In deze zaak draait het om een vordering tot afgifte van vijf pony’s en de bijbehorende proceskosten in een kort gedingprocedure. [Appellant] exploiteert een paardenstal en weigerde de pony’s af te geven vanwege een retentierecht wegens stallingskosten. [Geïntimeerden] vorderden afgifte met zekerheidstelling en dwangsom. De voorzieningenrechter wees de vordering grotendeels toe onder voorwaarden.
In hoger beroep stelde [appellant] dat het vonnis onjuist was, met name over de omvang van de bankgarantie, de dwangsom en de proceskostencompensatie. Het hof constateerde dat partijen na het vonnis een vaststellingsovereenkomst sloten, waarna de pony’s werden afgegeven. Hierdoor verviel het belang bij de vordering vanaf 18 januari 2021, zodat het vonnis voor die periode werd vernietigd.
Voor de periode tot die datum oordeelde het hof dat de bankgarantie van € 9.000 terecht was vastgesteld en dat de dwangsom terecht was opgelegd om afgifte af te dwingen. De proceskostencompensatie werd eveneens gehandhaafd, omdat partijen op enkele punten in het ongelijk waren gesteld en het kort geding niet geschikt was om alle bewijsvragen te beslechten.
Het hof veroordeelde [appellant] in de kosten van het hoger beroep en wees het meer of anders gevorderde af. De uitspraak bevestigt de voorwaarden voor zekerheid en dwangsom bij retentierecht en benadrukt het belang van proceskostencompensatie bij gedeeltelijk gelijk.