ECLI:NL:GHARL:2021:9403

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
21-000635-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SvArt. 313 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding in hoger beroep wegens onvolledige tenlastelegging

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 5 oktober 2021 uitspraak gedaan over de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld door de politierechter te Utrecht en stelde hiertegen hoger beroep in.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep stelde het hof vast dat de tenlastelegging in de dagvaarding slechts een straatnaam vermeldde zonder de daarbij behorende pleegplaats. Dit voldoet niet aan de eisen van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat de plaats van het feit duidelijk moet worden vermeld. De advocaat-generaal heeft geen wijziging van de tenlastelegging gevorderd, en het hof oordeelde dat het toevoegen van een plaatsnaam een wijziging is in de zin van artikel 313 Sv Pro, waarvoor geen toestemming was gegeven.

Daarom kon het hof de dagvaarding niet verbeteren en verklaarde het deze nietig. Dit betekent dat de tenlastelegging niet als grondslag voor de terechtzitting kan dienen, waardoor het hoger beroep niet ontvankelijk is. Het arrest werd gewezen door de meervoudige kamer van het hof, met voorzitter Roessingh-Bakels en raadsheren Van Zuijlen en Nooijen.

Uitkomst: De dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard vanwege een onvolledige tenlastelegging zonder vermelding van de pleegplaats.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000635-20
Uitspraak d.d.: 5 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, van 6 februari 2020 met parketnummer 16-229724-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 09-218087-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. E. Tamas, naar voren is gebracht.

Geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep

De tenlastelegging dient krachtens het bepaalde in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering te vermelden waar ter plaatse het feit zou zijn begaan. De enkele vermelding in de tenlastelegging van “Nijverheidsweg 12/a//b/c” zonder daarbij de pleegplaats te noemen, is te onbepaald en voldoet niet aan dit vereiste.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen wijziging tenlastelegging ex artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering gevorderd.
Nu uit de jurisprudentie volgt dat het toevoegen van een plaatsnaam aan de tenlastelegging niet het herstellen van een kennelijke misslag betreft maar een wijziging oplevert in de zin van artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ligt het in dit geval niet op de weg van het hof de tenlastelegging te verbeteren (vgl. HR 30-09-2008, LJN:BD3662 en ECLI:NL:HR:2011:BT8787).
De tenlastelegging kan daarom niet dienen als grondslag van de terechtzitting zodat het hof de dagvaarding nietig zal verklaren.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. R.W. van Zuijlen en mr. M. Nooijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier,
mr. M. Nooijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
en op 5 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.