ECLI:NL:GHARL:2023:10168

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
29 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.325.862/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 20 RVV 1990Art. 4:17 AwbArt. 7:24 AwbArt. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebeslissing wegens onvoldoende bewijs en overschrijding redelijke termijn

De betrokkene kreeg een boete van €282 voor het rijden met 27 km/h te hard binnen de bebouwde kom op de Westerdreef in Lelystad. Hij betwistte de aanwezigheid van het bord H1 dat de bebouwde kom aangeeft, en stelde dat dit niet op zijn route aanwezig was. De kantonrechter hield hier geen rekening mee en wees het beroep af.

In hoger beroep stelde het hof vast dat de ambtenaar de aanwezigheid van het bord niet zelf had gecontroleerd, maar dat op basis van Cyclomediabeelden en een verklaring van de gemeente Lelystad kon worden vastgesteld dat het bord H1 op de route aanwezig was rond de datum van de overtreding. Hierdoor kon de overtreding worden vastgesteld.

Het hof constateerde echter dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, waardoor de sanctie met 25% werd gematigd tot €211,50. Tevens stelde het hof vast dat de officier van justitie te laat had beslist op het administratief beroep, waardoor een dwangsom van €322,- werd toegekend. De proceskosten van €1.255,50 werden eveneens aan de betrokkene toegekend.

De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd, het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard en de sanctie aangepast. Het hof bepaalde ook dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €211,50, de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en een dwangsom van €322,- wordt toegekend wegens overschrijding beslistermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.325.862/01
CJIB-nummer
: 218958508
Uitspraak d.d.
: 29 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 9 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat de zaak twee keer door het hof is teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard, vastgesteld dat de officier van justitie aan de betrokkene geen dwangsom is verschuldigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 282,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 27 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 augustus 2018 om 9:24 uur op de Westerdreef in Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De betrokkene betwist dat hij een bord H1 is gepasseerd en in het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat dit bord aanwezig was op de door de betrokkene afgelegde route. De betrokkene heeft vanaf de A6 afslag 11 naar de N307 genomen. Vervolgens is hij via de Zuigerplasdreef en de Houtribdreef naar de Westerdreef gereden. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij de bebording op de door de betrokken aangegeven route niet voorafgaand aan de controle heeft vastgesteld, maar dat hij de aanwezigheid van deze bebording veronderstelt. De kantonrechter heeft deze grond niet in zijn beslissing betrokken, zodat diens beslissing niet in stand kan blijven.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat dat met behulp van een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter is geconstateerd dat met het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats met een gecorrigeerde snelheid van 77 km/h is gereden, terwijl de maximum snelheid aldaar 50 km/h bedraagt.
5. Voorts bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 10 februari 2019, waarin de ambtenaar zakelijk weergegeven en voor zover relevant verklaart dat elke automobilist een bord H1 passeert zodra deze Lelystad binnenrijdt en dat de Westerdreef binnen de bebouwde komt ligt.
6. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin is bepaald dat de maximum snelheid binnen de bebouwde kom 50 km/h bedraagt. Het begin van de bebouwde kom wordt aangegeven door middel van een bord H1 van bijlage 1 bij het RVV 1990.
7. De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd was zelf ter plaatse. In dit geval kan er echter, gelet op de inhoud van het aanvullend proces-verbaal, niet van worden uitgegaan dat de ambtenaar de aanwezigheid van de bebording H1 op de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden heeft gecontroleerd. Dit brengt mee dat hier de aanwezigheid van deze bebording ten tijde van de gedraging met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld als blijkt dat deze bebording aanwezig was op enig moment niet meer dan zes maanden vóór en niet meer dan zes maanden ná de gedraging. Is één van deze termijnen langer, dan zal uit (nadere) stukken moeten blijken dat na verificatie van daarvoor beschikbare bronnen is gebleken dat dit bord in de tussentijd niet is verwijderd of vervangen (vgl. het arrest van het hof van 12 september 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:7804).
8. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal twee Cyclomediabeelden overgelegd, waarop is te zien dat op 24 januari 2018 en op 14 februari 2019 de bebording H1 deugdelijk aanwezig was op de Zuigerplasdreef, alsmede een e-mail van de gemeente Lelystad, waarin staat dat er geen meldingen bekend zijn van vernieling / diefstal van deze bebording in de tussenliggende periode.
9. Het hof is van oordeel dat op basis van de bovengenoemde informatie de aanwezigheid van de bebording H1 op de door de betrokkene gereden route ten tijde van de pleegdatum met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
11. Nu de beslissing van de kantonrechter reeds wordt vernietigd, behoeft de grond van de gemachtigde dat de kantonrechter in zijn beslissing niet is ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde grond geen bespreking meer.
12. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd. De beslistermijn kon pas worden opgeschort met ingang van 20 september 2018, omdat toen de beslistermijn aanving. De beslistermijn is niet (verder) opgeschort door het herhaalde verzoek van de officier van justitie om aanvullende gronden, omdat dit niet meer op verzoek van de gemachtigde was. Ook met het verzoek om een machtiging is de beslistermijn niet (verder) opgeschort, aangezien de machtiging reeds bij het administratief beroepschrift was overgelegd. Dit brengt mee dat aan de verdagingsbrief van de officier van justitie d.d. 21 januari 2019 geen betekenis toekomt, omdat deze is verzonden toen de beslistermijn reeds was verstreken.
13. Artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover van belang:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
14. Artikel 7:24 van Pro de Awb luidt, voor zover van belang:
“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)
3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te Pro herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. (…)
7. Indien toepassing is gegeven aan het derde, vierde, vijfde of zesde lid, doet het beroepsorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.”
15. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier, voor zover van belang, het volgende vast. De inleidende beschikking is op 9 augustus 2018 aan de betrokkene toegezonden. Hiertegen heeft de gemachtigde bij brief van 3 september 2018 administratief beroep ingesteld. In het beroepschrift wordt de gedraging ontkend, wordt verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en wordt verzocht om een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden. Als bijlage bij het beroepschrift is een (deugdelijke) machtiging gevoegd. Bij brief van 12 september 2018 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld de beroepsgronden aan te vullen. Bij brief van 24 september 2018, op 26 september 2018 door de officier van justitie ontvangen, heeft de gemachtigde - onder protest - de beroepsgronden aangevuld en nogmaals verzocht hem de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Bij brief van 19 oktober 2018 heeft de officier van justitie de gemachtigde (wederom) in de gelegenheid gesteld de beroepsgronden aan te vullen. Bij brief van 8 november 2018 heeft de gemachtigde de beroepsgronden (wederom) aangevuld. Bij brief van 14 november 2018 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke machtiging te overleggen. Bij brief van 21 november 2018 heeft de gemachtigde de officier van justitie laten weten dat bij het administratief beroepschrift reeds een schriftelijke machtiging is verstrekt. Bij brief van 21 januari 2019 deelt de officier van justitie de gemachtigde mee dat hij de beslistermijn met tien weken verlengt. Bij brief van 3 april 2019, binnengekomen op 4 april 2019, stelt de gemachtigde de officier van justitie in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. Op 3 mei 2019 is de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep verzonden.
16. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb eindigde de beroepstermijn op 20 september 2018. Gelet op artikel 7:24, eerste lid, van de Awb eindigde de beslistermijn in beginsel op 11 januari 2019. Op grond van artikel 7:24, derde lid, van de Awb en in aanmerking genomen dat een redelijke uitleg van deze bepaling meebrengt dat de beslistermijn ook wordt opgeschort gedurende een op verzoek verleende termijn voor het aanvullen van de beroepsgronden, is de beslistermijn opgeschort vanaf de aanvang daarvan op 21 september 2018 tot 26 september 2018, de dag waarop van de op verzoek geboden gelegenheid gebruik is gemaakt. De beslistermijn is niet (verder) opgeschort door de brief van de officier van justitie van 19 oktober 2018. De gemachtigde had namelijk niet (nogmaals) verzocht om nog een termijn voor het (verder) aanvullen van de beroepsgronden. Ook is de beslistermijn niet (verder) opgeschort door de brief van de officier van justitie van 14 november 2018, nu bij het administratief beroepschrift reeds een (deugdelijke) machtiging was overgelegd en dus geen sprake was van een verzuim. Dit brengt mee dat de beslistermijn eindigde op 16 januari 2019. Aan de verdagingbrief van de officier van justitie van 21 januari 2019 komt geen betekenis toe, nu die pas na afloop van de beslistermijn is verzonden. De officier van justitie is met de op 4 april 2019 ontvangen brief van de gemachtigde op correcte wijze in gebreke gesteld. Aldus is de officier van justitie van 19 april 2019 tot 3 mei 2019 een dwangsom verschuldigd van € 322,- (14 x € 23,-).
17. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, alsmede de twee hoger beroepschriften die hebben geleid tot de arresten van het hof waarbij de zaak naar de rechtbank werd teruggewezen, dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.255,50.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 211,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 322,- is verschuldigd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.255,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.