Partijen zijn in 2010 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. In oktober 2023 hebben zij gezamenlijk een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarbij zij afspraken maakten over de gevolgen van de echtscheiding in een convenant en ouderschapsplan. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en de echtscheiding uitgesproken, waarbij het convenant en ouderschapsplan als onderdeel van de beschikking zijn aangehecht.
De vrouw is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen met veertien grieven, waarin zij onder meer verzoekt het gezag over de kinderen alleen aan haar toe te wijzen, het hoofdverblijf van de kinderen bij haar vast te stellen, omgang met de man te ontzeggen, alimentatie vast te stellen en een financiële overbedeling te gelasten. De man verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren of haar verzoeken af te wijzen.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet is bedoeld om een gezamenlijk toegewezen verzoek ongedaan te maken omdat een partij later van mening verandert. De vrouw heeft in eerste aanleg gekregen wat zij heeft verzocht. De jurisprudentie van de Hoge Raad bevestigt dat in dit soort gevallen het rechtsmiddel van hoger beroep niet openstaat. Indien de vrouw zich op een wilsgebrek of wijziging van omstandigheden wil beroepen, dient zij zich opnieuw tot de rechtbank te wenden.
Daarom verklaart het hof de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en wijst het alle verdere verzoeken af. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt.