In deze civiele procedure in hoger beroep staat de bewijslevering centraal omtrent de verkoop van aandelen Phillips na het overlijden van de erflater en de betaling van de opbrengst aan de erfgenamen. Het hof bevestigt het tussenarrest en stelt dat de geïntimeerde moet bewijzen dat hij de aandelen heeft verkocht, de opbrengst telefonisch heeft gemeld en contant in termijnen heeft betaald aan de erfgenamen en hun vertegenwoordigers.
Het hof staat toe dat de geïntimeerde bewijs levert door middel van getuigenverhoren, waarbij het essentieel is dat de erfgenaam als getuige wordt gehoord. Daarnaast wordt een handschriftvergelijkingsonderzoek en een inktdateringsonderzoek bevolen om de echtheid en datering van de handtekeningen op vijf kwitanties te onderzoeken.
De deskundige Dhr. E is bereid het handschriftonderzoek uit te voeren, en Dr. F zal het inktonderzoek verrichten. De kosten voor het handschriftonderzoek komen voor rekening van de geïntimeerde, terwijl de kosten voor het inktonderzoek door de appellanten worden gedragen. Partijen krijgen gelegenheid om zich uit te laten over de deskundigen en vragen te formuleren.
Het hof bepaalt dat getuigenverhoren zullen plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris en dat partijen hierbij aanwezig moeten zijn. Tevens worden nadere proceshandelingen en producties geregeld en wordt verdere beslissing aangehouden.