Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:8233

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
21/00770
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waardering woning en geschonden gelijkheidsbeginsel

Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning die voor het belastingjaar 2020 door de gemeente Arnhem is gewaardeerd op €390.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Gelderland werd dit oordeel gehandhaafd. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het geschil betrof de vraag of de waardering in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder de meerderheidsregel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende stelde dat vergelijkbare woningen niet juist waren meegenomen in de waardering, wat leidde tot ongelijke behandeling en onzorgvuldigheid.

Het hof oordeelde dat de genoemde vergelijkingsobjecten niet identiek waren vanwege waardevermeerderingen zoals uitbouwen en dakkapellen, waardoor de meerderheidsregel niet van toepassing was. Ook was er geen sprake van een toezegging die het vertrouwensbeginsel zou schenden. De juistheid van de WOZ-waardering stond niet ter discussie, waardoor het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet slaagde.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de WOZ-waardering wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/00770
uitspraakdatum: 27 september 2022
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats1](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2021, nummer AWB 20/6456,
in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan
de gemeente Arnhem(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 14 te [woonplaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 390.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2020 (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 618,93.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en – naar het Hof begrijpt – de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] (taxateur). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning. De woning is een in het jaar 2007 gebouwde hoekwoning met een berging en een aanbouw. De inhoud van de woning is 524 m³. De oppervlakte van het perceel bedraagt 325 m².
2.2.
In een hogerberoepsprocedure voor het belastingjaar 2013 hebben partijen ter zitting een compromis bereikt over de waardering van de woning. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de bij beschikking vastgestelde waarde per de waardepeildatum 1 januari 2012 van de woning moet worden verminderd tot € 244.000. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij uitspraak van 31 maart 2015 (hierna: de uitspraak van 31 maart 2015) dienovereenkomstig beslist.

3.Geschil

3.1.
Niet in geschil is dat de waarde van de woning zoals de heffingsambtenaar die op de voet van artikel 17 van Pro de Wet WOZ heeft bepaald, als zodanig juist is. Wel is in geschil of het gelijkheidsbeginsel, meer in het bijzonder de meerderheidsregel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De heffingsambtenaar beantwoordt deze vragen ontkennend.
3.3.
Beide partijen hebben voor hun standpunt voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de meerderheidsregel is geschonden, omdat de waarde van zijn woning ten onrechte niet is vergeleken met de waarde van de objecten [adres2] 1, [adres2] 3, [adres3] 2 en [adres3] 4 (hierna: de objecten), alle gelegen in [woonplaats1] . Deze objecten zijn in de basis identiek aan de woning, zoals blijkt uit de bouwtekeningen, met dien verstande dat later per object verschillende waardevermeerderende aspecten zijn toegevoegd. Dat deze vergelijking gemaakt moet worden, volgt uit de uitspraak van 31 maart 2015. Doordat de heffingsambtenaar niet is aangesloten bij voornoemde uitspraak, is het vertrouwensbeginsel geschonden. Ook heeft de heffingsambtenaar zijn database en bouwkundige rekenprijzen niet op orde. Dit leidt tot een onzorgvuldige of onzuivere belastingheffing.
4.2.
Het Hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de meerderheidsregel in een geval als het onderhavige de vergelijking moet worden gemaakt met woningen die identiek zijn, in die zin dat de onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn. Dit brengt mee dat een beroep op de meerderheidsregel ondersteund dient te worden met de stelling dat minstens twee identieke objecten lager zijn gewaardeerd dan de woning. Ter ondersteuning van een beroep op de meerderheidsregel zal gewezen kunnen worden op alle identieke panden die gelegen zijn binnen het ambtsgebied van het betrokken bestuursorgaan, dat wil zeggen binnen de grenzen van de desbetreffende gemeente. [1]
4.3.
Naar het oordeel van het Hof zijn de door belanghebbende genoemde objecten niet identiek aan de woning van belanghebbende. Het Hof neemt daarbij als uitgangspunt dat ook indien de bouwtekeningen van de woning en de objecten identiek zijn, zoals belanghebbende stelt, dit niet leidt tot de conclusie dat de objecten per waardepeildatum 1 januari 2019 nog steeds identiek zijn. Uit belanghebbendes verklaringen ter zitting en de door hem overgelegde onderbouwing, leidt het Hof af dat aan de objecten sinds de bouw in 2007 diverse waardevermeerderende aspecten zijn toegevoegd, waaronder een (gedeeltelijke) uitbouw, dakkapel, dakterras en extra opstallen. Hierin verschilt de woning ook op niet verwaarloosbare wijze van de objecten [adres2] 1, [adres2] 3, [adres3] 2 en [adres3] 4, waardoor deze objecten niet langer identiek zijn aan de woning van belanghebbende. Uit hetgeen door partijen over en weer is gesteld is niet aannemelijk geworden dat in een meerderheid van de met dit geval vergelijkbare gevallen een juiste waardering achterwege is gebleven. Voorts is het Hof niet gebleken dat sprake is van ongelijke behandeling waaraan begunstigend beleid van de heffingsambtenaar of een oogmerk van begunstiging ten grondslag lag.
4.4.
Aan de uitspraak van 31 maart 2015 kan belanghebbende geen vertrouwen ontlenen voor het onderhavige belastingjaar. Deze uitspraak behelst een tussen partijen gesloten compromis over de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2013 (zie overweging 2.2). Uit deze uitspraak blijkt niet dat de heffingsambtenaar zich heeft gecommitteerd tot de vergelijking van de woning met de objecten of dat hij enige andere toezegging voor toekomstige belastingjaren heeft gedaan. Dat de heffingsambtenaar een toezegging zou hebben gedaan is het Hof ook anderszins niet gebleken. Naar het oordeel van het Hof is het vertrouwensbeginsel daarom niet geschonden.
4.5.
Het beroep van belanghebbende op het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat dit heeft geleid tot een onzorgvuldige of onzuivere belastingheffing, behoeft geen nadere bespreking. Dat de heffingsambtenaar zou zijn uitgegaan van onjuiste bouwkundige rekenprijzen en/of een onjuiste database kan niet tot een andere conclusie leiden, aangezien de juistheid van de WOZwaardering van de woning niet in geschil is.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.R. Zonneveld, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2022.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (L.R. Zonneveld)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 september 2022.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten