De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 juli 2021 om 11.11 uur op de Bunschoterweg in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd naar € 187,50 omdat de redelijke termijn van berechting is overschreden in eerste aanleg.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat, nu het bedrag van de sanctie is gematigd, het verzoek om een proceskostenvergoeding ten onrechte is afgewezen. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven.
4. Het hof stelt vast dat de kantonrechter het verzoek om proceskostenvergoeding heeft afgewezen in navolging van de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12059. 5. In die beslissing, die niet in hoger beroep aan het hof ter beoordeling is voorgelegd, is, voor zover hier van belang, door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag het volgende overwogen:
9 Het gerechtshof heeft in het arrest van 28 juli 20231ook geoordeeld dat in een geval als dit de proceskosten moeten worden vergoed voor de fase waarin te laat uitspraak wordt gedaan. De kantonrechter volgt dit oordeel niet. Hij overweegt het volgende.
10 In dit geval vermindert de kantonrechter ambtshalve de verkeersboete omdat hij te laat uitspraak doet. Alleen al daarom is er geen reden voor een proceskostenveroordeling.2Ook overigens is die reden er niet.
11 Het is inmiddels landelijk bekend dat no cure no pay-bureaus (ncnp-bureaus) grote hoeveelheden Mulderberoepen instellen. Het gaat hier niet om ingewikkelde procedures. Beroepschriften bestaan doorgaans uit standaardgronden. Dit maakt dat zij een hoog repetitief gehalte hebben. Deze wijze van procesvoering stelt ncnp-bureaus in staat om op vrij eenvoudige wijze en met geringe inspanningen vele procedures te starten. Daarbij valt op dat vaak pas op brieven van de rechtbank wordt gereageerd als deze aangetekend zijn verstuurd.
12 Alleen al in de voorraadkamer van de rechtbank liggen momenteel ruim 2.000 Mulderzaken, waarvan 1.605 van ncnp-bureaus. De onderneming van de gemachtigde in deze zaak heeft een eigen kast met daarin 762 zaken. Hier komen nog de zaken bij die al aan kantonrechters zijn toebedeeld. En dan te bedenken dat op een dagdeel Mulderzitting ongeveer 35 zaken staan. De voorraadkamer is dus al goed voor een volle maand elke doordeweekse dag in de ochtend en de middag Mulderzitting met ncnp-bureaus. En op die zitting gaat het vooral om de (hoogte van de) proceskostenvergoeding die bij een (deels) gegrond beroep aan een gemachtigde toekomt. Over het belang van de burger wordt nauwelijks meer gesproken. Die is er ook bijna nooit bij. Dit alles gaat ten koste van een tijdige en afgewogen afdoening van zaken.
13 Vanzelfsprekend heeft iedereen in Nederland recht op een tijdige uitspraak. Hier ligt een grote verantwoordelijkheid voor de rechterlijke macht. Tegelijkertijd ziet de kantonrechter dat ncnp-bureaus door de vele procedures in Mulderzaken inmiddels een eigen aandeel hebben gekregen in de tijdigheid van uitspraken. Het is evident niet redelijk om een proceskostenvergoeding toe te kennen als de reden daarvoor mede in procedeergedrag is gelegen.
14 Daar komt het volgende bij. De kantonrechter heeft op de zitting 16 zaken van de gemachtigde behandeld. In 9 daarvan doet hij te laat uitspraak. Het oordeel van het gerechtshof over de proceskosten zou tot gevolg hebben dat in totaal € 7.551,- aan vergoeding moet worden toegekend. Dit is duidelijk geen tegemoetkoming in de kosten meer, maar een royale beloning voor geringe inspanningen. De kantonrechter herhaalt nog maar eens dat de proceskostenvergoeding hier niet voor bedoeld is.
15 De kantonrechter komt na afweging van alle relevante elementen tot de conclusie dat in een geval als dit een vergoeding van de proceskosten redelijkerwijs achterwege moet blijven. Hij vindt voor deze afdoeningsmodaliteit steun in de conclusie van 26 november 2019 van Harteveld, procureur-generaal bij de Hoge Raad.3Al met al wijst de kantonrechter het verzoek af.
6. Voor zover de kantonrechter aan de afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding het procedeergedrag van gemachtigden als deze ten grondslag heeft gelegd, waardoor de tijdigheid van uitspraken onder druk staat, stelt het hof vast dat de kantonrechter in het procedeergedrag van de gemachtigde in deze zaak geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat daardoor de termijn van berechting zodanig - aan de gemachtigde toe te rekenen - is verlengd dat van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg geen sprake is.
7. Dit kennelijke oordeel van de kantonrechter is juist, de kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. De kantonrechter heeft te laat beslist op het beroep.
8. De kantonrechter heeft hieraan vervolgens, gelet op het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369, terecht het gevolg verbonden dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25%. In beroep bij de kantonrechter had de gemachtigde hier overigens ook op gewezen en om verzocht, zodat hetgeen in de hierboven geciteerde overweging 10 uit de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag is opgenomen zich in deze zaak niet voordoet. In zoverre mist de motivering van de kantonrechter feitelijke grondslag. 9. Op grond van artikel 13a van de Wahv komen alleen die proceskosten voor vergoeding in aanmerking die de andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit het geval is als de betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld.
10. In zijn arrest van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 heeft het hof zijn eerdere maatstaf wanneer een betrokkene in het gelijk wordt gesteld, herzien. Aanleiding daarvoor was het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:563. Dit arrest is gewezen op de (door de kantonrechter conclusie genoemde) vordering tot cassatie in het belang der wet van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 26 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1201. De verwijzing van de kantonrechter naar deze vordering treft, gelet op de daarop volgende arresten van de Hoge Raad en het hof, geen doel. 11. Het hof heeft in voornoemd arrest van 28 april 2020 geoordeeld dat een betrokkene in het gelijk wordt gesteld onder meer indien de inleidende beschikking wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag.
12. Er zijn geen redenen om af te zien van toekenning van een proceskostenvergoeding in deze zaak. Dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, zogenoemde no cure no pay-bureaus, waaronder de gemachtigde in onderhavige zaak, op vrij eenvoudige wijze en met geringe inspanningen grote hoeveelheden Mulderberoepen indienen, veelal bestaande uit standaard beroepsgronden, betreft niet een op deze zaak toegespitste overweging maar een meer algemene verzuchting. De hier in beroep bij de kantonrechter ingediende beroepsgronden zijn op de zaak toegespitst en betreffen de verweten gedraging en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
13. Ook de meer algemene opmerking dat een royale beloning wordt toegekend voor geringe inspanningen kan geen aanleiding zijn om geen proceskostenvergoeding toe te kennen. De omvang van de in een concrete zaak verrichte inspanningen kan in voorkomend geval mogelijk relevant zijn bij een eventuele toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
14. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk bepalen dat een proceskostenvergoeding aan de betrokkene wordt toegekend (vgl. ov. 26 van voornoemd arrest van 28 juli 2023).
15. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal 2 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de gemaakte kosten in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).
16. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 875,-. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten € 218,75 (= 1 x € 875,- x 0,25).
17. Gelet op het voorgaande zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.093,75 (= € 875,- + € 218,75).