Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[geïntimeerde2] ,
[geïntimeerde3] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een loonvordering van een werknemer die sinds april 2020 ziek was en een geschil had met zijn werkgever over loondoorbetaling tijdens ziekte en re-integratie. De kantonrechter wees slechts een deel van de loonvordering toe. In hoger beroep vordert de werknemer loon over twee tijdvakken: juni tot oktober 2020 en november 2020 tot februari 2021.
Het hof oordeelt dat de loonstop van de werkgever over het eerste tijdvak grotendeels terecht was vanwege onvoldoende medewerking aan re-integratie, behalve over de periode 17 tot 24 juli 2020. Over het tweede tijdvak was de loonstop onterecht omdat re-integratie in het eerste spoor niet meer passend was en de werknemer recht had op loon. Het deskundigenoordeel van het UWV kreeg hierin doorslaggevende waarde.
Het hof wijst de loonvordering toe over de genoemde perioden met een wettelijke verhoging van 20% en wettelijke rente. De werkgever wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van bruto/netto specificaties. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en is op 9 november 2021 uitgesproken.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van loon over specifieke perioden met wettelijke verhoging en rente wegens onterechte loonstop.