ECLI:NL:GHARL:2024:1582

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
Wahv 200.278.403
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid bij Wahv-procedure

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die haar beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet stellen van de vereiste zekerheid in een zaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

De betrokkene voerde aan financieel niet in staat te zijn de zekerheid te stellen en voegde betaalrekeningafschriften toe. De kantonrechter nodigde haar uit voor een openbare zitting om haar financiële situatie toe te lichten, maar zij verscheen niet. De kantonrechter concludeerde dat het draagkrachtverweer onvoldoende onderbouwd was en wees het beroep af.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter ten onrechte stelde dat geen draagkrachtverweer was gevoerd, maar dit had geen gevolgen. De betrokkene verscheen niet op de zitting en leverde geen aanvullende financiële stukken. De kantonrechter handelde correct door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Verder stelde het hof vast dat de redelijke termijn van berechting niet was overschreden, omdat de vertraging voornamelijk aan de betrokkene te wijten was door herhaaldelijke verzoeken tot aanhouding, verlenging en wrakingsverzoeken.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden en sprak het arrest uit op 23 februari 2024.

Uitkomst: Het beroep van de betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.278.403/01
CJIB-nummer
: 219959695
Uitspraak d.d.
: 23 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 april 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 30 december 2020 is nog een schrijven van de betrokkene ontvangen, in afschrift doorgezonden aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 juli 2022. De betrokkene is, samen met haar dochter
[naam1] , verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] . De behandeling van de zaak is ter zitting aangehouden.
Op 18 juli 2022, ontvangen door het hof op 19 juli 2022, zijn nadere stukken ontvangen van de advocaat-generaal. Een afschrift is per aangetekende en gewone post aan de betrokkene gestuurd.
Op 21 september 2022 is er een e-mail van de betrokkene ontvangen. De griffier van het hof heeft hier bij brief van 26 september 2022 op gereageerd. Bij deze brief zijn (nogmaals) de stukken van de advocaat-generaal gevoegd.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 februari 2024. De betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam3] .
Op diezelfde zitting is uitspraak gedaan. Het mondeling gewezen arrest is op schrift gesteld.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, op grond van de overweging dat de betrokkene geen dan wel niet tijdig zekerheid heeft gesteld.
2. De betrokkene voert aan reeds in de procedure bij de kantonrechter naar voren te hebben gebracht financieel gezien niet in staat te zijn om zekerheid te stellen, een en ander gestaafd door financiële gegevens. De betrokkene meent dat het recht op toegang tot de rechter niet mag worden beperkt door een slechte financiële situatie.
3. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Als echter blijkt dat de toegang tot de rechter door de financiële situatie van de betrokkene wel zou worden belemmerd, is de verplichting tot zekerheidstelling een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
4. In de procedure bij de kantonrechter heeft de betrokkene aangevoerd niet in staat te zijn om zekerheid te stellen, waarbij een afschrift van haar betaalrekening is gevoegd.
5. In gevallen zoals deze, waarin de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter aanvoert dat om financiële redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan worden gesteld tot het totale verlangde bedrag, heeft de kantonrechter twee mogelijkheden:
- hij acht aannemelijk dat de betrokkene niet in staat is om zekerheid te stellen, stelt de zekerheid op nihil en behandelt de zaak inhoudelijk;

of

- hij nodigt de betrokkene uit om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht.
6. Als de kantonrechter de betrokkene uitnodigt om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht, heeft de kantonrechter weer twee mogelijkheden:
- hij acht aannemelijk dat de betrokkene niet (volledig) in staat is zekerheid te stellen. In dat geval zal hij een bedrag van de zekerheid moeten vaststellen dat in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig moet de betrokkene een nadere termijn worden gegeven waarbinnen alsnog het verlaagde bedrag aan zekerheid kan worden gesteld;

of

- hij acht de betrokkene in staat volledig zekerheid te stellen. In dat geval moet de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn geven om alsnog het volledige bedrag van de zekerheid te betalen.
7. Uit de informatie in het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 2 oktober 2019 is de betrokkene uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van de kantonrechter van 6 november 2019. In die brief is onder meer vermeld dat, indien geen zekerheid is gesteld, de betrokkene indien nodig ter zitting een toelichting kan geven op haar financiële situatie. Op verzoek van de betrokkene is de behandeling van de zaak aangehouden. De betrokkene is vervolgens middels schrijven van 5 november 2019 uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van de kantonrechter van 28 november 2019, waarin wederom onder meer is vermeld dat, indien geen zekerheid is gesteld, de betrokkene indien nodig ter zitting een toelichting kan geven op haar financiële situatie. De behandeling van de zaak is toen nogmaals op verzoek van de betrokkene aangehouden. De betrokkene is ten slotte bij schrijven van 27 november 2019 uitgenodigd te verschijnen op de zitting van de kantonrechter van 17 januari 2020, waarbij de inhoud van die brief gelijk is aan voornoemde brieven. De betrokkene heeft de rechtbank vervolgens meermaals te kennen gegeven dat er meerdere zaken van haar lopen, zowel bij de rechtbank als bij het hof, en dat het haar wenselijk lijkt om de uitkomst van die zaken af te wachten alvorens de onderhavige zaak te behandelen, waarbij (om die reden) wederom een verzoek om aanhouding is gedaan.
8. Blijkens de stukken in het dossier heeft de kantonrechter de zaak vervolgens behandeld ter zitting van 17 januari 2020. Op die zitting heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
“De kantonrechter stelt vast dat het bedrag van de door betrokkene te stellen zekerheid niet is voldaan. Door betrokkene is geen draagkrachtverweer gevoerd.” De betrokkene is voorts door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om het gehele bedrag van de zekerheidstelling alsnog te voldoen binnen 14 dagen na verzending van die beslissing. Die beslissing is middels schrijven van 18 februari 2020 aan de betrokkene toegestuurd. De betrokkene heeft hierop nog gereageerd middels schrijven van 2 maart 2020 waarin valt te lezen dat ze financieel niet in staat is om zekerheid te stellen en waarbij een nieuw (recent) afschrift van haar betaalrekening is gevoegd. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene uiteindelijk bij beslissing van 3 april 2020 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen zekerheid is gesteld.
9. Het hof overweegt allereerst dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen draagkrachtverweer is gevoerd. De betrokkene heeft in de procedure bij de kantonrechter meermaals aangegeven het verlangde bedrag aan zekerheidstelling niet te kunnen voldoen. Aan die onjuiste overweging zal het hof echter vanwege het navolgende geen gevolgen verbinden.
10. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de kantonrechter de betrokkene uitgenodigd om te verschijnen op een openbare zitting teneinde haar financiële situatie te kunnen toelichten. De betrokkene is niet verschenen. Ter beoordeling van de financiële situatie van de betrokkene stond de kantonrechter op dat moment een tweetal afschriften van de betaalrekening van de betrokkene ter beschikking. Dit betreft een afschrift van 5 april 2019 dat een saldo laat zien van - € 277,91 en een afschrift gedateerd 30 mei 2019 met een saldo van € 470,13. Hoe de financiële situatie van de betrokkene was op het moment dat de kantonrechter overging tot de beoordeling van de draagkracht ter zitting, is onbekend. De betrokkene heeft voorafgaand aan die zitting geen financiële bescheiden overgelegd. De beslissing van de kantonrechter moet dan ook zo worden begrepen dat het draagkrachtverweer niet nader is onderbouwd en dat het om die reden is verworpen. Deze beslissing is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk. Door de betrokkene vervolgens een termijn van 14 dagen te geven om alsnog aan de verplichting tot het stellen van zekerheid te voldoen, heeft de kantonrechter gehandeld conform het onder 6. overwogene. Nu vervolgens niet binnen die termijn alsnog zekerheid is gesteld, heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene terecht en op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden bevestigd. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de door de betrokkene opgeworpen bezwaren tegen de aan haar opgelegde sanctie.
11. Het hof stelt verder nog vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep niet is overschreden
.De lange duur van de procedure is in overwegende mate te wijten aan de betrokkene. Op verzoek van de betrokkene zijn herhaaldelijk termijnen verlengd of is de behandeling van de zaak ter zitting aangehouden, onder meer vanwege ziekte of langdurig verblijf van de betrokkene in het buitenland. Daarnaast is een draagkrachtverweer gevoerd. In hoger beroep is een wrakingsverzoek gedaan dat, vlak voor de behandeling van dat verzoek op zitting, is ingetrokken. Later is nogmaals een wrakingsverzoek gedaan dat ongegrond is verklaard. Op zichzelf is de betrokkene gerechtigd om dergelijke verweren te voeren en zulke verzoeken te doen, maar deze verzoeken hebben wel consequenties voor de voortgang van de zaak. In beginsel zal dit niet onmiddellijk leiden tot het oordeel dat de redelijke termijn voor berechting in dat geval langer dan twee jaar is. Gelet echter op de vele verlengingen en aanhoudingen in deze zaak op verzoek van de betrokkene, kan niet gezegd worden dat de redelijke termijn van berechting in deze zaak is overschreden (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369 en het arrest van het hof van 25 januari 2024, vindplaats ECLI:NL:GHARL:2024:656).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en heden op een openbare zitting uitgesproken.