De zaak betreft het hoger beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) door de rechtbank Overijssel. Verzoeker was eerder toegelaten tot de WSNP en heeft in 2018 de schone lei ontvangen. Na beëindiging van budgetbeheer en het starten van een onderneming die vanwege corona werd beëindigd, ontstonden nieuwe schulden. Momenteel werkt verzoeker fulltime met een bruto maandinkomen van ongeveer €3.330,-, maar ontvangt netto circa €2.000,- door loonbeslag.
De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet te goeder trouw was en er geen uitzicht was op een duurzame oplossing voor de schulden, met name de vordering van PvdA. Verzoeker stelde dat de schulden niet verwijtbaar zijn vanwege omstandigheden zoals corona, loonbeslag en verlies van werk, en dat hij inmiddels zijn financiën beter beheert.
Het hof oordeelt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is. Hij heeft bewust budgetbeheer beëindigd en onvoldoende maatregelen genomen om nieuwe schulden te voorkomen. Ook het niet verkopen van zijn auto en het accepteren van een auto met bijtelling getuigen van onverstandig financieel gedrag. Het loonbeslag ontslaat hem niet van verantwoordelijkheid. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat verzoeker zijn financiële situatie onder controle heeft gekregen, ondanks budgetbeheer sinds september 2022 en een vaste baan sinds oktober 2023.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarmee het verzoek tot toelating tot de WSNP wordt afgewezen.