ECLI:NL:GHARL:2023:7728

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
Wahv 200.324.805/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 WahvArt. 2, eerste lid WahvArt. 14, vijfde lid IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens verhoging appelgrens niet in strijd met artikel 6 EVRM

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €100 wegens afslaan zonder richting aan te geven op 4 augustus 2021.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze beslissing stelde de gemachtigde van de betrokkene hoger beroep in, stellende dat de verhoging van de appelgrens van €70 naar €110 per 1 januari 2023 niet op hem toegepast mag worden omdat het beroep was ingesteld toen de lagere grens nog gold.

Het hof overweegt dat de appelgrens wordt bepaald door de datum van de beslissing van de kantonrechter, die na 31 december 2022 is genomen. Daarom is de hogere appelgrens van toepassing en staat hoger beroep niet open tegen sancties van €110 of lager.

Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het uitsluiten van hoger beroep bij bagateldelicten niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro of het IVBPR. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.805/01
CJIB-nummer
: 243227669
Uitspraak d.d.
: 14 september 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “afslaan zonder richting aan te geven (met de arm of richtingaanwijzer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 augustus 2021 om 21:00 uur op de Vinkenveen 4 in Loenersloot met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling luidt ingaande 1 januari 2023, dat tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 110,-. Vóór die datum was dat bedrag € 70,-.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de appelgrens, zoals die ingaande 1 januari 2023 luidt, de betrokkene niet mag worden tegengeworpen. Op het moment dat namens de betrokkene beroep is ingesteld bij zowel de officier van justitie als de kantonrechter was de appelgrens € 70,-. De betrokkene was tijdens het hele proces dan ook in de veronderstelling dat een rechtsmiddel openstond bij het hof. De gemachtigde is van mening dat de verhoging van de appelgrens in strijd is met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu de betrokkene voor deze verhoging de toegang tot de (hogere) rechter wordt ontzegd.
4. Het hof overweegt met een verwijzing naar het arrest van het hof van 17 augustus 2023, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:6929, dat de hoogte van de sanctie, zoals bij de beslissing van de kantonrechter is vastgesteld, bepalend is voor het antwoord op de vraag of hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de kantonrechter. Het hof leidt hieruit af dat de datum van de beslissing van de kantonrechter bepalend is voor het antwoord op de vraag welke appelgrens geldt.
5. Nu de beslissing van de kantonrechter dateert van na 31 december 2022, is artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling met ingang van 1 januari 2023 luidt, van toepassing op het instellen van hoger beroep. Het sanctiebedrag is € 100,-. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wahv staat tegen de beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep open.
6. Voor zover de gemachtigde heeft betoogd dat aldus het recht op hoger beroep wordt uitgesloten, hetgeen in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, wijst het hof op het arrest van 14 juni 2000, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0004. Daarin heeft het hof geoordeeld dat artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 6 EVRM Pro geen onbeperkt recht op een hogere voorziening toekennen in geval van bagateldelicten en dat in geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, deze als bagateldelicten dienen te worden gekwalificeerd. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- in artikel 14, eerste, lid Wahv is uitgesloten, is derhalve niet in strijd met artikel 14, vijfde lid, IVBPR en artikel 6 EVRM Pro.
7. Het voorgaande betekent dat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest te ondertekenen.