Belanghebbende investeerde in 2014 in een filmfonds voor de productie en exploitatie van een speelfilm. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) op, waarbij de door belanghebbende opgegeven verliezen werden gecorrigeerd. Na bezwaar en beroep verklaarde de Rechtbank het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof of de participatie in het filmfonds een bron van inkomen vormde, waarbij met name de objectieve voordeelsverwachting centraal stond. Het hof onderzocht het prospectus van het fonds, waarin verschillende rendementsscenario’s waren opgenomen, en concludeerde dat de rendementsverwachtingen niet onredelijk waren. De film had een box-office opbrengst van circa € 6 miljoen, passend bij een 'medium high' scenario, wat een positieve voordeelsverwachting impliceert.
Hoewel de overige inkomsten, zoals dvd-verkoop en buitenlandse opbrengsten, tegenvielen door externe omstandigheden, achtte het hof aannemelijk dat redelijkerwijs een positief rendement kon worden verwacht, ook zonder fiscale voordelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd niet verder behandeld omdat het hof het beroep gegrond verklaarde op basis van de objectieve voordeelsverwachting.
Het hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur, en bepaalde de aanslag IB/PVV 2014 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.885 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.484. Tevens werd de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.