ECLI:NL:GHARL:2021:9225

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 september 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
GEMW 200.276.293/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Afvalstoffenverordening 2009Art. 154b GemeentewetArt. 5:1 lid 2 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor overtreding Afvalstoffenverordening door achterlaten afval in trappenhuis en openbare ruimte

Eiser werd een bestuurlijke boete van €95,- opgelegd wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2009, omdat afval in het trappenhuis bij zijn woning en vervolgens op straat werd aangetroffen. Eiser betwistte de overtreding en stelde dat het afval door zijn minderjarige kind was achtergelaten en later door derden buiten werd geplaatst.

De kantonrechter verklaarde het beroep van eiser ongegrond. Het gerechtshof bevestigde deze beslissing, maar verbeterde de motivering. Het hof oordeelde dat de overtreding aan eiser kan worden toegerekend, ook al was het afval door derden buiten geplaatst, omdat hij verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn kind en het niet voorkomen van afval in de openbare ruimte.

De afwijking in naam op het adreslabel op het afval vormde geen beletsel voor het opleggen van de boete. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat eiser niet in het gelijk werd gesteld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €95,- voor overtreding van de Afvalstoffenverordening en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
:
Uitspraak d.d.
: 30 september 2021
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2020, betreffende
[eiser](hierna: eiser),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dat beroep was ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk S-1247864/50299802. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Verweerder heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Bij de beschikking met voormeld kenmerk is aan eiser een boete van € 95,- opgelegd voor overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009). Deze overtreding zou zijn begaan op 24 januari 2019 in de Halmaheirastraat in Amsterdam.
2. Artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 luidt als volgt:
“Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, vierde lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening of brengdepot is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met behulp van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.”
3. Namens eiser wordt aangevoerd dat de kantonrechter zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Op de inhoudelijke bezwaren is niet ingegaan. Verder betoogt de gemachtigde dat de vermeende overtreding niet is begaan. Het minderjarige kind van eiser heeft een kartonnen doosje in het trappenhuis bij de voordeur gezet. Dit doosje werd gebruikt om schoenen in of op te zetten. Het ging dan ook niet om afval. Onduidelijk is wie dit doosje vervolgens plat heeft gemaakt en buiten op de afvalcontainer heeft gelegd. Betrokkene had daar in ieder geval geen aandeel in en is dan ook geen (mede)pleger in de zin van artikel 5:1, lid 2, Algemene wet bestuursrecht. Tot slot betwist de gemachtigde dat de boete aan eiser kon worden opgelegd. De naam die op de doos stond vermeld komt namelijk niet volledig overeen met de naam van eiser.
4. In het brondocument is de verklaring opgenomen van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Voor zover hier relevant houdt deze verklaring in:
“Ik zag dat op bovengenoemde locatie huishoudelijk afval, te weten een wit met oranje gekleurde kartonnen doos, niet op de voorgeschreven wijze werd aangeboden ter inzameling […]. De wijze waarop het afval werd aangeboden was naast de gemeentelijke inzamelvoorziening voor restafval.”
5. In de regel mag worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dat is anders indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Naast de fysieke overtreder kan onder omstandigheden ook degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling wel is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt (vgl. het arrest van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 november 2015, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:RVS:2015:3447).
6. Op de bij het brondocument gevoegde foto’s is een plat gevouwen verzenddoos zichtbaar die naast een ondergrondse afvalcontainer ligt. Op de doos zit een adreslabel met daarop de adresgegevens van eiser, alsmede de naam Ilias Ely. Deze gegevens komen vrijwel volledig overeen met de personalia van eiser. Eiser stelt dat de doos op enig moment door zijn kind in het trappenhuis bij zijn woning is gezet en vervolgens door derden naast de vuilcontainer gezet. Zou dit al zo zijn, dan is dit aan eiser toe te rekenen. Dergelijke handelingen van zijn kind vallen onder zijn verantwoordelijkheid (vgl. ook het arrest van de ABRvS van 25 januari 2017, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:RVS:2017:156). Voor zover de doos, nadat deze onbeheerd in een openbare ruimte is achtergelaten, voor afval is aangezien en door derden op straat is gedeponeerd, is eiser ook daarvoor aansprakelijk. Een lege doos die op een (semi-)openbare plaats wordt achtergelaten, kan in beginsel als afval worden beschouwd. Door niet te voorkomen dat dit afval in het trappenhuis werd achtergelaten en vervolgens op straat is beland, heeft eiser het verbod van artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 overtreden.
7. Gelet op het voorgaande staat de overtreding vast. De afwijking tussen eisers naam en de naam op de doos stond niet aan oplegging van de boete in de weg. Nog ervan afgezien dat eiser inmiddels heeft erkend dat de doos van hem afkomstig is, vormden de gegevens op de doos voldoende basis voor de ambtenaar om te veronderstellen dat dit het geval was.
8. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Wel klaagt de gemachtigde er terecht over dat de kantonrechter in zijn overwegingen in het geheel niet op de argumenten van eiser is ingegaan. Het hof zal bij het bevestigen van de beslissing van de kantonrechter daarom de gronden van deze gebrekkig gemotiveerde beslissing verbeteren.
9. Nu eiser niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.