De werkneemster trad in 2020 in dienst bij FrieslandCampina Nederland B.V. en meldde zich in mei 2022 ziek. Na een periode van ziekte en re-integratie werd door de bedrijfsarts vastgesteld dat zij geen medische beperkingen meer had en haar werkzaamheden volledig kon verrichten. Ondanks een loonsanctie van het UWV die de loondoorbetalingsverplichting verlengde tot mei 2025, was de werkneemster per 1 juli 2024 beter gemeld en niet langer arbeidsongeschikt.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2025 wegens een verstoorde arbeidsverhouding en kende een transitievergoeding toe. De werkneemster stelde dat de ontbinding pas per 24 mei 2025 had mogen plaatsvinden vanwege het opzegverbod tijdens ziekte, wat een hogere transitievergoeding zou opleveren.
Het hof oordeelt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet langer gold na herstel van de werkneemster en dat de loonsanctie van het UWV niet leidde tot een zelfstandig opzegverbod los van de ziekteperiode. De kantonrechter heeft terecht de ontbinding per 1 februari 2025 vastgesteld. Het hoger beroep wordt verworpen en de werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.