbouwing van het causale verband zou vergen. Nader onderzoek hiernaar zou een aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting vergen. Een dergelijke aanhouding van het onderzoek beschouwt het gerechtshof als een onevenredige belasting van de strafzaak, De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Het betreffende deel van de vordering kan alleen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De post
gestolen sieraden en horloges(€ 818,00) is niet onderbouwd met aankoopbewijzen of andere (betalings)bewijzen. Het gerechtshof zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
De post
Rolexis door de benadeelde partij uitvoerig onderbouwd. Allereerst heeft zij een aankoopbewijs overgelegd. Verder heeft de benadeelde partij concreet onderbouwd dat het Rolex horloge toen het van haar werd gestolen een waarde had van € 87.136,06. Het is naar het oordeel van het gerechtshof een feit van algemene bekendheid dat Rolex horloges inderdaad fors in waarde kunnen stijgen.
Tegen de concrete en feitelijke onderbouwing van de waardevermeerdering (toegespitst op exact het type horloge dat de benadeelde partij had gekocht en dat van haar is gestolen) heeft de verdediging niets ingebracht. Daarmee staat voor het gerechtshof vast dat het horloge toen het werd gestolen de gestelde waarde vertegenwoordigde. Het gerechtshof zal daarom een bedrag van € 87.136,06 toewijzen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Gevorderd is een bedrag van € 10.000,00. De verdediging heeft naar het oordeel van het gerechtshof in onvoldoende mate dragende inhoudelijke argumenten aangedragen ter betwisting van het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 9.500,00. Het gerechtshof zal, net als de rechtbank, een bedrag van € 9.500,00 toewijzen. De benadeelde partij vorderde dit bedrag eerder zelf bij een medeverdachte. Dat er nu een iets hoger bedrag is gevorderd verklaart de benadeelde partij met tijdsverloop, nog altijd voortdurende last van de gevolgen en andere zaken waarin een iets hogere vergoeding zou zijn toegekend. Het gerechtshof gaat hierin niet mee. Wat dan precies zou zijn veranderd, is onvoldoende toegelicht en het tijdsverloop wordt ondervangen door het doorlopen van de wettelijke rente.
Het voorgaande betekent dat het gerechtshof zal toewijzen:
Materiële schade € 87.136,06
Immateriële schade
€ 9.500,00
Totaal € 96.636,06
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof aldus voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot voornoemd bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 48, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
20 (twintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 31 juli 2025 om 13.30 uur.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 63.181,95 (drieënzestigduizend honderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit
€ 53.681,95 (drieënvijftigduizend zeshonderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 7.296,05 (zevenduizend tweehonderdzesennegentig euro en vijf cent) aan materiële schadeen
€ 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 63.181,95 (drieënzestigduizend honderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 53.681,95 (drieënvijftigduizend zeshonderdeenentachtig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 145 (honderdvijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 juli 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 96.636,06 (zesennegentigduizend zeshonderdzesendertig euro en zes cent) bestaande uit
€ 87.136,06 (zevenentachtigduizend honderdzesendertig euro en zes cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 818,00 (achthonderdachttien euro) aan materiële schadeen
€ 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 96.636,06 (zesennegentigduizend zeshonderdzesendertig euro en zes cent) bestaande uit
€ 87.136,06 (zevenentachtigduizend honderdzesendertig euro en zes cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 220 (tweehonderdtwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 juli 2022.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. E.W. van Weringh, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 31 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2023 van [verbalisant 1] , pagina 1320 en verder van het politieonderzoek.
2.Proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2023 van [verbalisant 2] , pagina 1522 van het politieonderzoek.
3.Vgl. de conclusie van de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad van 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1183.
4.Proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2023 van [verbalisant 1] , pagina 1520 en 1521 van het politieonderzoek.
5.Proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2023, pagina 1514 van het politieonderzoek en van 20 juni 2023 van [verbalisant 1] , pagina 1520 en 1521 van het politieonderzoek.
6.Pagina 408 en verder van het politieonderzoek.
7.Pagina 424 en verder van het politieonderzoek.
8.Pagina 830 en verder van het politieonderzoek.
9.Pagina 913 van het politieonderzoek.
10.Pagina 493 en verder van het politieonderzoek.
11.Pagina 413 en verder van het politieonderzoek.
12.Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2023 van [verbalisant 1] , pagina 1320 en verder van het politieonderzoek.