In deze zaak staat centraal of tussen [de producent] en [de afnemer] sprake is van een duurovereenkomst en welke gevolgen dit heeft voor de beëindiging van de handelsrelatie. [De producent] had met onmiddellijke ingang de levering aan [de afnemer] gestaakt, waarna [de afnemer] een kort geding startte om voortzetting van de levering af te dwingen en een verbod op contact van [de producent] en [de nieuwe verkoper] met haar klanten te verkrijgen.
Het hof stelt vast dat de langdurige handelsrelatie van ruim 38 jaar, de wederzijdse afhankelijkheid en het intensieve contact tussen partijen voldoende aannemelijk maken dat sprake is van een duurovereenkomst. Hoewel geen exclusiviteit of jaarlijkse prijsonderhandelingen waren overeengekomen, rechtvaardigen de omstandigheden een opzegtermijn van één jaar. De onmiddellijke stopzetting door [de producent] was daarom onrechtmatig.
Het gevorderde verbod op contact met klanten en leveranciers wordt afgewezen. Het hof oordeelt dat het benaderen van klanten van een concurrent niet zonder meer onrechtmatig is en dat [de afnemer] onvoldoende bewijs heeft geleverd dat [geïntimeerden] onrechtmatig handelden. Het rauwe karakter van de opzegging kan mogelijk onrechtmatig zijn, maar daarvoor is nader onderzoek nodig dat in kort geding niet kan plaatsvinden.
Het hof veroordeelt [de producent] tot voortzetting van de leveringen gedurende één jaar vanaf de datum van opzegging en legt een dwangsom op van € 10.000 per dag bij niet-nakoming, met een maximum van € 500.000. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.