De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een vrijstaande woning uit 1977 nabij een veevoederbedrijf vast op €284.000 voor 2019, na bezwaar verlaagd tot €251.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere taxatie van €209.000 voor, gebaseerd op vergelijkingsobjecten.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof corrigeerde enkele vormfouten zoals de verkeerde waardepeildatum in de rechtbankuitspraak, maar achtte deze niet doorslaggevend voor de uitkomst.
Het Hof overwoog dat de waarde moet worden bepaald op de economische waarde per 1 januari 2018, zonder rekening te houden met latere eigendomssituaties of persoonlijke beperkingen. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix en vergelijkingsobjecten, waarbij één object wegens familietransactie werd uitgesloten.
Het Hof vond de gebruikte vergelijkingsobjecten en waardematrix voldoende betrouwbaar en achtte de correcties voor ligging en onderhoud passend. De lagere taxatie van belanghebbende werd niet gevolgd, mede omdat de door hem aangedragen objecten onvoldoende vergelijkbaar waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.