ECLI:NL:GHARL:2023:6929

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 augustus 2023
Publicatiedatum
17 augustus 2023
Zaaknummer
Wahv 200.323.210/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRMArt. 7 EVRMArt. 14 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens appelgrens bij administratieve sanctie verkeersvoorschriften

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een administratieve sanctie voor het niet gebruiken van de rijbaan als bromfietser. De sanctie bedroeg €100, opgelegd bij beschikking van 11 april 2022. De appelgrens voor hoger beroep werd per 1 januari 2023 verhoogd van €70 naar €110.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de appelgrens die gold op het moment van de gedraging en sanctie (2022) van toepassing moest zijn, omdat toepassing van de hogere grens het recht op hoger beroep zou ontnemen in strijd met het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De advocaat-generaal stelde dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de appelgrens wordt bepaald aan de hand van de datum van de beslissing van de kantonrechter.

Het hof concludeerde dat de appelgrens van toepassing is zoals die geldt op het moment van de beslissing van de kantonrechter, in dit geval na 31 december 2022. Aangezien de sanctie €100 bedroeg, wat onder de appelgrens van €110 ligt, is hoger beroep niet mogelijk. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de sanctie onder de appelgrens valt die geldt bij de beslissing van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.323.210/01
CJIB-nummer
: 248501565
Uitspraak d.d.
: 17 augustus 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de inleidende beschikking in zoverre gewijzigd dat de omschrijving van de gedraging luidt: “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken fiets/bromfietspad”. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van
€ 642,38.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 augustus 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist omtrent de proceskostenvergoeding.
2. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling luidt ingaande 1 januari 2023, dat tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 110,-. Vóór die datum was dat bedrag € 70,-.
3. De gemachtigde is van mening dat de appelgrens, zoals die ingaande 1 januari 2023 luidt, de betrokkene niet mag worden tegengeworpen. De gemachtigde merkt daartoe op dat de gedraging is geconstateerd op 2 maart 2022 en de sanctie, die € 100,- bedraagt, is opgelegd bij beschikking van 11 april 2022. Indien de sinds 1 januari 2023 geldende appelgrens van toepassing is, wordt de betrokkene gedurende een lopende procedure - waarin sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) - het recht op beroep bij een tweede feitelijke instantie ontnomen.
De gemachtigde is, blijkens het verhandelde ter zitting, van mening dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv aldus moet worden gelezen dat voor het antwoord op de vraag welke appelgrens van toepassing is, de datum van de inleidende beschikking bepalend is. Indien deze lezing niet kan worden gevolgd, moet de ingaande 1 januari 2023 geldende bepaling buiten toepassing worden gelaten en de destijds geldende bepaling worden toegepast. Daartoe stelt de gemachtigde dat, gelet op artikel 7 van Pro het EVRM en artikel 14 van Pro het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de meest gunstige wetgeving moet worden toegepast bij de beoordeling van de vraag of in rechte kan worden opgekomen tegen een daad van vervolging (vlg. Scoppola-arrest, ECLI:CE:ECHR:2009:0917JUD001024903).
4. De advocaat-generaal heeft gewezen op de volgende passages uit de Memorie van Toelichting bij de Wet van 28 oktober 1999 (Kamerstuk 25927, nr.3, 1997-98, artikelsgewijze toelichting) :
"In het eerste lid is als hoofdregel neergelegd, dat hoger beroep van de beslissing van de kantonrechter open staat indien de bij die beslissing opgelegde administratieve sanctie meer bedraagt dan f 150. Bepaalt de kantonrechter dat de verschuldigde sanctie f 150 of lager is (bijvoorbeeld door handhaving van de bestreden beschikking van de officier van justitie), dan staat geen hoger beroep open van die beslissing. Evenmin staat dan beroep in cassatie open. Met de beslissing van de kantonrechter eindigt dan de procedure." (…) "Het bedrag van f 150 kan bij wet worden gewijzigd. Een uitdrukkelijke wetsbepaling is daartoe niet nodig. Wij verwachten dat er slechts na ommekomst van enkele jaren aanleiding zal bestaan om tot wijziging van het bedrag over te gaan, bijvoorbeeld aan de hand van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie."
5. Onder verwijzing naar deze passages stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om het toetsingsmoment van de appelgrens te leggen bij de beslissing van de kantonrechter en dat de wetgever rekening heeft gehouden met de mogelijkheid tot periodieke verhoging van de appelgrens. De consequentie dat een sanctie die op het moment van oplegging boven de appelgrens valt dat niet meer doet ten tijde van de uitspraak van de kanonrechter, is derhalve ingecalculeerd door de wetgever. De advocaat-generaal ziet in de gronden van de gemachtigde geen reden om niet uit te gaan van de appelgrens, zoals die sinds 1 januari 2023 luidt. De advocaat-generaal concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep.
6. Het hof overweegt dat, gelet op de tekst van de onder 2. genoemde bepaling, mede bezien in het licht van de door de advocaat-generaal aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis daarvan, de hoogte van de sanctie zoals die bij de beslissing van de kantonrechter is bepaald, bepalend is voor het antwoord op de vraag of hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de kantonrechter. Het hof leidt hieruit af dat de datum van de beslissing van de kantonrechter bepalend is voor het antwoord op de vraag welke appelgrens geldt.
7. Nu de beslissing van de kantonrechter dateert van na 31 december 2022 is artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling met ingang van 1 januari 2023 luidt, van toepassing op het instellen van hoger beroep. Het sanctiebedrag is € 100,-. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wahv staat tegen de beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep open.
8. Zoals onder 1. is overwogen is het hoger beroep beperkt tot de beslissing van de kantonrechter omtrent de proceskostenvergoeding. De door de gemachtigde aangehaalde verdragsbepalingen hebben hierop geen betrekking. Het betoog van de gemachtigde, dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling met ingang van 1 januari 2023 luidt, wegens strijd met die bepalingen hier buiten toepassing moet worden gelaten, behoeft geen verdere bespreking.
9. Het hof zal het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.