In deze civiele zaak gaat het om de uitleg van opvolgende geldleningsovereenkomsten tussen appellant en geïntimeerden. Appellant had in 2008 en 2011 leningen verstrekt aan geïntimeerde1 voor diens eenmanszaak, die in 2020 nog niet waren afgelost. In 2020 sloten partijen een nieuwe overeenkomst waarin afspraken werden gemaakt over aflossing en rente tegen 6% per jaar. Appellant vorderde betaling van de hoofdsom en achterstallige rente, maar de rechtbank wees de vorderingen betreffende oude rente af.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de oude overeenkomsten door de nieuwe waren vervangen en dat hij afstand had gedaan van zijn aanspraken op achterstallige rente. Het hof oordeelde dat de nieuwe overeenkomst niet duidelijk de oude verving inclusief alle rechtsgevolgen, en dat geïntimeerden onvoldoende feiten hadden gesteld om dit te onderbouwen. Daarom was appellant gerechtigd de achterstallige rente uit de oude overeenkomsten te vorderen.
Het hof stelde vast dat de rentevorderingen uit de oude overeenkomsten gedeeltelijk verjaard zijn, namelijk voor zover zij ouder zijn dan vijf jaar vóór de beslaglegging in september 2022. Voor de periode van 21 september 2017 tot 26 juni 2020 is appellant gerechtigd tot betaling van rente over de hoofdsommen uit 2008 en 2011, verminderd met betalingen. De vorderingen tegen geïntimeerde2 werden afgewezen omdat zij zich niet persoonlijk had verbonden.
Het hof vernietigde de eerdere vonnissen en besliste opnieuw, waarbij het de hoofdsom en rentevorderingen toewijst aan appellant, inclusief proceskosten en beslagkosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.