Belanghebbende, een gemeente, kreeg voor het jaar 2016 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De reclameactiviteiten en het beheer van de hypotheekportefeuille stonden centraal in het geschil. De rechtbank had eerder geoordeeld dat beide activiteiten als onderneming moesten worden aangemerkt, maar belanghebbende stelde dat deze activiteiten normaal vermogensbeheer zijn en niet als onderneming kwalificeren.
Het Hof beoordeelde eerst of de reclameactiviteiten als zelfstandige activiteit konden worden gezien of moesten worden geclusterd met het beheer van de openbare ruimte. Het Hof concludeerde dat de reclameactiviteiten voldoende zelfstandigheid bezitten en afzonderlijk beoordeeld moeten worden. Vervolgens oordeelde het Hof dat de reclameactiviteiten niet leiden tot een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal, mede omdat de exclusiviteit voortkomt uit publiekrechtelijke regulering en de arbeid die belanghebbende verricht past binnen normaal vermogensbeheer.
Ook het beheer van de hypotheekportefeuille werd beoordeeld als normaal vermogensbeheer, aangezien de werkzaamheden beperkt zijn en de portefeuille niet actief wordt uitgebreid. Het Hof concludeerde dat noch de reclameactiviteiten, noch het hypotheekbeheer als onderneming kwalificeren, waardoor de aanslag vennootschapsbelasting werd verminderd tot een belastbaar bedrag van € 67.029.
Daarnaast werd een hogere vergoeding voor immateriële schade toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel de bezwaar- als beroepsfase. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
De uitspraak bevestigt dat publiekrechtelijke regulering en beperkt arbeidsinzet kunnen leiden tot de kwalificatie van normaal vermogensbeheer, waardoor vennootschapsbelasting niet van toepassing is.