De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning vast en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende maakte bezwaar en verzocht om toezending van alle relevante stukken, waaronder de grondstaffel. De heffingsambtenaar verstrekte een taxatieverslag en andere stukken, maar niet de grondstaffel. Belanghebbende stelde dat hierdoor artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep trok belanghebbende zijn overige grieven in en hield alleen de klacht over het niet verstrekken van de grondstaffel over. Tijdens de procedure bleek dat belanghebbende deze klacht bij de Rechtbank nadrukkelijk had ingetrokken. Het Hof oordeelde dat deze klacht daarom niet opnieuw mocht worden ingebracht, omdat de heffingsambtenaar niet ondubbelzinnig had ingestemd met toelating.
Het Hof besloot het hoger beroep ongegrond te verklaren en wees een verzoek om nadere stukken af omdat de heffingsambtenaar deze niet meer kon verstrekken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door raadsheer J. van de Merwe op 25 maart 2025.