ECLI:NL:GHARL:2025:4726

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
21-000655-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplichtigheid aan gewapende woningoverval en mishandeling met schadevergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan een gewapende woningoverval en mishandeling. De zaak betreft twee onderzoeken: het onderzoek naar de woningoverval in Rwanda en het onderzoek naar mishandeling en huisvredebreuk in Senegal. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar voegde bewijsgronden toe en verbeterde de kwalificatie van de feiten. De verdachte had voorafgaand aan de overval zijn woning ter beschikking gesteld aan de daders en was op de hoogte van hun plannen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat de verdachte niet wist wat er zou gebeuren. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn deels toegewezen, met schadevergoedingen voor immateriële en materiële schade. Het hof heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de impact van de overval op de slachtoffers.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000655-24
Uitspraak d.d.: 31 juli 2025
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2024 met het parketnummer 18-326183-22 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres] ' [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 20 september 2024, 3 juli 2025 en 31 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
- de verdachte zal vrijspreken van de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en
3 primair aan hem ten laste gelegde feiten;
  • de verdachte ter zake van de onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast zal opleggen de maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr);
  • de schorsing van de voorlopige hechtenis zal opheffen bij het arrest in deze zaak;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 500,00 ter zake van de gevorderde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels zal toewijzen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.S. Wibbelink, hebben aangevoerd en hetgeen de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren heeft gebracht op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank:
- de verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en
3 primair aan hem ten laste gelegde feiten;
  • de verdachte ter zake van de onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast opgelegd de maatregel van artikel 38z Sr;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels toegewezen, tot een bedrag van € 500,00 ter zake van de gevorderde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 1] voor het overige afgewezen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels toegewezen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 2] voor het overige afgewezen;
  • de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels toegewezen, tot een bedrag van € 19.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld;
  • de vordering van [benadeelde partij 3] voor het overige afgewezen.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis van de rechtbank (ECLI:NL:RBNNE:2024:194) bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het gerechtshof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis van de rechtbank dan ook worden vernietigd.
Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist. Wel zal het gerechtshof het vonnis met aanvulling van de bewijsgronden en met verbeterde lezing van de kwalificatie, bevestigen. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.
Aanvulling van de bewijsgronden
De verdediging heeft in hoger beroep enkel betwist dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de gewelddadige woningoverval aan [adres] in [plaats] op 12 december 2022 (feit 3 subsidiair). In de kern is met betrekking tot dat feit in hoger beroep door en namens de verdachte eenzelfde bewijsverweer gevoerd als in eerste aanleg. Dat bewijsverweer behelst dat de verdachte niet heeft geweten wat er zou gaan gebeuren en dat hij niet wist dat de daders een wapen bij zich hadden. Opzet van de verdachte op het gronddelict, de woningoverval, ontbreekt daarom en opzet op zijn behulpzaamheid daarbij ontbreekt eveneens, hetgeen volgens de verdediging dient te leiden tot vrijspraak. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte wist dat er iets broeide, hij had een niet-pluis gevoel, maar hij wist
nietwat. De mogelijkheden op het gebied van (criminele) activiteiten met tiewraps en een Glassexfles zijn legio. Zijn rol is daarnaast onvoldoende actief, onvoldoende substantieel en te gering geweest voor medeplichtigheid. Hij heeft het zich enigszins laten overkomen en aanmeten, aldus de verdediging.
Méér in het bijzonder heeft de verdachte op de zitting in hoger beroep van 3 juli 2025 nog verklaard dat hij bij de politie enkel heeft gegist of suggesties heeft gedaan met betrekking tot zijn kennis vooraf over hetgeen er zou kunnen gaan gebeuren nadat de feitelijke daders van de woningoverval zich in zijn woning hadden verzameld en voorbereidingen aan het treffen waren.
Het gerechtshof acht deze uitleg van de verdachte niet geloofwaardig.
In aanvulling op hetgeen de rechtbank in het vonnis al heeft overwogen over het bewijs voor het opzet van de verdachte overweegt het gerechtshof het volgende.
Bij de beoordeling van het verweer neemt het gerechtshof als uitgangspunt de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het voor medeplichtigheid vereiste opzet. Blijkens die jurisprudentie (vgl. HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:78) hoeft het opzet niet gericht te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Een meer globale vorm van wetenschap volstaat in dit verband.
In het geval dat het opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waar het opzet van de medeplichtige wel op gericht was voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel kan daarom niet worden gegeven. Doorgaans zal het verband kunnen worden aangenomen, indien het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.
In aanvulling op de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt hanteert het gerechtshof tevens als bewijsmiddel hetgeen de verdachte heeft verklaard in het proces-verbaal van verhoor van 14 maart 2023, voor zover inhoudende: “Er zat iemand te spelen met een vuurwapen in mijn huis.”. [1] Gelet op deze verklaring stelt het gerechtshof vast dat de verdachte vooraf
wistdat er een vuurwapen ter beschikking was.
Uit de concrete inhoud van de twee verklaringen van de verdachte die de rechtbank heeft gebruikt als bewijsmiddelen, alsmede uit de zojuist aangehaalde verklaring van de verdachte over het vuurwapen, blijkt dat hij vooraf van de hoed en de rand wist. De omstandigheid dat de daders van de woningoverval vooraf in de woning van de verdachte zijn verschenen, in het bezit van allerlei gegeven de omstandigheden overduidelijke - voor de verdachte zichtbare - contrabande, zoals tiewraps, een (bezorgers)jas van [bedrijf] en een vuurwapen, en zich hebben omgekleed vóór hun vertrek naar de plaats van het delict, liet voor de verdachte - óók blijkens overige onderdelen van zijn hierboven bedoelde verklaringen bij de politie, welke onderdelen het gerechtshof authentiek en naar waarheid afgelegd acht - geen onduidelijkheid bestaan over hetgeen er stond te gebeuren.
In het politieverhoor van 15 december 2022 [2] spreekt de verdachte daarover in termen als:
“De hele woonkamer zat vol jongens, dan maar even 'go with the flow (…)”
“De kleinste trok op het laatste moment nog een donker groene jas met een beetje zilvergrijs aan. Beetje zilvergrijs fluoriderend, een bezorgersjas met een opdruk. Ik weet niet wat voor opdruk maar als je dat wilt weten, de jas ligt nog bij ons in de schuur. Ik hoorde zeggen dat hij als eerste aan de deur moest, ik ben natuurlijk ook niet achterlijk. (…)
De tie-rips, de jas. Ik had wel een beetje een idee wat ze van plan waren.”
In het politieverhoor van 31 januari 2023 [3] spreekt hij in termen als:
“Ik weet (…) dat er iets was met die tie raps en dat die [bedrijf] jas als eerste moest.
Ik dacht dat ze misschien een ripdeal gingen doen. Het zijn geen kleine jongens.”
(en op de vraag: “Begrijp je dat dit je tot medeplichtige maakt?”):
“Ja. Ik kom uit de gevangenis.”
De verdachte heeft blijkens de bewijsmiddelen in de nacht van 7 op 8 december 2022 de overvallers van de woningoverval aan [adres] in [plaats] gefaciliteerd, door zijn woning aan de overvallers ter beschikking te stellen om de overval voor te bereiden, toe te staan dat de overvallers goederen - zoals hun telefoons en schone kleding voor na de overval - in zijn woning achterlieten voorafgaand aan het plegen van de overval. Verder heeft de verdachte een spuitfles ter beschikking gesteld, waarna daar iets uit een andere fles in werd over gegoten. Verdachte heeft volgens afspraak die nacht de deur van zijn woning open gelaten, zodat de overvallers na de overval weer in de woning konden terugkeren.
Gelet op zijn wetenschap vooraf over hetgeen er stond te gebeuren en gelet op de concrete aard en inhoud van zijn behulpzaamheid daarbij aan de feitelijke daders, zoals daarvan blijkt uit de bewijsmiddelen, is de rol van de verdachte in voldoende mate actief en voldoende substantieel geweest voor medeplichtigheid. De verdachte heeft die actieve voorafgaande rol nog eens bevestigd door nadat de overval was gepleegd kleding van de overvallers in een zak te verzamelen en weg te gooien.
Gelet op het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer van de verdachte en de verdediging.
Verbeterde lezing van de kwalificatie
In het vonnis van de rechtbank zijn de onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten als volgt gekwalificeerd:
“Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en 2 subsidiair:
Eendaadse samenloop van:
enerzijds
medeplegen van mishandeling
en
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer
verenigde personen het misdrijf plegen
en anderzijds
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”
Het gerechtshof stelt vast dat de rechtbank ter zake van deze strafbare feiten eendaadse samenloop heeft benoemd in de kwalificatie. In de toegepaste wetsartikelen heeft de rechtbank echter enkel artikel 57 Sr, dat de meerdaadse samenloop betreft, opgenomen en niet artikel 55 Sr, dat ziet op de eendaadse samenloop. Mede gelet op de verschillende rechtsbelangen die worden beschermd door de wetsartikelen ter zake van de hierboven genoemde strafbare feiten, hetgeen duidt op meerdaadse samenloop, zal het gerechtshof de kwalificatie als volgt verbeterd lezen:
Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit levert op:

medeplegen van mishandeling

en
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen.
Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit levert op:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ten aanzien van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • de rol van de verdachte - als medepleger - ter zake van het bewezen verklaarde binnendringen in de woningoverval aan [adres] in [plaats] (feit 1 meer subsidiair). Dit binnendringen in de woning heeft vervolgens geresulteerd in mishandeling van de betrokken bewoner [slachtoffer 1] (feit 1 meer subsidiair) en een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] (feit 2 subsidiair). Op 12 december 2022 is de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] naar een woning aan [adres] in [plaats] gegaan om een schuld te vereffenen. Om aangever ertoe te dwingen zijn telefoon te resetten ter vereffening van de schuld hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] de voordeur van aangevers woning ingetrapt, waarna ze aangever in zijn woning hebben mishandeld. Op enig moment heeft aangever een mogelijkheid gezien te ontsnappen en is hij vervolgens roepend om hulp zijn woning uit gevlucht. Aangever heeft veel pijn geleden door het geweld dat tegen hem is gebruikt en voelde zich nadien onveilig in zijn eigen woning. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het gerechtshof rekent het de verdachte aan dat hij zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin, alsmede dat hij in het feit dat aangever een schuld bij hem had kennelijk een rechtvaardiging heeft gezien voor het gebruik van geweld;
  • de rol van de verdachte - als medeplichtige - ter zake van het bewezen verklaarde bijzonder gewelddadige woningoverval aan [adres] in [plaats] (feit 3 subsidiair).
De verdachte is weliswaar niet zelf bij de feitelijke uitvoering betrokken geweest, maar hij heeft wél vooraf een - voor die uitvoering essentiële - verzamelplaats geboden aan de daders en daarmee een rol gehad die van belang is geweest in het geheel. De verdachte heeft in de nacht van 7 op 8 december 2022 de overvallers van deze woningoverval gefaciliteerd, door zijn woning aan de overvallers ter beschikking te stellen om de overval voor te bereiden, een spuitfles ter beschikking te stellen, toe te staan dat de overvallers goederen - zoals hun telefoons en schone kleding voor na de overval - in zijn woning achterlieten voorafgaand aan het plegen van de overval en - volgens afspraak - die nacht de deur van zijn woning open te laten, zodat de overvallers na de overval weer in de woning konden terugkeren. In de woning die in die nacht is overvallen bevonden zich drie personen: te weten [slachtoffer 2] , zijn vriendin [slachtoffer 3] , en zijn moeder [slachtoffer 4] , die destijds 73 jaar oud was. Met het oog op het verkrijgen van de sleutel van een kluis waar veel geld in zou liggen, hebben de overvallers de slachtoffers vastgebonden met duct-tape en tiewraps en urenlang vastgebonden gehouden, bedreigd met een vuurwapen en overgoten met vloeistof onder de bedreiging dat [slachtoffer 2] in brand gestoken zou worden.
Uit de op de zitting van de rechtbank door aangever [slachtoffer 3] voorgedragen slachtofferverklaring en uit de onderbouwing van en toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat de woningoverval veel impact heeft gehad op de slachtoffers. Zij hebben doodsangsten uitgestaan en ondervinden nog steeds zeer nadelige psychische gevolgen van de woningoverval. Ze zijn angstig en wantrouwend geworden en voelen zich niet meer vrij en veilig in hun eigen huis.
Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woningoverval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hen vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen voelen. Dit heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan bij de slachtoffers van deze gewelddadige woningoverval, zoals hierboven nader omschreven. Ook in de omgeving kan een dergelijke woningoverval een grote impact hebben.
Het gerechtshof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij, ondanks dat hij wist dat de overvallers een zeer ernstig strafbaar feit gingen plegen waar onder meer tiewraps en een vuurwapen bij betrokken waren, op geen enkel moment - ook niet nadat de overvallers zijn woning hadden verlaten om dat strafbare feit te gaan plegen - de politie heeft ingeschakeld. Daarmee had de verdachte de slachtoffers veel leed kunnen besparen. De verdachte heeft zich, kennelijk (het was voor hem “Go with the flow”), op dat moment niets aangetrokken van de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers en zegt uit angst voor de overvallers te zijn meegegaan in de situatie die hem overkwam. Toen de overvallers uit de woning waren vertrokken, heeft hij echter ruim de tijd gehad om tot bezinning te komen en om de keuze te maken anders te handelen;
 het gegeven dat door de binnendringing in de woning van [slachtoffer 1] , de mishandeling van [slachtoffer 1] en de poging tot afpersing van [slachtoffer 1] en de gewelddadige overval in de woning van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] daarnaast financiële schade, ernstige overlast en letsel is veroorzaakt bij de slachtoffers.
  • de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en heeft gehandeld zonder enig respect voor het welzijn en het eigendomsrecht van een ander;
  • de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Ter zake van het misdrijf van een gewelddadige overval in een woning kan in beginsel - aan de dader - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren worden opgelegd. Als straf vermeerderende factoren kunnen daarbij in de beschouwing worden betrokken:
- kwetsbare slachtoffers;
- omvang schade;
- (aard en ernst) letsel;
- samenwerkingsverband;
- professionele werkwijze;
- recidive;
- soort wapen/voorwerp.
Alle hierboven genoemde wegingsfactoren, waarvan met name het bedreigen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met een vuurwapen en het (kennelijk) bedreigen van [slachtoffer 2] met waterboarden dan wel verdrinking en met het dreigen [slachtoffer 2] in brand te steken en het vastbinden en knevelen, hebben in de visie van het gerechtshof een strafverzwarende uitwerking.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
  • het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, op 24 november 2020, is veroordeeld ter zake van het plegen van een reeks vermogensdelicten, waaronder twee vermogensdelicten met een geweldscomponent - bedreiging met geweld tegen personen -, welke veroordeling onherroepelijk is. Dit pleit niet in zijn voordeel, nu een eerdere stevige bestraffing de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw te proberen een vermogensdelict (gericht tegen [slachtoffer 1] ) te plegen, met gebruikmaking van geweld, en een ander gewelddadig vermogensdelict (gericht tegen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ) te faciliteren. Daarnaast is hij veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige strafbare feiten - welke veroordelingen eveneens onherroepelijk zijn - zij het dat het daarbij het niet gaat om recente veroordelingen;
  • de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige zaak
- inclusief de weging van de persoonlijke omstandigheden - worden opgelegd.
Het gerechtshof ziet thans - mede gelet op de voor de verdachte positieve strekking van
het voortgangsverslag toezicht van Reclassering Nederland van 16 juni 2025 - geen aanleiding voor de oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel van artikel 38z Sr. Wél zal het gerechtshof (bij het voorwaardelijk strafdeel) opleggen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en zoals hieronder nader bepaald in het dictum. Daarmee staat de verdachte gedurende de proeftijd van drie jaren onder intensief toezicht en onder begeleiding.
De raadsvrouw van de verdachte heeft in het kader van het door haar gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof oplegging van een andere strafmodaliteit dan hieronder is bepaald aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.
Het gerechtshof heeft tevens gelet op overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep, nu gerechtshof niet binnen zestien maanden nadat de verdachte (toen nog voorlopig gedetineerd) hoger beroep heeft ingesteld tot een uitspraak is gekomen. De overschrijding bedraagt ongeveer twee maanden. Gezien deze geringe mate van overschrijding zal het gerechtshof - behoudens de constatering van het verzuim - daaraan geen verdere gevolgen verbinden.
Het gerechtshof heeft anderszins wel rekening gehouden met het tijdsverloop, in die zin dat het al ruim 31 maanden geleden is dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan en dat de verdachte in die tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de uitkomst van deze strafzaak.
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding acht het gerechtshof - alles afwegend - passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan twintig maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest en met de hierboven bedoelde bijzondere voorwaarden.
Gelet hierop zal het gerechtshof het bevel tot voorlopige hechtenis, waarvan de schorsing doorliep tot aan deze uitspraak, opheffen met ingang van 31 juli 2025 om 13.30 uur.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De raadsvrouw van de verdachte heeft het gerechtshof verzocht bij de vaststelling van de vervangende hechtenis in het kader van een op te leggen schadevergoedingsmaatregel rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte geen werk heeft, een bijstandsuitkering ontvangt en schuldhulpverlening heeft. Financiële middelen om de schade te betalen heeft hij dientengevolge niet. Daarmee zou de normaliter op te leggen vervangende hechtenis een punitief karakter krijgen, hetgeen ongewenst is, aldus de verdediging. Verzocht is om geen vervangende hechtenis op te leggen.
Het gerechtshof zal niet meegaan in dit verweer. Het gerechtshof zal, zoals artikel 36f Sr voorschrijft, de duur bepalen volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. Dat laatste artikel stelt in lid
3 de norm dat gijzeling niet wordt toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 19,00 en immateriële schade ten bedrage van € 2.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich onverkort en binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de gehele vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de
materiële schadeis het gerechtshof niet gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW), in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag dat het gerechtshof naar billijkheid vaststelt op € 500,00 ter zake van immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.
Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten. Die worden tot aan dit moment aan de kant van de benadeelde partij begroot op nihil.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 8.465,00 en immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zake de materiële schade verlaagd naar € 4.232,50.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder
3 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde materiële en immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 8.465,00 en immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. Ter zitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij zijn vordering ter zake de materiële schade verlaagd naar € 4.232,50.
De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht deels toegewezen. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep, waardoor het gerechtshof de vordering opnieuw moet beoordelen.
Met betrekking tot de gevorderde
immateriële schadestelt het gerechtshof vast dat niet in geschil is dat de benadeelde partij op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW, in de persoon is aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de daarmee gepaard gaande schending van persoonlijkheidsrechten van de benadeelde partij zijn zodanig dat die aantasting kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft dus recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Uit het onderzoek op de zitting is het gerechtshof - mede gelet op de onderbouwing van de vordering - voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder
3 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van de gevorderde materiële en immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2022 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 48, 57, 138, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
20 (twintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich binnen twee weken na ingang van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres] in [plaats] en zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
  • zal verblijven in woonvormen van het Leger des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zo lang de reclassering dat nodig vindt, en zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma van die instelling;
  • dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect- contact zal hebben of zoeken met:
de medeverdachten:
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag] 2000;
- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag] 1998;
- [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedag] 2008;
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag] 1983;
- [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedag] 1992;
en de slachtoffers:
- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag] 1968;
- [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag] 1949;
- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag] 1976;
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 1978,
zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • dat het de verdachte verboden is zich te bevinden in [plaats] , zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • zal meewerken aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening, en dat hij de reclassering inzicht zal geven in zijn financiën en schulden;
  • zal meewerken aan controle (urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) op het gebruik van alcohol en drugs.
Geeft, voor zover niet anders bepaald, opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 31 juli 2025 om 13.30 uur.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die ziet op materiële schade.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
12 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 131 (honderdeenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade,
waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.232,50 (negentienduizend tweehondertweeëndertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 4.232,50 (vierduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 131 (honderdeenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide
betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 december 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. E.W. van Weringh, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 31 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken

Voetnoten

1.Pagina 645 van het politieonderzoek.
2.Pagina 115 en verder van het politieonderzoek.
3.Pagina 630 en verder van het politieonderzoek.