ECLI:NL:GHARL:2023:10693

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
21-004249-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf opgelegd voor ontuchtige handelingen met minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 december 2023 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte is veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje, dat ten tijde van de feiten tussen de twaalf en zestien jaar oud was. De verdachte, die ruim elf jaar ouder is dan het slachtoffer, heeft gedurende een periode van vier jaar seksuele handelingen met haar verricht. Het hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden op, alsook een taakstraf van 240 uren, met een bijzondere voorwaarde dat de verdachte geen contact mag opnemen met het slachtoffer.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging, waaronder het ontbreken van het ontuchtige karakter van de handelingen en de afwezigheid van schuld door dwaling over de leeftijd van het slachtoffer. Het hof oordeelt dat de seksuele handelingen, gezien het grote leeftijdsverschil en de jeugdige leeftijd van het slachtoffer, als sociaal-ethisch onaanvaardbaar moeten worden beschouwd. De verdachte heeft geen voldoende inspanning geleverd om de werkelijke leeftijd van het slachtoffer te verifiëren, wat zijn beroep op afwezigheid van schuld ondermijnt.

Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij, het slachtoffer, tot schadevergoeding toegewezen. De totale schadevergoeding bedraagt € 7.213,10, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade vastgesteld op € 7.000,-, gezien de gevolgen van de handelingen voor de geestelijke gezondheid van het slachtoffer, die lijdt aan PTSS als gevolg van de gebeurtenissen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004249-22
Uitspraak d.d.: 20 december 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
Gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2022 met parketnummer 05-073988-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.H. Staring.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen, omdat het op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt en een andere straf oplegt dan de rechtbank.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 12 juli 2014 tot en met 11 juli 2018 te Doetinchem,
met [slachtoffer] , geboren op 12 juli 2002,
die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
het brengen van zijn penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer] en/of
het brengen van één of meer van zijn vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] en/of
het brengen van zijn tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
het (tong)zoenen van die [slachtoffer] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Bewijsmiddelen
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zullen worden opgenomen in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Bewijsverweren
Anaal binnendringen
De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dit inhoudt dat sprake is geweest van anaal seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, [slachtoffer] .
Het hof verwerpt dit verweer in zoverre dat het hof bewezen acht dat de verdachte een vinger in de anus van [slachtoffer] heeft gebracht. Deze vaststelling baseert het hof op het volgende.
[slachtoffer] heeft op 5 januari 2021 bij de politie verklaard dat zij en de verdachte een keer anale seks hebben gehad en dat dit heeft geleid tot fysieke ongemakken waarvoor zij naar de huisarts is gegaan. [slachtoffer] heeft op 28 april 2015 een huisarts geconsulteerd omdat zij naar eigen zeggen sinds drie weken last had van een bultje bij de anus dat is ontstaan na anaal seksueel contact. De huisarts heeft in de anus van [slachtoffer] een ‘kleine skintag’ waargenomen en heeft die geduid als een ‘lokale zwelling/papel/knobbel huid/subcutis’. Verder heeft de verdachte op de terechtzitting van het hof verklaard dat hij [slachtoffer] wellicht een keer anaal gepenetreerd heeft met een vinger.
Op basis van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de verdachte een vinger in de anus van [slachtoffer] heeft gebracht.
Met de verdediging acht het hof niet bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft gebracht. Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de anale seks waarover [slachtoffer] heeft verklaard eruit bestond dat de verdachte zijn vinger in haar anus bracht. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [slachtoffer] heeft verklaard dat de anale seks plaatsvond terwijl zij op haar buik lag, waardoor zij niet heeft kunnen zien welk lichaamsdeel in haar anus werd gebracht. Het voorgaande brengt mee dat het hof de verdachte vrijspreekt van het tenlastegelegde voor zover dit inhoudt dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft gebracht.
Ontuchtig karakter
De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde, omdat het seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer] niet als ontuchtig kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat toen de verdachte en [slachtoffer] elkaar leerden kennen, de verdachte ervan overtuigd was dat [slachtoffer] zeventien jaren oud was, wat ook paste bij haar uiterlijk en gedrag. De bevindingen van [zorginstelling 1] die blijken uit de brief van 8 november 2016 ondersteunen dit volgens de raadsman. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het seksueel contact ook voor [slachtoffer] consensueel van aard was.
Het verwerpt het verweer en motiveert dit als volgt.
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit artikel strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Art. 245 Sr beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 245 Sr als maatstaf voor ogen heeft gestaan of de betreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.
Het hof is van oordeel dat het seksueel contact tussen de verdachte en [slachtoffer] een ontuchtig karakter had. De verdachte en [slachtoffer] hebben gedurende een periode van een aantal jaren met enige regelmaat seksuele handelingen met elkaar verricht. Toen dit begon, was [slachtoffer] twaalf jaren oud, terwijl de verdachte, die ruim elf jaren ouder is dan [slachtoffer] , toen dus drieëntwintig jaren oud was. Gelet op het grote leeftijdsverschil en de zeer jeugdige leeftijd van [slachtoffer] toen het seksueel contact begon, is het hof van oordeel dat de verrichte seksuele handelingen in dit geval als sociaal-ethisch onaanvaardbaar moeten worden beschouwd. Verder is het hof van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden waardoor het ontuchtig karakter van de seksuele handelingen ontbreekt, ook niet als wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de verdediging dat de verdachte dacht dat [slachtoffer] zeventien jaren oud was toen zij elkaar leerden kennen en dat de seksuele handelingen (ook wat betreft [slachtoffer] ) vrijwillig plaatsvonden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 12 juli 2014 tot en met 11 juli 2018 te Doetinchem,
met S. [slachtoffer] , geboren op 12 juli 2002,
die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
‒ het brengen van zijn penis in de vagina
en/of anusen
/ofmond van die [slachtoffer] en
/of
‒ het brengen van één of meer van zijn vinger(s) in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] en
/of
‒ het brengen van zijn tong in de vagina en
/oftussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en
/of
‒ het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en
/of
‒ het (tong)zoenen van die [slachtoffer] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Afwezigheid van alle schuld door dwaling omtrent de leeftijd van [slachtoffer]
De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat, toen de verdachte en [slachtoffer] elkaar leerden kennen, [slachtoffer] tegen verdachte heeft gezegd dat zij zeventien jaren oud was en voorts dat [slachtoffer] een uiterlijk had en gedrag vertoonde dat past bij iemand die zeventien jaren of ouder is. Alles overziende kan de verdachte niet worden verweten dat hij niet heeft vermoed dat [slachtoffer] jonger was dan zestien jaren, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en motiveert dit als volgt.
Het hof herhaalt dat art. 245 Sr strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De in dat artikel genoemde (jeugdige) leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd, wat betekent dat een bewezenverklaring van dat strafbare feit in beginsel slechts vereist dat wordt vastgesteld dat het slachtoffer in die leeftijdscategorie valt, ongeacht de wetenschap van de verdachte over de leeftijd van het slachtoffer. Dit sluit echter niet uit dat een verdachte die stelt te hebben gedwaald omtrent de leeftijd van het jeugdige slachtoffer, een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld. De ruimte voor een geslaagd beroep op die strafuitsluitingsgrond wordt echter beperkt door de aard en de strekking van art. 245 Sr. Gelet op de bescherming die dit artikel beoogt te bieden aan jeugdige personen, zou het doel van deze strafbepaling worden gemist indien voor het honoreren van een beroep op afwezigheid van alle schuld al voldoende zou zijn dat de jeugdige een ouder voorkomen heeft en dat, gevraagd naar de leeftijd, de jeugdige een hogere leeftijd opgeeft dan de werkelijke (vgl. Hoge Raad 20 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:135,
NJ1959/102).
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld met betrekking tot de gestelde dwaling over de leeftijd van [slachtoffer] . Ook als wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van de verdachte dat [slachtoffer] , toen zij elkaar leerden kennen, tegen hem heeft gezegd dat ze zeventien jaar was, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte enige inspanning heeft verricht om te controleren of de leeftijd die zij opgaf, overeenkwam met haar echte leeftijd. Ook in de jaren daarna, waarin zij regelmatig seksueel contact hebben gehad, heeft hij geen enkel onderzoek gedaan.
De omstandigheid dat de verdachte en [slachtoffer] met elkaar in contact zijn gekomen via een chatdienst (Omegle) met een leeftijdsvoorwaarde van achttien jaren of ouder, vormt naar het oordeel van het hof geen sterke reden om te kunnen aannemen, zoals door en namens verdachte is aangevoerd, dat [slachtoffer] ouder was dan zij in werkelijkheid was, omdat op die website geen sprake was van toezicht op de naleving van die leeftijdsvoorwaarde en minderjarige gebruikers door middel van een enkel vinkje konden opgeven dat zij achttien jaren of ouder waren en daarmee toegang konden verkrijgen tot een chatbox. Ten overvloede merkt het hof daarbij op dat deze omstandigheid de verdachte juist extra alert had moeten maken omdat [slachtoffer] , toen zij elkaar leerden kennen, volgens zijn eigen verklaring immers vertelde dat zij zeventien jaar was, hetgeen betekent dat zij ook in dat geval in strijd had gehandeld met de leeftijdsvoorwaarde van de chatdienst Omegle en loog over haar leeftijd.
Concluderend is het hof van oordeel dat de verdachte strafbaar is, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] .
De raadsman heeft bepleit dat het hof bij het bepalen van de op te leggen straf rekening zal houden met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde seksuele handelingen van consensuele aard zijn geweest. Verder heeft de raadsman aandacht gevraagd voor het tijdverloop sinds het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de negatieve (sociale) gevolgen die de verdachte buiten het strafproces al van het bewezenverklaarde heeft ondervonden en de negatieve gevolgen van een eventuele detentie.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft gedurende een aantal jaren ontucht gepleegd met een meisje dat toen tussen twaalf en zestien jaren oud was, waarbij de ontuchtige handelingen onder meer bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verdachte is elf jaren ouder dan [slachtoffer] . Toen het seksueel contact begon, was de verdachte drieëntwintig en [slachtoffer] twaalf.
Het verbod op ontuchtige handelingen met iemand die twaalf jaren of ouder is maar jonger dan zestien jaren strekt ertoe jeugdige personen te beschermen tegen de schadelijke gevolgen die seksuele handelingen op een jonge leeftijd kunnen hebben voor hun (seksuele) ontwikkeling en geestelijk welzijn. Deze bescherming strekt zich uit tot seksuele contacten die plaatsvinden met instemming van de jeugdige, om jeugdigen ook bescherming te bieden tegen onverstandige keuzes die zij zelf maken. Gegeven de leeftijd van [slachtoffer] en het onderlinge leeftijdsverschil behoorde de verdachte zich te onthouden van seksueel contact met haar, ongeacht hoe zij zich opstelde. Door toch de bewezenverklaarde seksuele handelingen te verrichten, heeft de verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] . Deze handelingen hebben bovendien een grote impact gehad op het leven van [slachtoffer] . Zij heeft als gevolg van deze gebeurtenissen een post traumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkeld in de vorm van angstklachten en paniekaanvallen. Zij heeft als gevolg daarvan therapie moeten ondergaan.
Het hof heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2022. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet voor een misdrijf dat soortgelijk is aan het bewezenverklaarde. Het justitieel verleden van de verdachte vormt naar het oordeel van het hof geen reden om de op te leggen straf te verzwaren.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in strafmatigende zin rekening met het volgende.
Ten eerste is sprake van een aanzienlijk tijdverloop sinds het bewezenverklaarde, dat vijfeneenhalf jaar geleden is gestopt.
Ten tweede neemt het hof in aanmerking dat de verdachte door het bewezenverklaarde zijn baan als tegelzetter is kwijtgeraakt. Inmiddels werkt hij als zzp’er. Bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een substantiële duur is er een reëel risico dat de verdachte opnieuw zijn baan zal verliezen.
Ook in sociale zin heeft hij de negatieve gevolgen van deze verdenking ondervonden.
Alles overziende zal het hof de verdachte veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, in combinatie met de maximale taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Naar het oordeel van het hof wordt met deze combinatie van straffen zowel recht gedaan aan de ernst van het bewezenverklaarde als aan het tijdverloop sinds het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbindt het hof, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte geen strafbaar feit zal plegen, de door [slachtoffer] gewenste (bijzondere) voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze, dus ook niet via sociale media of op andere digitale wijze, contact met haar zal leggen of laten leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van € 20.213,10. De vordering bestaat uit de volgende onderdelen:
€ 168,10 (100,78 + 67,32) voor reiskosten
€ 45,- (28,50 + 16,50) voor parkeerkosten
€ 20.000,- voor immateriële schade.
Verder heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 7.213,10 en heeft voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep de volledige vordering gehandhaafd. Dit brengt mee dat de vordering in volle omvang aan het oordeel van het hof is onderworpen. In aanvulling op de oorspronkelijke vordering heeft de benadeelde partij gesteld nog meer schade te hebben geleden door het bewezenverklaarde en het hof verzocht de vergoeding van die schade te bewerkstelligen door (ook) voor die aanvullende schade de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsman heeft bepleit dat het hof de vordering niet zal toewijzen, omdat die een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de omvang van de geleden immateriële niet te schatten valt, omdat [slachtoffer] voorafgaand aan het bewezenverklaarde al leed aan geestelijke aandoeningen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre de later opgetreden geestelijke gezondheidsschade is veroorzaakt door het bewezenverklaarde, aldus de raadsman. Verder heeft de raadsman zich verzet tegen het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor schade die is gesteld in aanvulling op de oorspronkelijke vordering.
Oordeel van het hof
Materiële schade (onderdelen A en B)
Het hof wijst de vordering toe voor zover deze strekt tot vergoeding van materiële schade, waarbij het gaat om een bedrag van € 213,10. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat deze onderdelen van de vordering inhoudelijk niet zijn betwist door de verdediging en dat deze onderdelen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Immateriële schade (onderdeel C)
Naar het oordeel van het hof is, ondanks de aanwezigheid van andere geestelijke gezondheidsklachten bij de benadeelde partij, in voldoende mate komen vast te staan dat het bewezenverklaarde heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat in de medische verklaring van [zorginstelling 2] van 8 augustus 2022 wordt vermeld dat de benadeelde partij al langer kampt met matige tot ernstige depressieve klachten, maar dat ‘als traumatisch ervaren fors seksueel misbruik’, waarmee kennelijk gedoeld wordt op het bewezenverklaarde, wordt aangewezen als oorzaak van de angstklachten en paniekaanvallen die passen bij de diagnose posttraumatische stressstoornis.
Het voorgaande brengt mee dat sprake is van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, in de vorm van een aantasting van de persoon van de benadeelde partij (in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek). Gelet op hetgeen het hof in de strafmotivering heeft overwogen over de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken zijn toegekend, is het hof van oordeel dat € 7.000,- een billijke vergoeding is voor de immateriële schade die de benadeelde partij door het bewezenverklaarde heeft geleden.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Het hof ziet onvoldoende aanleiding om, zoals verzocht door de benadeelde partij, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor de schade die is gesteld in aanvulling op de (oorspronkelijke) vordering waarmee de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de wet geen grondslag biedt om een vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te verhogen en het hof geen aanleiding ziet om een vergelijkbaar resultaat te bewerkstelligen via de weg van de schadevergoedingsmaatregel.
Proceskosten
Het hof verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, welke het hof tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.590,80. Dit bedrag is als volgt opgebouwd.
Een bedrag van € 1.524,- strekt tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Dit bedrag is begroot op basis van het liquidatietarief zoals neergelegd in het op rechtspraak.nl gepubliceerde document ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Voor de verrichte werkzaamheden in eerste aanleg, te weten (a) het opstellen en indienen van de vordering en (b) de mondelinge toelichting van deze vordering ter terechtzitting, alsmede voor de mondelinge toelichting van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep, kent het hof telkens één punt toe. Deze drie punten worden telkens gewaardeerd op het bedrag van € 508,-, welk bedrag correspondeert met de hoogte van het toegewezen deel van de vordering. Het hof is van oordeel dat, gelet op de relatief eenvoudige aard van de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in het kader van een strafproces, het niet billijk zou zijn voor de werkzaamheden in hoger beroep aansluiting te zoeken bij een hoger tarief, zoals gebruikelijk is in civiele procedures.
Een bedrag van € 66,80 strekt tot vergoeding van reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor een informatief gesprek en verhoor bij de politie en voor het bezoeken van haar advocaat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze contact zal leggen of laten leggen met [slachtoffer] , geboren op 12 juli 2002.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.213,10 (zevenduizend tweehonderddertien euro en tien cent), bestaande uit € 213,10 (tweehonderddertien euro en tien cent) ter vergoeding van materiële schade en € 7.000,- (zevenduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 1.590,80 (duizend vijfhonderdnegentig euro en tachtig cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 7.213,10 (zevenduizend tweehonderddertien euro en tien cent), bestaande uit € 213,10 (tweehonderddertien euro en tien cent) ter vergoeding van materiële schade en € 7.000,- (zevenduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 71 (eenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 juli 2018.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. I.C.E. Draisma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld en mr. T.F. de Ruiter, griffiers,
en op 20 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
De voorzitter en mr. Draisma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.