Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- het op 6 september 2022 aan [geïntimeerde] verleende verstek
- de memorie van grieven.
2.De kern van de zaak (en beslissing van het hof)
3.De feiten
- dat tussen [naam1] c.s. als verkoper en BKBD c.s. als koper een schriftelijke koopovereenkomst is gesloten ter zake de verkoop van horecagelegenheid [naam3] (hierna koopovereenkomst) (…)
a. dat tussen verkoper en koper een schriftelijke koopovereenkomst is gesloten ter zake de verkoop van horecagelegenheid [naam3] (…)
4.Het oordeel van het hof
van de bedongen koopsom […] niks meer [valt] te vorderen in dat kader is op 8 augustus 2018 een vaststellingsovereenkomst getekend. De heer [appellant] heeft alles netjes op tijd betaald en geen achterstanden laten oplopen”. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij deze mail heeft verzonden op verzoek van [naam4] naar aanleiding van een aangevraagd faillissement van een onderneming van [appellant] . Andere relaties van [naam4] hebben een soortgelijk verzoek gekregen en daaraan voldaan. Deze mail was dus bedoeld om één front te vormen met anderen tegen de faillissementsaanvragers en moet niet worden gezien als een erkenning van [geïntimeerde] dat hij niets meer te vorderen had van [appellant] . In het licht van dit verweer kan bedoeld e-mailbericht niet het gewicht in de schaal leggen dat [appellant] daaraan wenst toe te kennen.