Belanghebbende stelde in haar aangifte inkomstenbelasting 2013 uitgaven voor extra kleding en beddengoed ten laste van haar inkomen, die zij hoger achtte dan het door de Inspecteur gehanteerde bedrag van € 620. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en matigde de aanslag, maar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigde het lagere bedrag van de Inspecteur. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Bij het onderzoek heeft het hof vastgesteld dat belanghebbende en haar partner weliswaar aandoeningen hebben die extra uitgaven kunnen rechtvaardigen, maar dat de overgelegde bewijsstukken, waaronder een globaal overzicht van uitgaven en kassa bonnetjes, onvoldoende specificeren dat de uitgaven daadwerkelijk hoger zijn dan € 620. Bovendien zijn uitgaven voor schoenen niet zonder meer aan te merken als kledingkosten, tenzij het orthopedisch schoeisel betreft.
Het hof concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar extra uitgaven voor kleding en beddengoed hoger zijn dan het forfaitaire bedrag van € 310 per persoon. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.